Artikel
Algemene doelstelling
Het stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.
Rol en verantwoordelijkheid
De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.
Financieren: De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.
Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.
Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder ook het accreditatiestelsel.
Indicatoren/kengetallen
Doelstelling/indicator | Basiswaarde (jaartal) | Tussenwaarde (jaartal) | Streefwaarde (jaartal) | Bron | ||
---|---|---|---|---|---|---|
1 | Ambitieus onderwijs dat alle leerlingen en studenten uitdaagt | |||||
a) | Alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd | |||||
• | Percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs | 2011 | 20151 | Studentenmonitor Hoger Onderwijs | ||
hbo: 59% | hbo: 54% | hoger | ||||
wo: 69% | wo: 66% | hoger | ||||
b) | Vergroten studiesucces | |||||
• | Bachelor studiesucces (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar | 2011 | 2015 | DUO | ||
hbo: 65,7% | hbo: 60,5% | |||||
wo: 60,9% | wo: 72,8% | |||||
• | Uitval in het eerste jaar | 2011 | 2015 | DUO | ||
hbo: 27,9% | hbo: 27,8% | |||||
wo: 18,8% | wo: 15,9% | |||||
• | Switchen na het eerste jaar | 2011 | 2015 | DUO | ||
hbo: 9,0% | hbo: 8,5% | |||||
wo: 9,1% | wo: 8,5% | |||||
2 | Scholen en instellingen werken met goed opgeleide en professionele leraren en schoolleiders die samen zorgen voor een veilig en ambitieus leerklimaat | |||||
a) | Vergroten kwaliteit leraren en schoolleiders | 2011 | 2013 | 2016 | ||
• | Aandeel hbo-docenten met een afgeronde master- of PhD-opleiding | 66,2% | 72,2%3 | 80% | POMO | |
3 | Scholen en instellingen maken resultaten inzichtelijk en worden aangesproken op hun prestaties | |||||
• | Studenten-tevredenheid | 2011 | 2015 | Nationale Studenten Enquête (NSE) | ||
hbo: 65,6% | hbo: 73,3% | |||||
wo: 80,1% | wo: 83,9% | |||||
4 | Aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verbeteren | |||||
• | Aandeel afgestudeerden bètatechniek incl. snijvlakopleidingen | 2012 | 2015 | 2016 | DUO | |
hbo: 18% | hbo: 18% | hbo: 19% | ||||
wo: 21% | wo: 23% | wo: 22% | ||||
• | Percentage 25–64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven Lang Leren) | 16,6% (2010) | 17,8% (2014) | 20% (2020) | EUROSTAT, Labour Force Survey (LFS) | |
• | Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt | hbo5: 72% (2013) | hbo5: 72% (2015) | hoger | Hbo-monitor 2015 | |
wo6: 56% (2011) | wo6: 47% (2015) | hoger | Nationale Alumni Enquête (NAE) 2015 |
Universiteiten en hogescholen hebben al veel gedaan om het onderwijs uitdagender te maken, maar uit de cijfers blijkt dat dit nog niet voldoende is. Mede om deze reden worden de middelen vanuit het studievoorschot ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs een extra impuls te geven, en daarmee het onderwijs uitdagender te maken.
Hier geen landelijk streefdoel omdat er prestatieafspraken per instelling zijn gemaakt. Zie verder de brief van 11 mei 2016 over de voortgang van het proces van profilering en kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs en onderzoek.
Het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (PoMo) wordt tweejaarlijks uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het coördinerend ministerie voor de arbeidszaken (arbeidsvoorwaarden, pensioenen, personeelsbeleid) van de overheid als geheel. Het onderzoek wordt gehouden onder zittend personeel en medewerkers die recent zijn in- en uitgestroomd. De resultaten worden verwerkt tot rapportages, themapublicaties en infographics die in de tweede helft van 2016 te vinden zijn op www.kennisopenbaarbestuur.nl.
Hier geen landelijk streefdoel omdat niet met alle instellingen over deze indicator prestatieafspraken zijn gemaakt en bovendien deze afspraken per instelling zijn gemaakt.
Bron: Vereniging Hogescholen, factsheet «Feiten en cijfers: HBO-Monitor 2015». De indicator betreft de antwoord categorieën «voldoende/goede aansluiting op de arbeidsmarkt». De HBO-Monitor wordt jaarlijks uitgevoerd.
Bron: VSNU, Nationale Alumni Enquête (NAE, voorheen wo-monitor) 2015, rapport Academici op de arbeidsmarkt. De indicator betreft de antwoord categorieën «in sterke/zeer sterke mate». De NAE wordt eenmaal in de twee jaar uitgevoerd.
1. | Ingeschreven studenten (exclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000) | ||||||||
2015/16 | 2016/17 | 2017/18 | 2018/19 | 2019/20 | 2020/21 | 2021/22 | |||
• | hbo voltijd bachelor | 382,7 | 381,8 | 382,4 | 381,6 | 381,9 | 382,5 | 382,3 | |
• | hbo voltijd master | 3,2 | 3,2 | 3,2 | 3,3 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | |
• | hbo deeltijd bachelor | 36,3 | 34,5 | 33,1 | 31,9 | 30,7 | 29,4 | 28,0 | |
• | hbo deeltijd master | 8,8 | 8,7 | 8,6 | 8,5 | 8,3 | 8,1 | 7,8 | |
Totaal hbo | 431,0 | 428,2 | 427,4 | 425,4 | 424,4 | 423,5 | 421,7 | ||
• | wo voltijd bachelor | 153,7 | 152,6 | 153,4 | 155,4 | 158,4 | 161,6 | 164,8 | |
• | wo voltijd master | 90,7 | 92,1 | 93,2 | 93,7 | 94,1 | 95,1 | 96,8 | |
• | wo deeltijd bachelor | 1,8 | 1,5 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,2 | 1,1 | |
• | wo deeltijd master | 3,4 | 3,2 | 2,9 | 2,8 | 2,7 | 2,6 | 2,4 | |
Totaal wo | 249,7 | 249,4 | 250,9 | 253,2 | 256,4 | 260,4 | 265,1 | ||
Bron: Referentieraming 2016 | |||||||||
2. | Gediplomeerden (exclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000) | ||||||||
2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | |||
• | hbo voltijd bachelor | 55,6 | 55,4 | 55,6 | 55,1 | 53,6 | 53,6 | 54,0 | |
• | hbo voltijd master | 1,3 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | |
• | hbo deeltijd bachelor | 6,7 | 6,3 | 5,9 | 5,6 | 5,4 | 5,3 | 5,1 | |
• | hbo deeltijd master | 2,2 | 2,2 | 2,2 | 2,2 | 2,1 | 2,1 | 2,1 | |
Totaal hbo | 65,9 | 65,0 | 64,8 | 64,0 | 62,3 | 62,1 | 62,4 | ||
• | wo voltijd bachelor | 32,6 | 32,3 | 32,1 | 31,5 | 31,5 | 31,9 | 32,4 | |
• | wo voltijd master | 36,4 | 36,4 | 36,7 | 37,1 | 37,2 | 37,2 | 37,3 | |
• | wo deeltijd bachelor | 0,3 | 0,3 | 0,3 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | |
• | wo deeltijd master | 1,2 | 0,9 | 0,9 | 0,8 | 0,8 | 0,8 | 0,7 | |
Totaal wo | 70,5 | 70,0 | 69,9 | 69,7 | 69,7 | 70,1 | 70,7 | ||
Bron: Referentieraming 2016 | |||||||||
3. | Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000) | ||||||||
2017 | 2018 | 2019 | 2020 | ||||||
• | hbo | 6,8 | 7,0 | 7,0 | 7,1 | ||||
• | wo | 6,8 | 7,0 | 6,9 | 7,0 | ||||
4. | Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1) | ||||||||
2016/17 | |||||||||
1.984 |
Toelichting:
-
1. De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen, zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2016 (overeenkomstig tabel 6.2, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging 2018 en verder ten opzichte van 2017 wordt verklaard door de middelen studievoorschot die vanaf 2018 aan de begroting zijn toegevoegd.
Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in het Onderwijsverslag 2014–2015 en in Trends in Beeld.
Beleidswijzigingen
De implementatie van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten», de activiteiten in het kader van gelijke kansen, de verbetering van de aansluiting vo/mbo en hoger onderwijs, de versterking van de (regionale) samenwerking, het experiment «flexstuderen», en de ontwikkelingen in het kader van de pilots flexibilisering en het experiment vraagfinanciering in het deeltijd en duale hoger onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda. Aanvullend hierop wordt hieronder nog op een aantal specifieke beleidswijzigingen ingegaan.
Doorontwikkeling van het accreditatiestelsel
Het huidige accreditatiestelsel zal worden doorontwikkeld richting een stelsel dat meer uitgaat van vertrouwen in de professional en een beter evenwicht biedt tussen lasten en baten. De ambitie is een accreditatiestelsel waarbij de docent zich meer eigenaar van het proces voelt, en dat ook is, met daarbij een grotere rol voor de student. Om dat te bereiken, zijn er twee sporen aangekondigd: spoor 1 betreft de optimalisering van het accreditatiestelsel en spoor 2 verwijst naar de pilot instellingsaccreditatie. Het wetsvoorstel Accreditatie op maat (spoor 1) zal naar verwachting in het voorjaar van 2017 worden aangeboden aan de Tweede Kamer. In overleg met de Tweede Kamer is besloten tot een pilot instellingsaccreditatie met lichte opleidingsaccreditatie, waarbij instellingen de kans krijgen om te experimenteren met een nieuwe vorm van accreditatie.
Afschaffing centrale loting
De centrale loting voor numerusfixusopleidingen wordt vanaf het studiejaar 2017–2018 afgeschaft. In plaats daarvan gaan de onderwijsinstellingen studenten selecteren die een numerusfixusopleiding willen volgen. Zo wordt de kans groter dat de juiste student op de juiste plek komt. Bij de nieuwe, decentrale selectie wordt er ook gekeken naar eerdere onderwijsprestaties, persoonlijkheidskenmerken en motivatie van de aspirant-student. Bij de centrale loting golden alleen de eindexamencijfers als criterium.
Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit
2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | |||
---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | 2.874.883 | 2.853.777 | 2.889.725 | 2.875.574 | 2.868.792 | 2.987.959 | 2.988.722 | ||
Waarvan garantieverplichtingen | 25.983 | 16.500 | |||||||
Totale uitgaven | 2.811.099 | 2.837.779 | 2.814.350 | 2.896.317 | 2.877.950 | 2.899.978 | 2.988.722 | ||
Waarvan juridisch verplicht (%) | 99,99% | ||||||||
Bekostiging | 2.756.130 | 2.778.470 | 2.760.969 | 2.839.251 | 2.824.018 | 2.845.232 | 2.933.974 | ||
• | Hoofdbekostiging | 2.578.000 | 2.588.802 | 2.563.639 | 2.633.857 | 2.610.650 | 2.626.560 | 2.715.302 | |
– | Onderwijsdeel hbo1 | 2.507.785 | 2.508.004 | 2.478.219 | 2.546.221 | 2.520.708 | 2.538.718 | 2.634.560 | |
– | Deel ontwerp en ontwikkeling | 70.046 | 71.018 | 70.806 | 70.806 | 70.812 | 70.812 | 70.812 | |
– | Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (Leven Lang Leren) | 8.296 | 13.130 | 16.830 | 19.130 | 17.030 | 9.930 | ||
– | Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo | 169 | 1.484 | 1.484 | |||||
• | Prestatiebox | 178.130 | 189.668 | 197.330 | 205.394 | 213.368 | 218.672 | 218.672 | |
– | Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering | 178.130 | 189.668 | 197.330 | 205.394 | 213.368 | 218.672 | 218.672 | |
Subsidies | 3.798 | 5.596 | 2.302 | 379 | 153 | 153 | 153 | ||
– | Regeling stimulering Bèta/techniek | 2.758 | 4.289 | 1.601 | |||||
– | Overig | 1.040 | 1.307 | 701 | 379 | 153 | 153 | 153 | |
Opdrachten | 271 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
– | Uitbesteding2 | 271 | |||||||
Bijdragen aan agentschappen | 17.613 | 17.471 | 14.027 | 13.552 | 13.542 | 13.537 | 13.539 | ||
– | Dienst Uitvoering Onderwijs | 17.613 | 17.471 | 14.027 | 13.552 | 13.542 | 13.537 | 13.539 | |
Bijdragen aan ZBO's/RWT's | 31.096 | 36.242 | 37.052 | 43.135 | 40.237 | 41.056 | 41.056 | ||
– | NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo | 28.696 | 29.477 | 28.134 | 31.134 | 28.134 | 28.134 | 28.134 | |
– | NWO: Promotiebeurs voor leraren | 2.400 | 2.949 | 5.630 | 8.833 | 8.935 | 9.754 | 9.754 | |
– | Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)3 | 3.816 | 3.288 | 3.168 | 3.168 | 3.168 | 3.168 | ||
Bijdragen aan (inter)nationale organisaties | 2.191 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
– | Stichting Studiekeuze 1234 | 2.191 | |||||||
Ontvangsten | 1.288 | 1.476 | 1.213 | 1.213 | 1.213 | 1.213 | 1.213 |
2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | |||
---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | 4.235.203 | 4.487.771 | 4.337.701 | 4.344.584 | 4.355.278 | 4.453.326 | 4.470.324 | ||
Waarvan garantieverplichtingen | |||||||||
Totale uitgaven | 4.210.383 | 4.335.130 | 4.310.149 | 4.338.709 | 4.344.420 | 4.383.977 | 4.471.444 | ||
Waarvan juridisch verplicht (%) | 99,95% | ||||||||
Bekostiging | 4.178.621 | 4.304.979 | 4.283.282 | 4.311.598 | 4.317.387 | 4.356.930 | 4.444.569 | ||
• | Hoofdbekostiging | 4.042.961 | 4.159.796 | 4.131.237 | 4.152.419 | 4.151.187 | 4.186.057 | 4.273.696 | |
– | Onderwijsdeel wo1 | 1.675.277 | 1.732.842 | 1.711.404 | 1.747.381 | 1.744.543 | 1.777.761 | 1.863.861 | |
– | Onderzoeksdeel wo | 1.750.117 | 1.772.372 | 1.762.280 | 1.761.836 | 1.761.937 | 1.761.935 | 1.761.935 | |
– | Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek | 617.567 | 654.582 | 657.553 | 643.202 | 644.707 | 646.361 | 647.900 | |
– | Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (Leven Lang Leren) | ||||||||
• | Prestatiebox | 135.660 | 145.183 | 152.045 | 159.179 | 166.200 | 170.873 | 170.873 | |
– | Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering | 135.660 | 145.183 | 152.045 | 159.179 | 166.200 | 170.873 | 170.873 | |
Subsidies | 4.709 | 3.071 | 2.954 | 3.166 | 3.288 | 3.288 | 3.288 | ||
– | Subsidieregeling Sirius programma | 1.726 | |||||||
– | Subsidieregeling Libertas Noodfonds | 265 | |||||||
– | Open en online onderwijs | 860 | 1.000 | 1.000 | 1.000 | 1.000 | 1.000 | 1.000 | |
– | Overig | 1.858 | 2.071 | 1.954 | 2.166 | 2.288 | 2.288 | 2.288 | |
Opdrachten | 1.374 | 2.711 | 1.803 | 1.835 | 1.635 | 1.649 | 1.477 | ||
– | Uitbesteding2 | 1.374 | 2.711 | 1.803 | 1.835 | 1.635 | 1.649 | 1.477 | |
Bijdragen aan ZBO's/RWT's | 4.032 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
– | Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)3 | 4.032 | |||||||
Bijdragen aan (inter)nationale organisaties | 21.647 | 24.369 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | ||
– | Organisaties conform tabel 6.64 | 21.647 | 24.369 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | |
Ontvangsten | 592 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 |
Budgetflexibiliteit artikel 6
Van het totale budget voor artikel 6 is voor 2017 99,99 procent juridisch verplicht.
Bekostiging: Het beschikbare budget voor 2017 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs, ontwerp en ontwikkeling en prestatiebekostiging. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van postinitiële masteropleidingen hbo en die voor flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.
Subsidies: Het beschikbare budget voor 2017 is voor 92,2 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft met name de verplichtingen die voortvloeien uit de Regeling stimulering Bèta/techniek en verplichtingen in het kader van de uitvoering van de Lerarenagenda.
Bijdrage aan agentschappen: Het budget voor 2017 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.
Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s: Het budget voor 2017 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan NWO voor praktijkgericht onderzoek hbo en de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de NVAO. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.
Budgetflexibiliteit artikel 7
Van het totale budget voor artikel 7 is voor 2017 99,95 procent juridisch verplicht.
Bekostiging: Het beschikbare budget voor 2017 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs, onderzoek en prestatiebekostiging. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
Subsidies: Van het beschikbare budget is in 2017 64,7 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs en de afstudeerregeling.
Opdrachten: Van het beschikbare budget is voor 2017 28,1 procent juridisch verplicht op grond van in 2016 of eerder gesloten overeenkomsten. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht om de beleidsprioriteiten van het kabinet verder te ondersteunen.
Bijdrage aan (inter)nationale organisaties: Het budget voor 2017 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan United Nations University (UNU), Europees Universitair Instituut Florence (EUI), Stichting EP-Nuffic, Stichting Handicap en Studie, Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO), Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en Stichting Studiekeuze123. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.
Bekostiging
Toelichting op de financiële instrumenten
De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bestaat uit de hoofdbekostiging en de middelen voor onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering (prestatiebox). De postinitiële masteropleidingen hbo, het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen worden afzonderlijk bekostigd.
Hoofdbekostiging
Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp en ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.
Onderwijsdeel (hbo en wo)
Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:
-
a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),
-
b. een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en
-
c. een onderwijsopslag in percentages.
De opbrengsten van het studievoorschot die beschikbaar komen vanaf 2018, zijn met ingang van deze begroting structureel toegevoegd aan de beleidsartikelen hbo en wo. Tabel 6.5 geeft inzicht in de omvang van de middelen, verdeeld over de belangrijkste «bestedingsrichtingen» c.q. doelstellingen van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten». De middelen, inclusief die bestemd voor het groen hoger onderwijs, zijn opgenomen onder het onderwijsdeel van de bekostiging (in tabel 6.3 en 6.4). Vooruitlopend op de investeringen die met deze middelen mogelijk zijn is voor de jaren 2015 tot en met 2017 afgesproken met de universiteiten en hogescholen dat zij zelf jaarlijks een voorinvestering doen van in totaal € 200 miljoen.
2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | ||
---|---|---|---|---|---|---|
Investeringen in het hoger beroepsonderwijs | ||||||
– | Kleinschalig en intensief onderwijs (≥50%) | 62 | 62 | 75 | 130 | |
– | Talentprogramma's (≤10%) | 12 | 12 | 12 | 19 | |
– | Onderwijsgerelateerd onderzoek (20%) | 25 | 25 | 29 | 50 | |
– | Studiefaciliteiten en digitalisering (10%) | 12 | 12 | 15 | 25 | |
– | Specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10%) | 12 | 12 | 15 | 25 | |
– | Middelen vouchers studenten1 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Totaal hbo2 | 0 | 124 | 124 | 146 | 248 | |
Investeringen in het wetenschappelijk onderwijs | ||||||
– | Kleinschalig en intensief onderwijs (≥50%) | 38 | 38 | 46 | 80 | |
– | Talentprogramma's (≤10%) | 8 | 8 | 8 | 11 | |
– | Onderwijsgerelateerd onderzoek (20%) | 15 | 15 | 18 | 30 | |
– | Studiefaciliteiten en digitalisering (10%) | 8 | 8 | 9 | 15 | |
– | Specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10%) | 8 | 8 | 9 | 15 | |
– | Middelen vouchers studenten1 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Totaal wo2 | 0 | 76 | 76 | 90 | 152 | |
Totaal investeringen uit studievoorschot | 0 | 200 | 200 | 236 | 400 |
Bron: Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015–2025 «De waarde(n) van weten»
Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo)
Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:
-
a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,
-
b. een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten,
-
c. een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht, en
-
d. een voorziening onderzoek in percentages.
In de Wetenschapsvisie 2025: keuzes voor de toekomst zijn de volgende twee maatregelen aangekondigd ten aanzien van het onderzoeksdeel wo;
-
– de invloed van de promotieparameter wordt gemaximeerd op 20 procent en;
-
– het werken met driejarige gemiddelden.
Beide maatregelen zullen inwerkingtreden vanaf het bekostigingsjaar 2017.
Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)
De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).
Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo en wo)
De middelen worden ingezet voor de bekostiging van het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering. Doel van het experiment vraagfinanciering is om kennis op te doen over de effecten van vraagfinanciering in de vorm van vouchers, in combinatie met meer mogelijkheden voor flexibiliteit op de vraaggerichtheid van het aanbod deeltijd hoger onderwijs, de deelname van volwassenen daaraan en de aantallen gediplomeerden. Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. De eerste lichting studenten is van start gegaan in 2016. De evaluatie van zowel de pilots als het experiment vindt in 2021 plaats; het experiment vraagfinanciering kent daarnaast een tussenevaluatie eind 2018.
Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo
De middelen zijn beschikbaar voor de afwikkeling van de tijdelijke financiering van (eerder goedgekeurde) arbeidsmarktrelevante hbo-masters in prioritaire gebieden.
Prestatiebox: Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering (hbo en wo)
Voor de periode 2013 tot en met 2016 ontvingen hogescholen en universiteiten prestatiebekostiging op basis van individuele prestatieafspraken over versterking van onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. Bij het niet behalen van de overeengekomen prestaties op zeven indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces in 2015, kan de instelling in de periode 2017–2020 (deels) gekort worden op het budget voor onderwijskwaliteit en studiesucces. In het najaar van 2016 vindt de eindbeoordeling van de realisatie van de prestatieafspraken plaats. Begin 2017 zal een onafhankelijke evaluatiecommissie rapporteren over de evaluatie van het experiment met de prestatieafspraken en prestatiebekostiging. Uiterlijk 15 november 2016 wordt besloten over de financiële consequenties voor 2017 die verbonden zijn aan de realisatie van de prestatieafspraken. De wijze waarop in de periode 2018 t/m 2020 financiële consequenties worden verbonden aan de realisatie van de prestatieafspraken wordt mede gebaseerd op de evaluatie van de prestatieafspraken, die in het voorjaar van 2017 beschikbaar komt.
Subsidies
Subsidieregeling stimulering Bèta/techniek (hbo)
Hiermee wordt de ontwikkeling van drie Centres of Expertise (CoE’s) hbo gefinancierd. De CoE’s, die met cofinanciering van bedrijven en instellingen tot stand komen, zijn gericht op toponderwijs, toponderzoek en innovaties. Uitgangspunt hierbij is 25 procent financiering uit het werkveld, 25 procent van onderwijsinstellingen en 50 procent profileringsbekostiging. De middelen worden via het Platform Bèta Techniek beschikbaar gesteld aan de CoE’s.
Open en online hoger onderwijs (hbo en wo)
De stimuleringsregeling Open en online hoger onderwijs is bedoeld om (zoals aangekondigd in de visiebrief) instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Dit draagt bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijs(materiaal) voor bijvoorbeeld de doelgroep Leven Lang Leren, het studiesucces van studenten, internationalisering en de (internationale) reputatie van Nederlandse instellingen. SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de instellingen tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2015 in de eerste tranche elf projecten gestart en in 2016 twaalf projecten. De projecten kennen een looptijd van maximaal 16 maanden. Deze instellingen hebben maximaal € 100.000 aangevraagd en matchen dit zelf met ten minste hetzelfde bedrag. In 2017 zal de derde tranche projecten van start gaan, hierover wordt vóór 1 mei 2017 besloten. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over open en online onderwijs in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.
Overig (hbo en wo)
Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling, alsmede om toekenningen die gedurende de uitvoeringsjaren op ad hoc basis worden toegekend.
Opdrachten
Uitbesteding (hbo en wo)
Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek.
Bijdrage aan agentschappen
Dienst Uitvoering Onderwijs
De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor deze begrotingsartikelen.
Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s
NWO
Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO; het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2014 wordt vanuit het Regeerakkoord Rutte II extra geïnvesteerd in het praktijkgericht onderzoek:
-
– in 2014 is de eerste tranche van structureel € 3 miljoen beschikbaar gekomen;
-
– in 2015 de tweede tranche van structureel € 7 miljoen;
-
– en vanaf 2018 is er een oploop van structureel € 3 miljoen, waarvan nu het bedrag van 2018 aan beleidsartikel 6 is toegevoegd.
Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.
Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)
De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid en geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken.
Bijdrage aan (inter)nationale organisaties
Organisaties conform tabel 6.6
Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.
2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | |
---|---|---|---|---|---|
United Nations University (UNU) | 914 | 914 | 914 | 914 | 914 |
Europees Universitair Instituut Florence (EUI) | 1.613 | 1.673 | 1.673 | 1.673 | 1.673 |
Stichting EP-Nuffic | 13.972 | 13.972 | 13.972 | 13.972 | 13.972 |
Stichting Handicap en Studie | 476 | 476 | 476 | 476 | 476 |
Stichting voor Vluchteling Studenten UAF | 2.350 | 2.350 | 2.350 | 2.350 | 2.350 |
Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) | 298 | 238 | 238 | 238 | 238 |
Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) | 238 | 238 | 238 | 238 | 238 |
Stichting Studiekeuze123 (SKI123) | 2.249 | 2.249 | 2.249 | 2.249 | 2.249 |
Totaal | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 | 22.110 |
In deze tabel zijn de organisaties vermeld en de bedragen waarop de bijdragen ten hoogste kunnen worden vastgesteld. Voor zover geen andere juridische grondslag van toepassing is, vormt deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht voor de subsidieverlening aan deze subsidieontvangers.
Ontvangsten
Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.
Artikel