Algemeen
Het AGSZW richt zich met name op de uitvoering van complexe Europese subsidieregelingen. In de huidige opdrachtenportefeuille zitten ook enkele nationale regelingen. Bij de uitvoering van de subsidieregelingen ligt de nadruk op het waarborgen van de rechtmatigheid en de doelmatigheid. Onderstaand een opsomming van de subsidieregelingen die het AGSZW uitvoert.
Het Europees Sociaal Fonds (ESF) verbetert de kansen van mensen op de arbeidsmarkt. De huidige ESF-programmaperiode 2007–2013 loopt tot en met 2015, met afrondende werkzaamheden in de jaren daarna. Opdrachtgever is het Ministerie van SZW. In 2014 zijn de eerste tijdvakken van de ESF programmaperiode 2014–2020 opengesteld. De uitvoering van de nieuwe periode loopt in ieder geval tot en met 2022. Opdrachtgever is het Ministerie van SZW. Uit het ESF worden vanaf 2015 ook projecten gefinancierd uit het Europees Fonds voor Meest Behoeftigen (EFMB). De regeling EFMB zal worden ingezet om de sociale participatie van kwetsbare ouderen (met een laag besteedbaar inkomen) te stimuleren.
Het Europees Globalisatiefonds (EGF) is een andere Europese subsidieregeling die het AGSZW uitvoert voor het Ministerie van SZW. Bedrijven en sectoren die zijn getroffen door grote veranderingen in de wereldhandelspatronen of door de wereldwijde economische financiële crisis, kunnen bij massaontslag gebruikmaken van geld uit het EGF.
In opdracht van het Ministerie van V&J voert het AGSZW met ingang van 2014 de subsidieregelingen van de Europese MigratieFondsen (EMF) uit. Deze fondsen zijn bedoeld om projecten te subsidiëren waarmee migratie- en integratieprocessen binnen de EU worden verbeterd. Net als bij ESF is de uitvoering opgedeeld in programmaperioden en is de verwachte looptijd van deze activiteiten tot 2022. De projecten van de lopende programmaperiode 2007–2013 worden door het AGSZW afgerond. In deze periode worden projectactiviteiten uitgevoerd voor het Europees buitengrenzenfonds (EBF), het Europees integratiefonds (EIF), het Europees terugkeerfonds (ETF) en het Europees vluchtelingenfonds (EVF).
In de nieuwe programmaperiode 2014–2020 bestaan de Europese Migratie- en Veiligheidsfondsen (EMVF) uit het Asiel-, Migratie- en IntegratieFonds (AMIF) en het fonds voor de Interne Veiligheid (ISF).
Daarnaast voert het AGSZW enkele Nationale Regelingen uit:
-
• Regeling cofinanciering sectorplannen (RCSP) voor het Ministerie van SZW. Looptijd: 1 oktober 2013 tot en met 2017. Werkgevers- en werknemersorganisaties krijgen een financiële bijdrage van de overheid als zij gezamenlijk plannen maken om mensen aan het werk te krijgen en te houden. Een betere werking van de arbeidsmarkt, het bieden van werkzekerheid en het voorkomen van werkloosheid staan centraal;
-
• Kinderopvang: Versterking taal- en interactievaardigheden voor het Ministerie van SZW. Looptijd: eind 2014 tot en met 2018. Deze regeling heeft ten doel om de «taal- en interactieve vaardigheden» te verbeteren van gastouders en medewerkers in de kinderopvang;
-
• Regeling Tegemoetkoming Adoptiekosten (RTA) voor het Ministerie van V&J. Vanaf 2015 wordt deze regeling niet meer door het AGSZW uitgevoerd;
-
• Wet Inburgering (WI) voor het Ministerie van SZW: afrondende werkzaamheden.
Waarderingsgrondslagen
Het AGSZW volgt bij de opstelling van de financiële verantwoordingen de waarderingsgrondslagen zoals die zijn opgenomen in de Comptabiliteitswet 2001 en daarmee samenhangende regelingen, waaronder de Regeling Agentschappen 50. Deze regeling geeft aan dat (met enkele uitzonderingen) de jaarrekening moet zijn gebaseerd op titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen van de Jaarverslagleggeving.
De waardering van de activa en passiva is tegen nominale waarden, tenzij anders vermeld.
(1) | (2) | (3) | (4)=(3)-(2) | (5) | |
---|---|---|---|---|---|
Ontwerp begroting 2014 | 1esuppl. begroting 2014 | Realisatie 2014 | Verschil | Realisatie 2013 | |
Baten | |||||
Omzet moederdepartement | 15.020 | 18.877 | 16.883 | – 1.994 | 19.914 |
Omzet overige departementen | 110 | 2.696 | 2.575 | – 121 | 615 |
Rentebaten | – | – | 21 | 21 | 5 |
Vrijval voorzieningen | – | – | 284 | 284 | 117 |
Bijzondere baten | – | – | – | – | – |
Totaal baten | 15.1301 | 21.573 | 19.763 | – 1.810 | 20.651 |
Lasten | |||||
Apparaatskosten | |||||
• personele kosten | 10.5201 | 12.566 | 12.441 | – 125 | 11.077 |
waarvan eigen personeel | 9.7201 | 10.045 | 9.650 | – 395 | 8.469 |
waarvan externe inhuur | 800 | 2.521 | 2.791 | 270 | 2.608 |
• materiële kosten | 4.100 | 7.368 | 6.650 | – 718 | 8.686 |
waarvan apparaat ICT | 800 | 1.578 | 1.508 | – 70 | 1.869 |
waarvan bijdrage aan SSO's | 400 | 1.112 | 963 | – 149 | 989 |
waarvan overige materiële kosten | 2.900 | 4.678 | 4.179 | – 499 | 5.828 |
Afschrijvingskosten | |||||
• immaterieel | 500 | 1.636 | 1.358 | – 278 | 958 |
• materieel | 10 | 3 | 4 | 1 | 16 |
Overige lasten | – | – | – | – | – |
Totaal lasten | 15.1301 | 21.573 | 20.453 | – 1.120 | 20.737 |
Saldo van baten en lasten | – | – | – 690 | – 690 | – 86 |
In kolom 1 van tabel 9.1 is de stand van de ontwerpbegroting 2014 weergegeven. Ten tijde van het opstellen van deze begroting was er nog geen volledig zicht op de in 2014 uit te voeren opdrachten. Op basis van de toen voorhanden zijnde informatie is voor de ontwerpbegroting een globale inschatting gemaakt van de voor 2014 verwachte omzet. Dit verklaart voor een belangrijk deel het verschil tussen de stand van de ontwerpbegroting en de realisatie van 2014.
Kolom 2 van tabel 1 betreft de stand van de 1e suppletoire begroting, waarin de offertes zijn verwerkt die begin 2014 aan de opdrachtgevers zijn verzonden. Deze stand is een betrouwbaardere inschatting van de te verwachten baten en de daarbij behorende uitvoeringslasten dan die uit de ontwerpbegroting. Daarom zijn de realisaties afgezet tegen de stand van de 1e suppletoire begroting. Dit geldt niet voor tabel 9.3; aangezien bij de 1e suppletoire begroting de indicatoren niet zijn herberekend, zijn de indicatoren opgenomen die in de ontwerpbegroting 2014 stonden.
Omzet moederdepartement en overige departementen
Ten opzichte van de 1e suppletoire begroting is de gerealiseerde omzet € 2,1 miljoen lager. De voornaamste verklaringen hiervoor zijn de volgende:
-
• De aanvang van de regeling «Kinderopvang: Versterking taal- en interactievaardigheden» is naar achter verschoven. Hierdoor zijn minder aanvragen in 2014 behandeld dan begroot;
-
• Het aantal in de offerte opgenomen aanvragen ESF (2014–2020) en einddeclaraties ESF-2 (2007–2013) is niet geheel gerealiseerd. De lagere realisatie van de afwikkeling van de einddeclaraties ESF-2 is veroorzaakt door een samenhang van factoren, waaronder een wijziging in het aantal uitbestede einddeclaratiecontroles en de langere doorlooptijden ervan vanwege een aantal complexe projecten;
-
• De in de omzet begrepen uitvoeringskosten die rechtstreeks aan de opdrachtgever worden doorberekend zijn hoger dan begroot. Dit komt doordat er meer controle-activiteiten zijn uitbesteed en er meer voorbereidingskosten voor de regeling RCSP zijn gemaakt;
-
• Voor de regelingen vanuit de EMVF zijn meer activiteiten verricht dan begroot.
Vrijval reorganisatievoorziening
Ultimo 2012 is een reorganisatievoorziening getroffen in het kader van de reorganisatie in 2013. Deze voorziening betreft de geschatte kosten inzake medewerkers die naar ander werk worden begeleid. Per 1 januari 2015 zijn alle herplaatsingskandidaten elders te werk gesteld. De nog resterende kosten tot en met 2018 zijn gering. Hierdoor kon € 0,3 miljoen van de reorganisatievoorziening vrijvallen ten gunste van de baten 2014.
Personele kosten
In 2014 waren gemiddeld 129,8 medewerkers in dienst (vaste medewerkers, contractanten en IF inleen) en is gemiddeld 22,3 fte aan externe medewerkers ingehuurd.De gerealiseerde personele kosten zijn € 0,1 miljoen lager dan begroot. Dit heeft een directe relatie met het achterblijven van de omzet in 2014. Doordat minder activiteiten zijn uitgevoerd dan begroot, zijn de kosten van het ambtelijk personeel € 0,4 miljoen lager dan begroot. De kosten van externe inhuur daarentegen zijn € 0,3 miljoen hoger dan begroot. Dit is met name veroorzaakt door het extern aantrekken van extra controlemedewerkers bij ESF-2 2007–2013 en doordat vacatures langer openstonden dan verwacht.
Materiële kosten
De materiële kosten omvatten huisvestings-, kantoor-, communicatie-, overige personeels-, ICT- en onderzoekskosten. De materiële kosten zijn € 0,7 miljoen lager dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt door:
-
• Lagere overige personeelskosten. Dit wordt veroorzaakt doordat het werkelijk aantal medewerkers in 2014 kleiner was dan begroot en door de invoering van de Mobility Mixx Card;
-
• Lagere automatiseringskosten. Dit komt door het lagere aantal medewerkers en doordat de prijsstijging lager was dan waarmee in de begroting rekening is gehouden;
-
• Meevallers bij de inschatting van nog inzake 2013 te betalen kosten.
Afschrijvingskosten, materieel en immaterieel
De afschrijvingskosten hebben betrekking op investeringen in het ontwikkelen van software en aanschaffingen van hard- en software. In de immateriële afschrijvingskosten zijn begrepen de afschrijvingen op de investeringen in de ontwikkeling van een nieuw case management system (DIANE). De afschrijvingskosten zijn € 0,3 miljoen lager dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt doordat een deel van de voorbereidende werkzaamheden in DIANE voor de nieuw uit te voeren regelingen (ESF 2014–2020 en EMVF 2014–2020) niet in 2014 zijn uitgevoerd, maar zijn doorgeschoven naar 2015.
Saldo van baten en lasten
Eind 2014 resteert een negatief saldo van baten en lasten van € 0,7 miljoen. Dat komt met name doordat de eigenaar na indiening van de ontwerpbegroting besloot om € 0,9 miljoen van het eigen vermogen in te zetten voor het verlagen van de tarieven. Bij de 2e suppletoire begroting is deze tariefsverlaging verwerkt en is op basis van de offertes een verlies van € 0,8 miljoen begroot. Het gerealiseerde verlies is € 0,1 miljoen kleiner. Het verlies wordt in mindering gebracht op het eigen vermogen per 1 januari 2015. Ter dekking van dit verlies is bij de 2esuppletoire begroting een onttrekking uit het eigen vermogen voorzien, maar deze is in 2014 niet als baat opgenomen. In het vervolg zal dat wel gebeuren, zodat de staat van baten en lasten sluitend is.
Balans AGSZW
Balans 2014 | Balans 2013 | |
---|---|---|
Activa | ||
Immateriële vaste activa | 1.024 | 882 |
Materiële vaste activa | ||
• overige materiële vaste activa | 3 | 3 |
Debiteuren | – | 669 |
Nog te ontvangen / vooruit betaald | 865 | 417 |
Liquide middelen | 2.145 | 6.569 |
Totaal activa | 4.037 | 8.540 |
Passiva | ||
Eigen Vermogen | ||
• exploitatiereserve | 1.707 | 1.793 |
• onverdeeld resultaat | – 690 | – 86 |
Voorzieningen | 20 | 410 |
Crediteuren | 372 | 1.121 |
Nog te betalen / vooruit ontvangen | 2.628 | 5.302 |
Totaal passiva | 4.037 | 8.540 |
Liquide middelen
De afname van de liquide middelen in 2014 is te wijten aan het negatief exploitatieresultaat, de investeringen in DIANE en een lager saldo van de nog te betalen kosten ten opzichte van ultimo 2013.
Eigen vermogen
Het eigen vermogen per 1 januari 2015, na verwerking van het onverdeeld resultaat 2014, bedraagt € 1,0 miljoen. Het maximaal toegestane vermogen van AGSZW (5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren) bedraagt eveneens € 1,0 miljoen.
Kengetallen AGSZW in verband met verbetering van de doelmatigheid
Het streven naar grotere doelmatigheid is de hoofddoelstelling van elke baten-lastendienst. Voor het AGSZW betekent dit het streven naar betere prestaties, bij optimaal gebruik van de ingezette middelen.
Realisatie 2011 | Realisatie 2012 | Realisatie 2013 | Realisatie 2014 | Ontwerp-begroting 20141 | |
---|---|---|---|---|---|
Generieke doelmatigheidsindicatoren | |||||
Uurtarieven(1) | |||||
Integraal kostentarief p.uur (voorcalculatorisch) (€) | 89,23 | 87,69 | 89,58 | 90,93 | 91,40 |
Index ten opzichte van 2011 (2011=100) | 100,0 | 98,3 | 100,4 | 101,9 | 102,4 |
Index reëel uurtarief tov 2011 (gecorrigeerd voor inflatie) | 100,0 | 95,9 | 95,6 | 96,1 | 96,6 |
Omzet(2) |
| ||||
Totale omzet in € 1.000 | 25.379 | 22.632 | 20.529 | 19.458 | 21.573 |
Omzet Europese: nationale regelingen | 87:13 | 94:6 | 92:8 | 86:14 | 86:14 |
Omzet producten-: urenregelingen | 89:11 | 87:13 | 79:21 | 54:46 | 52:48 |
fte-totaal | 158,5 | 148,8 | 133,1 | 152,0 | 165,6 |
Omzet per fte (€) (3) | 160.140 | 152.127 | 154.284 | 127.979 | 130.290 |
Productiviteit: | |||||
Declarabiliteit (gedeclareerde/beschikbare uren)(%) | 71,2 | 71,7 | 70,9 | 70,4 | 73,0 |
Ziekteverzuim (totaal incl.langdurig) (%) | 4,5 | 1,9 | 3,8 | 3,2 | 2,5 |
Klanttevredenheid: algemeen oordeel enquête | nb | 6,8 | nb | nb | 7,2 |
Beroepsprocedures: | |||||
% bezwaarprocedures geheel gegrond (4) | 14 | 54 | 32 | 28 | 5 |
% bezwaarprocedures deels gegrond | 5 | 2 | 3 | 7 | 15 |
% beschikkingen die leiden tot beroepsprocedure | – | – | 0,3 | 1,5 | 0,5 |
% beroepsprocedures geheel of deels gegrond | 38 | 20 | 11 | 13 | 20 |
Tijdigheid beschikken en betalen: | |||||
% tijdige beschikkingen (5) | 93 | 92 | 89 | 82 | 99 |
Aantal dwangsommen betaald | 0 | 0 | 2 | 0 | 0 |
Bedrag dwangsommen betaald (€) | 0 | 0 | 2.500 | 0 | 0 |
% tijdige betalingen | 98 | 99 | 99 | 98 | 99 |
Aantal malen wettelijke rente betaald (6) | 10 | 19 | 52 | 18 | 0 |
Bedrag wettelijke rente betaald (€) (6) | 278 | 3.928 | 13.835 | 152.563 | 0 |
Bedrag wettelijke rente teruggevorderd (€) | 1.176 | 393 | 60.178 | 28.397 | 0 |
Specifieke indicatoren | |||||
Kosten subsidieproces in % vd subsidie/kosten per project (gemiddelde van de regelingen) (7) | |||||
– Europese subsidieregelingen | – | – | 1,8 | 1,5 | 1,3 |
– Nationale subsidieregelingen | |||||
– RUS-variant 1a: One Touch (direct vaststellen) | – | – | 14,1 | 11,3 | 13,1 |
– RUS-variant 1b: One Touch (ambtshalve vaststellen) | – | – | nb | nb | nb |
– RUS-variant 3: Presteren en inzicht in kosten | – | – | nb | 0,1 | 0,1 |
In de begroting 2015 is een nieuwe, meer beperkte set indicatoren geïntroduceerd. Dit is het uitgangspunt voor tabel 9.3. Voor de vergelijkbaarheid met de begroting van 2014 zijn enkele indicatoren die in de begroting 2015 niet meer voorkomen toegevoegd aan de set indicatoren die vanaf 2015 wordt gepresenteerd.
De indicatoren in de begroting 2014 voor telefonische bereikbaarheid zijn niet in tabel 9.3 opgenomen. De laatste keer dat een bereikbaarheidsonderzoek is gedaan, was in 2009.
Opmerkingen naar aanleiding van de doelmatigheidsindicatoren:
(1) De voorcalculatorische uurtarieven zijn integrale kostprijzen (alle kosten / facturabele uren). In de berekening van de reële indexcijfers van de uurtarieven is het effect van de jaarlijkse prijsstijgingen (CPI-totaal) geëlimineerd.
(2) Er wordt vanaf 2014 geen onderscheid meer gemaakt tussen de opbrengst van verrichte activiteiten en doorberekende out-of-pocket-kosten (OOP). De omzetindicatoren van vorige jaren zijn hiervoor aangepast.
(3) De daling van de omzet per fte is grotendeels te wijten aan de daling van de doorberekende out-of-pocket-kosten. De omvang van deze baten hebben nauwelijks een relatie met het aantal fte’s personeel. In 2014 zijn de OOP-baten aanzienlijk lager dan voorgaande jaren, hierdoor neemt ook de omzet per fte af.
(4) De verklaring voor het hoge percentage gegrond verklaringen bij bezwaarprocedures is dat de aanvrager nog aanvullende informatie kan aandragen. Van deze mogelijkheid hebben met name aanvragers van Actie E ESF-2 2007–2013 en van Regeling Tegemoetkoming Adoptiekosten gebruik gemaakt.
(5) De tijdigheid van beschikkingen blijft met 82% achter bij de ambitie. Met name bij de vaststellingsbeschikkingen van de regeling ESF-2 2007–2013 (complexe projecten blijven over) en de verleningsbeschikkingen van Sectorplannen (grote, complexe projecten) blijkt het moeilijk om tijdig te beschikken. In het jaarplan 2015 van het AGSZW is het één van de prioriteiten om de doorlooptijd van de beschikkingen te verbeteren.
(6) In 2014 hebben in een aantal gevallen betalingen naar aanleiding van uitspraken in bezwaar- of beroepsprocedures niet tijdig plaatsgevonden. Dit betrof grote nabetalingen en aanzienlijke termijnoverschrijdingen. Hierdoor is de wettelijke rente die op eigen initiatief aan de subsidie-aanvrager is betaald in 2014 hoger dan voorgaande jaren. Inmiddels zijn maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat dergelijke incidenten niet meer voorkomen.
(7) De uitvoeringskosten in verhouding tot de gemiddelde projectomvang, wordt vanwege de grote verschillen in de uitvoering afzonderlijk berekend voor Europese en Nationale subsidieregelingen. De niet aan afzonderlijke projecten toe te rekenen activiteiten en out-of-pocket-kosten worden in deze berekening niet meegenomen. Deze berekeningswijze is met ingang van de begroting van 2015 geïntroduceerd.
(8) De vergelijkende cijfers van de realisatie 2013 en de begroting 2014 zijn op basis van deze nieuwe wijze berekend.