Base description which applies to whole site

XII Infrastructuur en Waterstaat

1 GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Verdeling geraamde uitgaven IenW 2021 (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 16.476,9 miljoen

Figuur 2 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 1.177,4 miljoen

Figuur 3 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 19,6 miljoen

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2021 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

Vanwege de spoedeisende maatregelen zijn er vier incidentele suppletoire begrotingen naar de Tweede Kamer verzonden. Het betreft achtereenvolgens de lening aan Winair (op 15 januari), de verlenging beschikbaarheidsvergoeding OV t/m Q3 2021 (op 2 maart), de tegemoetkoming vuurwerkbranche (op 29 maart) en de verlenging beschikbaarheidsvergoeding OV t/m Q4 2021 (op 12 april). De behandeling in de Tweede Kamer heeft nog niet plaatsgevonden. Om deze reden is de in de begrotingsstaat opgenomen stand nog niet door de beide Kamers bekrachtigd. Vanwege de snelle opeenvolging van begrotingswetsvoorstellen, om het budgetrecht van de Staten Generaal te waarborgen, bevat de kolom ‘vastgestelde begroting’ zowel de vastgestelde stand bij ontwerpbegroting als de mutaties die bij incidentele suppletoire begroting zijn opgenomen.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2021 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,B.Visser

A ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2021 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • 2. de begrotingsstaten inzaken de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,M. G. J.Harbers

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,C. van Nieuwenhuizen-Wijbenga

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN (SLOTVERSCHILLEN)

1 Leeswijzer

Algemeen

De opzet en structuur van de onderliggende suppletoire begroting voor Hoofdstuk XII is gebaseerd op de Rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën.

Naar aanleiding van de aanbevelingen van het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven (BOR) (Kamerstukken II, 2014–2015, 31 865, nr. 66) zijn in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2021 de onderstaande uniforme ondergrenzen opgenomen, welke worden gehanteerd bij het toelichten van de budgettaire gevolgen van beleid. De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan onderstaande tabel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht. Dit houdt in dat financiële instrumenten, waarbij het verschil kleiner is dan de aangegeven norm niet worden toegelicht (tenzij deze beleidsmatig toch relevant zijn).

De ondergrens van < 1 miljoen euro geldt niet voor subsidies die < 1 miljoen euro en waarbij de begrotingswet -als wettelijke grondslag voor het betreffend subsidiebedrag gaat gelden op basis van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb. In die gevallen worden de afzonderlijke subsidiebedragen in de toelichting van het betreffend begrotingsartikel en optioneel in de tabel vermeld.

Tabel 1 Ondergrenzen conform RBV

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Opbouw

Dit wetsvoorstel kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd. Dit wetsvoorstel is als volgt opgebouwd:

  • 1. In de begroting(wet)staat zijn de wijzigingen op de begrotingsstaat van het jaar 2021 voor de begroting van Infrastructuur en Waterstaat (XII) opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de mutaties die op artikelniveau in de verplichtingen, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld bij deze Eerste suppletoire begroting.

  • 2. In het overzicht in paragraaf 2.1 zijn de belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties opgenomen die leiden tot wijziging van de begroting 2021 (Kamerstukken II, 2020–2021, 35 570 XII, nr 1). Deze worden in deze paragraaf financieel en inhoudelijk toegelicht. Hiermee wordt de begroting op hoofdlijnen beschreven van dit wetsvoorstel.

  • 3. In de artikelgewijze toelichting (paragraaf 3 beleidsartikelen en paragraaf 4 niet-beleidsartikelen) wordt inzicht gegeven in de mutaties op artikelonderdeelniveau die zijn opgenomen in de begrotingsstaat.

  • 4. In de paragraaf agentschappen (zie paragraaf 5) staan de aanpassingen in de exploitatie- en kasstroomoverzichten van de agentschappen

Extracomptabele tabel met overzicht coronamaatregelen

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van corona-gerelateerde uitgaven die door IenW zijn genomen.

Tabel 2 Extracomptabele tabel coronamaatregelen (bedragen x € 1.000)

Artikelnummer

Naam maatregel/regeling

Bedrag verplichtingen 2021

Bedrag uitgaven 2021

Bedrag ontvangsten 2021

Relevante Kamerstukken

14

CBR

28.500

28.500

0

29398, nr. 858

16

Beschikbaarheidsvergoeding

1.110.000

1.110.000

0

35748, nr. 1

16

Beschikbaarheidsvergoeding

370.000

370.000

0

35804, nr. 1

17

Winair

 

1.000

0

35705, nr. 1

19+22

Vuurwerkbranche

27.500

27.500

0

35781, nr. 1

1 Leeswijzer

Algemeen

De opzet en structuur van de onderliggende begroting voor Hoofdstuk XII is gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. In de Rijksbegrotingsvoorschriften 2021 zijn onderstaande uniforme ondergrenzen opgenomen, welke worden gehanteerd bij het toelichten van begrotingsmutaties op het niveau van artikelonderdeel.

Tabel 1 Ondergrenzen conform RBV

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Opbouw

Dit wetsvoorstel kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag- en behoefte verder kan worden ingezoomd. Deze verdiepingsslag is als volgt opgebouwd:

1. In de begroting(wet)staat zijn de wijzigingen op de begrotingsstaat van het jaar 2021 voor de begroting van Infrastructuur en Waterstaat (XII) opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de mutaties die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld bij deze Tweede suppletoire begroting.

2. In het overzicht in paragraaf 2.1 zijn de belangrijkste uitgavenmutaties opgenomen, die op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting 2021 (Kamerstukken II 2020-2021, 35 850 XII, nr 1). Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

3. In de artikelsgewijze toelichting (paragraaf 3 beleidsartikelen en paragraaf 4 niet-beleidsartikelen) zijn in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid de mutaties in de Tweede suppletoire begroting 2021 uitgesplitst in miljoenennota- en najaarsnotamutaties. De miljoenennotamutaties zijn reeds in de aan uw Kamer voorgelegde Ontwerpbegroting 2022 (Kamerstukken II 2021-2022, 35 925 XII, nr 2) toegelicht. De begrotingsmutaties van de najaarsnota worden toegelicht op basis van bovengenoemde staffel.

4. In de paragraaf agentschappen (paragraaf 5) staan de aanpassingen in de exploitatie- en kasstroomoverzichten van de agentschappen waarbij sprake is van cumulatieve mutaties (in totaal) groter dan 5% van de oorspronkelijk vastgestelde begroting of cumulatieve mutaties (in totaal) groter dan € 20 miljoen ten opzichte van de oorspronkelijk vastgestelde begroting.

1 Leeswijzer

De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan de ondergrenzen in onderstaande staffel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Mutaties ISB in de begrotingsstaat

De mutaties 1e suppletoire begroting en mutaties 2e suppletoire begroting wijken af zoals dat is weergegeven in de 1e en 2e suppletoire begroting. Reden hiervoor is dat de ISB('s) die zijn ingediend tussen 1e suppletoire en 2e suppletoire begroting in de Slotwet worden meegeteld bij de mutaties 1e suppletoire begroting.

2 Beleid

2 Beleid

2 Beleidsartikelen

2.1 Overzicht belangrijke uitgaven- en ontvangstenmutaties

Tabel 3 Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2021 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Artikelnummer

Uitgaven 2021

Vastgestelde begroting 2021

 

17.984.749

Belangrijkste suppletoire mutaties

  

1) Loon- en prijsbijstelling tranche 2021

99

224.401

2) Eindejaarsmarge 2020

99

18.961

3) Middelen Klimaat, Urgenda en stikstof

14, 18, 21

44.500

4) Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

16

521.200

5) Kasschuif Infrastructuurfonds

26

768.000

6) Kasschuif Deltafonds

26

169.000

7) Bijdrage CBR

14

28.500

8) Overige mutaties

Div.

10.151

Stand 1e suppletoire begroting 2021

 

19.769.462

Toelichting

  • 1. Loon- en prijsbijstelling tranche 2021

    Dit betreft de toevoeging van de loon- en prijsbijstelling 2021. Vanuit artikel 99 worden deze middelen herverdeeld over de IenW begrotingen Hoofdstuk XII, Infrastructuurfonds en Deltafonds.

  • 2. Eindejaarsmarge 2020

    Dit betreft de toevoeging van de eindejaarsmarge 2020 op artikel 99. Deze middelen worden bij de Ontwerpbegroting 2020 herverdeeld binnen HXII. Het gaat om € 25,1 miljoen, waarvan € 6,2 miljoen HGIS-middelen.

  • 3. Middelen Klimaat, Urgenda en stikstof

    Diverse klimaat-, Urgenda- en stikstofmiddelen zijn in 2020 (voornamelijk) als gevolg van COVID-19 niet tot besteding en worden buiten de eindejaarsmarge om doorgeschoven naar 2021. Het gaat om € 14,0 miljoen aan Klimaatakkoordmiddelen en € 2,5 miljoen Urgendamiddelen op artikel 14, de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (stikstof; € 4,0 miljoen; artikel 18) en de subsidieregeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (€ 24,0 miljoen; artikel 21).

  • 4. Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

    In 2020 is € 521,2 miljoen niet tot betaling gekomen en wordt meegenomen naar 2021. Dit betreft het deel van de regeling waarvoor al verplichtingen zijn aangegaan en achteraf nog verrekend en uitgekeerd wordt. Hiermee blijven de middelen beschikbaar voor de regeling.

  • 5. Kasschuif Infrastructuurfonds

    Als gevolg van het geactualiseerde programma en om de overprogrammering op het gewenste (beheersbare) niveau te krijgen is er een kasschuif met het generale beeld verwerkt op de begroting van het Infrastructuurfonds. De kasschuif heeft een meerjarige doorwerking.

  • 6. Kasschuif Deltafonds

    Als gevolg van het geactualiseerde programma en om de overprogrammering op het gewenste (beheersbare) niveau te krijgen is er een kasschuif met het generale beeld verwerkt op de begroting van het Deltafonds. De kasschuif heeft een meerjarige doorwerking.

  • 7. Bijdrage CBR

    Het kasbudget op artikel 14 wordt in 2021 met € 28,5 miljoen verhoogd ten laste van de generale middelen. Dit ten behoeve van de aanzuivering van het eigen vermogen van het CBR. De COVID-19 problematiek trekt een zware wissel op de exploitatie van het CBR. Naast de gevolgen voor de reserveringstermijnen heeft het tijdelijk stilleggen van de dienstverlening in 2020 en 2021 vanwege COVID-19 grote financiële gevolgen voor het CBR, waardoor de vermogenspositie is verslechterd (Kamerstukken II, 2020-2021, 29 398 nr. 858).

Tabel 4 Belangrijkste suppletoire ontvangstenmutaties 2021 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Artikelnummer

Ontvangsten 2021

Vastgestelde begroting 2021

 

19.710

Belangrijkste suppletoire mutaties

  

1) Desaldering Stormpolderdijk

13

1.500

2) Ontvangsten BSV

20

1.000

3) Ontvangsten PBL

97

1.200

4) Overige mutaties

Div.

3.368

Stand 1e suppletoire begroting 2021

 

26.778

Toelichting

  • 1. Desaldering Stormpolderdijk

    Dit betreft een desaldering als gevolg van een geactualiseerde planning voor de bodemsanering van het EMK Stormpolderdijk terrein te Krimpen aan den IJssel door de provincie Zuid-Holland. Vanwege een vertraging van de bodemsanering zal de bijdrage niet in 2020 maar in 2021 worden overgeboekt naar IenW.

  • 2. Ontvangsten BSV

    In 2021 wordt € 1,0 miljoen van het Bureau Sanering Verkeerslawaai ( BSV) in het kader van de afwikkeling van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai. Het BSV voert deze regeling uit namens IenW. Uit de eindafrekening blijkt dat de werkelijke kosten lager zijn uitgevallen dan de eerder verstrekte voorschotten.

  • 3. Ontvangsten PBL

    Het PBL verwacht extra opbrengsten uit opdrachten voor contractonderzoek waarvan een deel wordt gerealiseerd met de inzet van tijdelijk personeel.

2.1 Overzicht belangrijke uitgaven- en ontvangstenmutaties

De onderstaande tabellen geven de belangrijkste wijzigingen weer in de uitgaven en inkomsten ten opzichte van de Miljoenennota 2022. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is te vinden bij de budgettaire gevolgen van beleid in paragraaf 3 (de beleidsartikelen) en 4 (de niet-beleidsartikelen).

Tabel 2 Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2021 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
 

Artikelnummer

Uitgaven 2021

Vastgestelde begroting 2021 (incl. ISB 1-4)

 

17.984.749

Stand 1e suppletoire begroting 2021

 

19.769.462

Mutaties Miljoenennota 2022 (incl. ISB 5)

 

‒ 6.862.296

waarvan Omvorming Prorail

 

‒ 7.130.300

waarvan COVID-testen reizigers (ISB 5)

 

249.000

   

Belangrijkste suppletoire mutaties

  

1) Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

16

‒ 653.000

2) COVID-testen reizigers

97

‒ 60.000

3) Middelen klimaat en stikstof

14 en 18

‒ 26.200

4) Overige mutaties

diverse

‒ 5.245

Stand 2e suppletoire begroting 2021

 

12.162.721

Toelichting

  • 1. Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

    Op basis van de inzichten tot november 2021 bedraagt het overschot op de regeling voor het jaar 2020 € 243 miljoen en voor het jaar 2021 € 140 miljoen. Deze middelen vallen vrij.

    Een bedrag van € 270 miljoen van de regeling voor 2021 schuift op kasbasis door naar volgend jaar. Hierover bent u geïnformeerd door middel van de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2022 (Kamerstukken II, 35 925 XII, nr. 14).

  • 2. Testen reizigers

    Het aantal afgenomen testen voor reizigers is lager uitgevallen dan waar in de eerste ramingen van werd uitgegaan. De voorlopige inschatting is dat een bedrag van € 60 miljoen niet besteed zal worden.

  • 3. Middelen klimaat en stikstof

    Diverse klimaat- en stikstofmiddelen komen in 2021 (voornamelijk) als gevolg van COVID-19 niet tot besteding. Het gaat om € 15,6 miljoen voor duurzame mobiliteit en elektrisch vervoer en € 10,6 miljoen voor innovatie duurzame binnenvaart.

2.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 4,6 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan, € 10,2 miljoen minder uitgegeven en € 46 duizend minder ontvangen dan begroot.

Verplichtingen

Er is voor een bedrag van per saldo € 4,6 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan ten opzichte van de Najaarsnota 2021. Dit heeft te maken met enkele onderschrijdingen op de verplichtingenbudgetten voor diverse projecten. Voor € 2,9 miljoen wordt dit veroorzaakt door de hieronder toegelichte kasmutaties.

Voor € 0,9 miljoen wordt dit veroorzaakt door een lagere realisatie als gevolg van COVID-19 maatregelen. Voor € 0,7 miljoen wordt dit veroorzaakt doordat minder uitbestedingen hebben plaatsgevonden. Meer tijd was nodig voor het opzetten en het op de markt uitzetten van opdrachten dan voorzien. Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 0,1 miljoen.

Uitgaven

1. Algemeen Waterbeleid

Opdrachten

Uitgavenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • Een lagere uitgave van € 1,5 miljoen wordt veroorzaakt door projecten die door COVID-19 zijn vertraagd. Dit zijn o.a. de HGIS projecten Water as Leverage en Valuing Water. Uitbetaling hiervan is doorgeschoven naar 2022.

Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,5 miljoen.

Subsidies

Uitgavenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • Een onderschrijding van het subsidiebudget van per saldo € 6,2 miljoen. Het programma Partners voor Water loopt ten einde. Het gehele budget is verplicht, echter zijn deze activiteiten door COVID-19 vertraagd. De inzet in de deltalanden evenals subsidies zijn achtergebleven door reisbeperkingen. In 2022 wordt het programma verlengd met 1 jaar om tot afronding te komen. .

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de uitgaven van in totaal € 2 miljoen.

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.2 Overzicht Coronamaatregelen

Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn genomen om de coronacrisis het hoofd te bieden. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual.

Tabel 3 Coronamaatregelen op de IenW-begroting (bedragen x € 1 mln.)

Art.

Omschrijving maatregel

Realisatie 2020

2021

2022

2023

Vindplaats

13

Drinkwater Caribisch Nederland

1.297

3.352

  

Kamerstuk II, 35 420, nr. 25

14

CBR

 

27.600

  

Kamerstuk II, 29 398, nr. 858

16+98

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

966.762

1.348.238

382.000

28.000

Kamerstuk II, 35 748, nr. 1 ; 35 804, nr. 1 ; 23645, nr. 755 ; 35 925, nr. 14

17

Lening Winair

 

2.449

  

Kamerstuk II, 35 705, nr. 1

18

Pilot ferryverbinding Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba

2.000

   

Kamerstuk II, 35 420, nr. 25

19+22

Tegemoetkoming vuurwerkbranche

 

24.200

3.300

 

Kamerstuk II, 35 781, nr. 1 ; 35 925, nr. 14

26+17

COVID-gerelateerde meerkosten RWS

 

54.278

   

97+98

COVID-testen reizigers

 

189.000

  

Kamerstuk II, 35 864, nr. 1

 

Totaal

970.059

1.649.117

385.300

28.000

 

Dit overzicht is inclusief de specifieke herprioritering op de IenW-begroting (voor drinkwater Caribisch Nederland, de lening Winair en de BV OV-sector). In de coronavisual van rijksfinanciën.nl staan alleen de uitgaven die buiten het uitgavenplafond zijn gedekt.

Toelichting

Drinkwater Caribisch Nederland

Door het wegblijven van toeristen lopen de eilanden veel inkomsten mis. Om de inwoners te steunen is besloten tot compensatie van vaste lasten van nutsdiensten. Deze zijn op de eilanden relatief hoog. Voor water is het vaste aansluittarief op 0 euro gebracht vanaf 1 mei 2020 tot aan het einde van het jaar 2021. Deze maatregel heeft in 2020 geleid tot een totaaluitgave van € 1,3 miljoen. Voor 2021 worden de uitgaven geraamd op € 3,4 miljoen.

CBR

De COVID-19 problematiek trekt een zware wissel op de exploitatie van het CBR. Naast de gevolgen voor de reserveringstermijnen heeft het tijdelijk stilleggen van de dienstverlening in 2020 en 2021 vanwege COVID-19 grote financiële gevolgen, waardoor de vermogenspositie is verslechterd. Ten behoeve van de aanzuivering van het eigen vermogen van het CBR is daarom het kasbudget in 2021 met € 28,5 miljoen verhoogd. Hiervan valt nu € 0,9 miljoen vrij omdat het oorspronkelijk geraamde bedrag te hoog bleek.

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

Dit betreft een beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer. De vergoeding is bestemd voor al het openbaar vervoer onder een concessie (gebiedsconcessie, lijnconcessie en lijnovereenkomst) in Nederland. De verwachte uitgaven in 2021 van € 1,3 miljard betreffen het tweede voorschot over 2020 op basis van de verantwoordingen (€ 0,2 miljard) en het eerste voorschot over 2021 op basis van de huidige aanvragen (€ 1,1 miljard). Ongeveer € 270 miljoen van de regeling voor 2021 schuift op kasbasis door naar volgend jaar. Deze middelen zijn bij nota van wijziging (Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925 XII, nr. 14) reeds toegevoegd aan de begroting 2022.

Op basis van de inzichten tot november 2021 bedraagt het overschot op de regeling voor het jaar 2020 € 243 miljoen en voor het jaar 2021 € 140 miljoen. Deze middelen vallen vrij.

Het kabinet heeft verder besloten (Kamerstukken II, 23 645, nr. 755) om de huidige beschikbaarheidsvergoeding OV ongewijzigd te verlengen tot 1 september 2022. Dit is gelijk aan de looptijd van de tijdelijke aangepaste (nood)concessies op grond waarvan de overheid aan OV-bedrijven vanwege COVID-19 een vergoeding kan verschaffen. Het streven voor de periode vanaf 1 september 2022 is om terug te keren naar de gebruikelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, concessieverleners en vervoerders ten aanzien van de opbrengsten en kosten. De bijdrage vanuit het Rijk is net als in 2020 en 2021 afhankelijk van de gerealiseerde reizigersopbrengsten. Op basis van de herstelprognoses van het KiM wordt voor de verlenging van de beschikbaarheidsvergoeding tot en met 31 augustus 2022 een bedrag van € 140 miljoen geraamd.

Tot slot zijn er voor € 1,1 miljoen uitvoeringskosten gemaakt voor de BVOV-regeling. Deze middelen worden verantwoord op artikelonderdeel 16.01 en artikel 98.

Lening Winair

De COVID-19-crisis laat diepe sporen achter op de Caribische delen van het Koninkrijk. Het kabinet heeft daarom besloten een hypothecaire lening van USD 3 miljoen (max. € 2,7 miljoen) te verstrekken op het luchthavengebouw van Winair. Deze lening is door zowel het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 1 miljoen) als door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (maximaal € 1,7 miljoen) gefinancierd. De uitgave bedraagt uiteindelijk € 2,4 miljoen vanwege een gunstigere wisselkoers.

Pilot ferryverbinding tussen Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba

De bovenwindse eilanden worden door de crisis zwaar geraakt. De eilanden zijn voor een groot deel afhankelijk van toerisme. Met een goede en betaalbare ferry wordt verwacht dat, na de lockdown, toeristen uit de regio de eilanden vaker zullen aandoen. Ook bewoners kunnen zich dan vaker en goedkoper verplaatsen. Om de ferryverbinding tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten te verbeteren, heeft het kabinet besloten tot een verbeterde en frequente ferry tegen gereduceerd tarief voor een periode van twee jaar. De in 2020 als bijzondere uitkering betaalde € 2 miljoen is voor de gehele pilot periode.

Tegemoetkoming vuurwerkbranche

Dit betreft de tijdelijke subsidieregeling die als doel heeft om de vuurwerkbranche tegemoet te komen in de kosten die zij maakt voor zowel opslag als transport voor het F2-vuurwerk dat voor de jaarwisseling 2020 ‒ 2021 niet verkocht mocht worden om de ziekenhuizen te ontlasten te midden van de coronacrisis. Ongeveer € 3,3 miljoen van de regeling voor 2021 schuift op kasbasis door naar volgend jaar. Deze middelen zijn bij nota van wijziging (Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925 XII, nr. 14) reeds toegevoegd aan de begroting 2022.

COVID-gerelateerde meerkosten RWS

Als gevolg van de COVID-pandemie heeft RWS op een aantal projecten meerkosten gemaakt. In deze tweede suppletoire begroting wordt een bedrag van € 23,6 miljoen toegevoegd, dat betrekking heeft op de projecten Nieuwe Sluis Terneuzen (€ 7,4 miljoen), Afsluitdijk (€ 7,2 miljoen), A16 Rotterdam (€ 7,0 miljoen) en Zeetoegang IJmond (€ 2,0 miljoen).

COVID-testen reizigers

Dit betreft middelen voor de vergoeding van testen voor uitgaande reizigers voor de periode 1 juli tot en met 30 september 2021. De uitgaven zijn voor de COVID-testen die vergoed worden in de Open House en de subsidieregeling voor de reisbranche om de afgenomen testen te vergoeden. Daarnaast betreft dit ook middelen voor de uitvoeringskosten. Hiervoor is in de vijfde ISB 2021 een bedrag van € 249 miljoen toegevoegd aan de IenW-begroting. Omdat het aantal afgenomen testen lager is uitgevallen dan de eerste ramingen waren, is de voorlopige inschatting dat een bedrag van € 60 miljoen niet besteed zal worden.

2.2 Artikel 13 Bodem en Ondergrond

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 7,2 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan en € 55 duizend minder uitgegeven. Tot slot zijn er geen slotverschillen bij de ontvangsten.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • Een onderschrijding van per saldo € 4,2 miljoen op het verplichtingenbudget van de Bedrijvenregeling in verband met minder ontvangen subsidieaanvragen;

  • Voor € 2,1 miljoen komt dit door minder aangegane verplichtingen voor opdrachten uitvoering bodem strong, voornamelijk als gevolg van covid 19 maatregelen.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 0,9 miljoen.

Uitgaven

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 11,9 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 73,2 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 2,1 miljoen lager dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • De verlaging van het verplichtingen budget komt met name door de verlaging van het verplichtingenbudget komt met name door het vervallen van de garantstelling aan de RDW inzake een lening voor het testcentrum Lelystad (€ 37,8 miljoen).

  • Daarnaast vond er een afdracht plaats aan het Btw-compensatiefonds (€ 4,7 miljoen) voor de specifieke uitkering Randweg Eindhoven.

  • Ook vindt er een verhoging van het verplichtingenbudget plaats van € 1,2 miljoen voor de afdracht aan het Btw-compensatiefonds voor de specifieke uitkering Snelfietsroutes. Zoals aangekondigd in de Decemberbrief (Kamerstukken II, 35925-XI, nr. 71).

Tot slot hebben er op andere bijdragen diverse kleine verplichtingenmutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verlaging van € 31,9 miljoen.

Uitgaven

1. Netwerk

Bijdragen medeoverheden

Uitgavenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • De lagere uitgaven worden met name veroorzaakt door een afdracht aan het Btw-compensatiefonds (- € 4,7 miljoen) voor de specifieke uitkering Randweg Eindhoven zoals eerder beschreven bij de verplichtingen.

3. Slimme en duurzame mobiliteit

Uitgavenmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • De lagere uitgaven (- € 7 miljoen) worden met name veroorzaakt door een autonome meevaller (- € 3,4 miljoen) voor de subsidie Demonstratie Klimaattechnologieën en -innovaties in Transport (DKTI-3). Als gevolg van onzekerheden over leveringen van leveranciers en het chiptekort zijn projecten later gestart en daardoor zijn minder voorschotten verstrekt.

  • Tevens vind er een afdracht (- € 1,2 miljoen) plaats aan het Btw-compensatiefonds voor uitkeringen aan de provincies. Doordat er in 2020 teveel BCF afdracht is betaald, wordt het in 2021 in mindering gebracht.

  • Aanvullend vindt er nog een afdracht aan het Btw-compensatiefonds plaats voor specifieke uitkeringen aan meerdere provincies in het kader van Snelfietsroutes (- € 1,2 miljoen), zoals in de Decemberbrief is aangekondigd (Kamerstukken II, 35925-XI, nr. 71).

  • Daarnaast wordt er in het kader van de tijdelijke regeling Veilig, Duurzaam en Doelmatig (VDD) een voorschot (- € 1,5 miljoen) afgedragen aan het Btw-compensatiefonds op de geplande beschikkingen die aan het eind van dit jaar betaald worden.

Tot slot hebben er op andere bijdragen diverse kleine uitgavenmutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verlaging van € 0,1 miljoen.

Ontvangsten

Ontvangsmutaties groter dan € 2 miljoen:

  • De lagere ontvangsten (- € 2 miljoen) worden met name veroorzaakt door de niet-gerealiseerde ontvangsten (- € 2 miljoen) uit de bestuurlijke boetes van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

2.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 232,8 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 10,1 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 0,9 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 10 miljoen:

  • De lagere verplichtingen worden met name veroorzaakt door het doorschuiven van het verplichtingenbudget van de OV-beschikbaarheidsvergoeding (- € 13,5 miljoen) naar 2022. Dit is veroorzaakt door het lager uitvallen van de beschikbaarheidsvergoeding in 2021. Aanvragen voor de regeling 2021 konden tot 1 november 2021 ingediend worden, maar de exacte hoogte en hoeveelheid van de aanvragen was moeilijk te voorspellen.

Overige mutaties hebben geleid tot een opwaarste bijstelling van de uitgaven van in totaal € 3,4 miljoen.

Uitgaven

2 Maatregelenpakket OVS

Subsidies

Uitgavenmutaties groter dan € 10 miljoen:

  • De lagere kasrealisatie van € 228,3 miljoen op de OV-beschikbaarheidsver goeding wordt enerzijds veroorzaakt door het doorschuiven van de afrekening van de regeling beschikbaarheidsvergoeding openbaar vervoer (BVOV) (€ 190,9 miljoen) en anderzijds door een lager uitvallende op het beschikbaarheidsvergoedingbudget (€ 37,4 miljoen) over 2021.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de uitgaven van in totaal € 3,7 miljoen.

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.5 Artikel 17 Luchtvaart

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 1,5 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 13 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 0,2 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) heeft minder leningen afgesloten waarvoor IenW zich garant stelt (- € 11,3 miljoen).

  • Er is verplichtingenbudget overgeboekt van subsidies klimaatbeleid ten behoeve van de lening voor Winair. Het betreft een overboeking van subsidies klimaat naar leningen voor het eenmalig ophogen van de hypothecaire lening aan Winair, zoals vermeld in de Decemberbrief (€ 1,5 miljoen).

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de verplichtingen (- € 1,7 miljoen).

Uitgaven

1. Luchtvaart

Subsidie

Uitgavenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Zoals gemeld in de Decemberbrief zijn er middelen van subsidie klimaat naar leningen gemuteerd ten behoeve van de ophoging van de lening Winair (- € 1,5 miljoen).

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm voor toelichtingen en hoeven daarom niet te worden toegelicht.

2.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 5,2 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 1,4 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 0,1 miljoen lager dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Er zijn € 1,4 miljoen minder verplichtingen aangegaan. Dit is met name het gevolg van lagere uitgaven voor de Tijdelijke subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar binnenvaart (-€ 0,8 miljoen). Daarnaast zijn een aantal kleine onderzoeksopdrachten vertraagd (-€ 0,4 miljoen).

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 0,2 miljoen.

Uitgaven

1. Scheepvaart en Maritiem

Opdrachten

Uitgavenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Door vertraging in de uitvoering van het project Topsector Logistiek (- € 3,2 miljoen) is er dit jaar minder uitgegeven.

Subsidies

  • Er is minder gerealiseerd door een verlaging van het aantal subsidies voor innovatie duurzame binnenvaart en modal shift (- € 1,4 miljoen).

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 0,6 miljoen.

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en hoeven daarom niet te worden toegelicht.

2.7 Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 0,5 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan en is € 0,9 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn € 1,5 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Er is voor een bedrag van per saldo € 0,5 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan ten opzichte van de Najaarsnota 2021. Dit heeft te maken met enkele overschrijdingen op de verplichtingenbudgetten voor diverse projecten.

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Uitgaven

De uitgaven zijn met per saldo € 0,9 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit heeft te maken met enkele onderschrijdingen op de budgetten voor diverse projecten .

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Ontvangsten

Ontvangstenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Het naar boven bijstellen van de ontvangsten is onder andere veroorzaakt door een ontvangst die hoger was dan voorheen ingeschat bij de eindafrekening van de RVO. Dit heeft geleid tot een ophoging van het ontvangstenbudget van per saldo € 1,3 miljoen.

Overige mutaties hebben geleid tot een bovenwaartse bijstelling van de ontvangsten van per saldo € 0,2 miljoen.

2.8 Artikel 20 Lucht en Geluid

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 2,5 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan en is € 1,6 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn € 0,03 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Per saldo is het verplichtingenbudget met € 1,2 miljoen afgenomen als gevolg van lagere verplichtingen in het kader van de specifieke uitkering Schone Lucht Akkoord (SPUK-SLA). RVO heeft minder subsidies toegekend dan was voorzien. Als gevolg hiervan is ook de BTW afdracht aan het BTW Compensatiefonds lager uitgevallen dan was begroot.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de verplichtingen van per saldo € 1,3 miljoen.

Uitgaven

De uitgaven zijn met per saldo € 1,5 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit heeft te maken met enkele onderschrijdingen op de budgetten voor diverse projecten.

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.9 Artikel 21 Duurzaamheid

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 1,5 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan en is € 1,1 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn € 1,3 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Er is voor een bedrag van per saldo € 1,5 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan ten opzichte van de Najaarsnota 2021. Dit heeft te maken met enkele onderschrijdingen op de verplichtingenbudgetten voor diverse projecten.

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Uitgaven

De uitgaven zijn met per saldo € 1,1 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit heeft te maken met enkele onderschrijdingen op de budgetten voor diverse projecten.

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget neemt met € 1,3 miljoen toe. Dit komt door ontvangsten in het kader van de afrekening van subsidie aan de Stichting Afvalfonds en een bijdrage van de ILT in de kosten van het project voor het ontwikkelen van een methodiek voor het berekenen van milieuprijs voor afval, stort en verbranding, en bodemas.

2.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 11,7 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan en is € 6,8 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn € 0,06 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Een onderschrijding op het verplichtingenbudget van € 4,5 miljoen, vanwege minder aangegane verplichtingen voor diverse opdrachten die verband houden met het verwijderen van asbestdaken.

  • Een onderschrijding op het verplichtingenbudget ter waarde van € 1,5 miljoen door minder aangegane verplichtingen voor subsidie vuurwerk. Dit komt doordat er minder verplichtingen in het kader van de subsidie vuurwerk hebben plaatsgevonden.

  • Tevens zijn er minder verplichtingen aangegaan voor subsidies inrichtingen en transport. Het gaat om een onderschrijding van per saldo € 1,1 miljoen.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 4,6 miljoen.

Uitgaven

3 Veiligheid bedrijven en transport

Subsidies

Uitgavenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Een onderschrijding van het subsidiebudget van per saldo € 4,5 miljoen. Dit komt door lagere uitgaven in het kader van de subsidie vuurwerk, vanwege minder betalingen voor de subsidies aan detailhandel en opslag en transport dan verwacht.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaarste bijstelling van de uitgaven van in totaal € 2,3 miljoen.

Ontvangsten

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 2,1 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan en is € 0,03 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Tot slot zijn er geen slotverschillen bij de ontvangsten.

Verplichtingen

Verplichtingenmutaties groter dan € 1 miljoen:

  • Voor de betaling van ECMWF contributie 2020 is ten onrechte het verplichtingenbudget opgehoogd. De verplichting voor de betaling van de ECMWF contributie was reeds in 2020 vastgelegd. Dit heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling van het verplichtingenbudget met € 1,9 miljoen.

Overige mutaties hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de verplichtingen van in totaal € 0,2 miljoen.

Uitgaven

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

2.12 Artikel 24 Handhaving en Toezicht

Op dit artikel worden in 2021 geen slotverschillen opgenomen.

2.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor € 10,7 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan. De uitgaven- en ontvangstenmutaties zijn nihil en daarmee lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).

Verplichtingen

Zoals in de decemberbrief (Kamerstukken II, 35925-XI, nr. 71) aangekondigd is het verplichtingenbudget in 2021 na de 2e suppletoire begroting verhoogd met € 10,7 miljoen. Het betreft de bijdrage aan BDU-regio’s voor de Korte Termijn Aanpak in het programma Mobiliteit en Verstedelijking, waaronder de no regret-pakket Binckhorst (€ 5 miljoen), invulling van BO-MIRT-afspraken, waaronder bijdrage aan Zuid-Holland Bereikbaar (€ 3,3 miljoen), de bijdrage aan ontwikkeling Entreegebied in Zoetermeer (€ 2,3 miljoen) en overige regionale activiteiten.

2.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 voor een bedrag van € 0,8 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan en is € 1,7 miljoen meer uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn sinds de Najaarsnota ongewijzigd.

Zoals reeds in de Decemberbrief aangekondigd vindt de verantwoording van de uitgaven voor Topsector Logistiek, Vrachtwagenheffing, Beter Benutten en ERTMS plaats op de IenW-begroting, maar de middelen staan op het Infrastructuurfonds. Deze middelen worden daarom jaarlijks overgeheveld naar de IenW-begroting.

3 Beleidsartikelen

3 Beleidsartikelen

3 Niet-Beleidsartikelen

3.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid

Tabel 5 Budgettaire gevolgen van beleid art.11 (bedragen x € 1.000)

11 Integraal Waterbeleid

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

43.517

‒ 250

43.267

‒ 3.125

40.142

2.591

2.778

1.751

4.751

          

Uitgaven

62.065

‒ 250

61.815

‒ 2.853

58.962

2.591

2.778

1.751

4.751

Waarvan juridisch verplicht

89%

   

72%

    
          

1 Algemeen waterbeleid

40.382

0

40.382

‒ 337

40.045

3.091

3.128

2.101

2.101

Opdrachten

5.787

0

5.787

‒ 469

5.318

1.061

1.098

161

161

Opdrachten CORA (HGIS)

609

0

609

194

803

974

1.027

0

0

Overige Opdrachten

5.178

0

5.178

‒ 663

4.515

87

71

161

161

Subsidies

15.133

0

15.133

64

15.197

2.454

2.454

2.454

2.454

Partners voor Water 4 (HGIS)

13.602

0

13.602

0

13.602

0

0

0

0

Partners voor Water 5 (HGIS)

0

0

0

0

0

2.450

2.450

2.450

2.450

Blue Deal (HGIS)

1.400

0

1.400

0

1.400

0

0

0

0

Overige Subsidies

131

0

131

64

195

4

4

4

4

Bijdragen aan agentschappen

14.751

0

14.751

576

15.327

‒ 424

‒ 424

‒ 514

‒ 514

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

386

0

386

1.000

1.386

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

14.365

0

14.365

‒ 424

13.941

‒ 424

‒ 424

‒ 514

‒ 514

Bijdragen aan medeoverheden

4.711

0

4.711

‒ 508

4.203

0

0

0

0

Bijdragen medeoverheden WKB

4.711

0

4.711

‒ 508

4.203

0

0

0

0

          

2 Waterveiligheid

3.348

0

3.348

‒ 255

3.093

‒ 420

‒ 350

‒ 350

‒ 350

Opdrachten

3.348

0

3.348

‒ 255

3.093

‒ 420

‒ 350

‒ 350

‒ 350

          

3 Grote oppervlaktewateren

1.665

0

1.665

0

1.665

0

0

0

0

Opdrachten

1.665

0

1.665

‒ 100

1.565

‒ 100

‒ 100

‒ 100

‒ 100

Overige opdrachten

1.665

0

1.665

‒ 100

1.565

‒ 100

‒ 100

‒ 100

‒ 100

Bijdragen medeoverheden

0

0

0

100

100

100

100

100

100

Overige Bijdragen medeoverheden

0

0

0

100

100

100

100

100

100

          

4 Waterkwaliteit

16.670

‒ 250

16.420

‒ 2.511

14.159

‒ 80

0

0

3.000

Opdrachten

14.525

‒ 250

14.275

‒ 2.581

11.944

‒ 80

0

0

3.000

Noordzee akkoord

9.962

0

9.962

‒ 3.000

6.962

0

0

0

3.000

Overige opdrachten

4.563

‒ 250

4.313

419

4.982

‒ 80

0

0

0

Subsidies

400

0

400

0

400

0

0

0

0

Overige Subsidies

400

0

400

0

400

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.745

0

1.745

70

1.815

0

0

0

0

Overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.745

0

1.745

70

1.815

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

434

434

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verlaging van het verplichtingenbudget met € 3,1 miljoen wordt met name veroorzaakt door de hieronder toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

1 Algemeen waterbeleid

Bijdragen aan agentschappen

De verhoging van de bijdragen aan agentschappen van € 0,6 miljoen wordt met name veroorzaakt door een overboeking vanuit het MIRT Onderzoek Waterveiligheid (Deltafonds) naar het KNMI van € 1 miljoen voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,4 miljoen.

4 Waterkwaliteit

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget van € 2,6 miljoen wordt met name veroorzaakt door een kasschuif ten behoeve van het Noordzee akkoord van € 3 miljoen naar aanleiding van vertraging in het uitvoeringsprogramma. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,4 miljoen.

3.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 Integraal Waterbeleid (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

43.267

40.142

6.545

‒ 11.468

35.219

      

Uitgaven

61.815

58.962

7.126

‒ 10.167

55.921

waarvan juridisch verplicht

 

72%

  

87%

      

1. Algemeen waterbeleid

40.382

40.045

6.421

‒ 3.544

42.922

Opdrachten

5.787

5.318

3.063

‒ 3.743

4.638

Klimaat Bestuur

569

807

285

‒ 20

1.072

Risico onvoorzien

2.124

1.471

1.913

‒ 1.489

1.895

Opdrachten CORA (HGIS)

609

803

660

‒ 190

1.273

Overige opdrachten

2.485

2.237

205

‒ 309

2.133

Subsidies

15.133

15.197

2.764

‒ 35

17.926

Plan Water 4 (HGIS)

13.602

13.602

2.764

0

16.366

Blue Deal (HGIS)

1.400

1.400

0

0

1.400

Overige subsidies

131

195

0

‒ 35

160

Bijdragen aan agentschappen

14.751

15.327

340

84

15.751

Bijdrage aan agentschap KNMI

386

1.386

9

0

1.395

Bijdrage aan agentschap RWS

14.365

13.941

331

84

14.356

Bijdragen medeoverheden

4.711

4.203

254

50

4.507

Bijdrage medeoverheden WKB

4.711

4.203

254

50

4.507

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

0

0

100

100

      

2. Waterveiligheid

3.348

3.093

156

0

3.249

Opdrachten

3.348

3.093

156

0

3.249

RWS waterveiligheid

2.456

2.600

102

0

2.702

Waarvan overige opdrachten

892

493

54

0

547

      

3. Grote oppervlaktewateren

1.665

1.665

42

0

1.707

Opdrachten

1.665

1.565

42

0

1.607

Bijdragen medeoverheden

0

100

0

0

100

      

4. Waterkwaliteit

16.420

14.159

507

‒ 6.623

8.043

Opdrachten

14.275

11.944

457

‒ 6.749

5.652

RWS WKK opdrachten

2.861

3.450

272

‒ 65

3.657

Noordzee akkoord

9.962

6.962

0

‒ 6.462

500

Overige opdrachten

1.452

1.532

185

‒ 222

1.495

Subsidies

400

400

0

0

400

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.745

1.815

50

126

1.991

      

Ontvangsten

0

434

20

0

454

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt ‒ € 4,9 miljoen. Hiervan is € 6,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 11,5 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt met name veroorzaakt door de hieronder toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt ‒ € 3 miljoen. Hiervan is € 7,1 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 10,2 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

1 Algemeen waterbeleid

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget van € 3,7 miljoen wordt met name veroorzaakt door een overboeking van € 1,7 miljoen naar het ministerie van BZK ten behoeve van het digitaliseren van de regelgeving onder de Omgevingswet. Departementen dragen naar gebruik bij aan de kosten voor het Serviceteam Rijk. Deze overboeking bevat de kosten voor 2021. Daarnaast vindt er een budgetschuif van € 1,4 miljoen plaats tussen risicoreservering onvoorzien op artikel 11 en het meerjarenprogramma bodem. Op het meerjarenprogramma bodem worden bodemsaneringsprojecten in 2021 gefinancierd die eerder aanvangen dan begroot. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,6 miljoen.

De uitgaven op dit artikel hebben ook betrekking op uitgaven op het gebied van Fysieke leefomgeving en de Omgevingswet (FLOW) en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

4 Waterkwaliteit

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget van € 6,8 miljoen is gerelateerd aan een overboeking van € 6,5 miljoen van artikel 11 op de beleidsbegroting naar artikel 15 van het Infrastructuurfonds, ten behoeve van uitvoering van maatregelen inzake medegebruik en doorvaart 's-nachts van windparken op de Noordzee (Noordzeeakkoord). Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,3 miljoen.

3.1 Artikel 97 Algemeen Kerndepartement

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 89,8 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 27 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 3,9 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

De verlaging van het verplichtingenbudget (€ 27 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

  • de volledige afronding van de aankoop van het Regeringsvliegtuig is nog niet afgerond. De inklaringskosten zijn betaald en het overschot is het restant van het budget dat buiten de eindejaarsmarge naar 2021 is meegenomen. Er speelt nu alleen nog een BTW vraag over de aankoop van het vliegtuig (€ 17,5 miljoen);

  • in 2021 met derden verrekende vennootschapsbelasting die betrekking hebben 2020. Dit betreft een negatieve bijstelling van in eerdere jaren aangegane verplichtingen (€ 7,8 miljoen);

  • diverse communicatiecampagnes (o.a. hybride werken onder vlag van en van A naar Beter) die, ten gevolge van COVID-19 en het controversieel verklaren van bepaalde dossiers en de demissionaire status van het Kabinet, zijn uitgesteld of versoberd (€ 0,8 miljoen);

  • een Verplichtingenschuif in verband met het vastleggen contractuele verplichting in 2021 voor de jaren 2022 t\/m 2031 inzake beheer Kerncentrale Borssele KCB simulator (ANVS) (-/- € 1,5 miljoen);

  • COVID-19 waardoor minder verplichtingen zijn aangegaan op diverse andere bijdragen (€ 2,4 miljoen).

Uitgaven

1. Algemeen Departement

Opdrachten

De lagere uitgaven (€ 15,4 miljoen) worden overwegend verklaard door:

  • de aankoop van het Regeringsvliegtuig nog niet is afgerond (€ 11,3 miljoen);

  • ten gevolge van COVID-19 is een aantal campagnes waaronder van A naar Beter (€ 0,5 miljoen) en diverse andere communicatiecampagnes uitgesteld of versoberd (€ 0,3 miljoen);

  • vertraging van enkele opdrachten in het kader van door ANVS en PBL te verrichten onderzoeken (resp. € 0,9 en € 0,5 miljoen);

  • COVID-19 waardoor minder uitgaven zijn gedaan op diverse andere bijdragen (€ 2,0 miljoen).

3. COVID-19 Testen reizen

Opdrachten

De lagere uitgaven worden overwegend veroorzaakt doordat facturen niet tijdig zijn worden betaald, voornamelijk omdat in de ingediende declaratie nog niet aan alle voorwaarden was voldaan (€ 74,4 miljoen)

Ontvangsten

De hogere ontvangsten worden overwegend verklaard door niet geraamde ontvangsten op reizigerstesten COVID-19.

3.2 Artikel 13 Bodem en Ondergrond

Tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid art.13 (bedragen x € 1.000)

13 Bodem en Ondergrond

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

132.326

0

132.326

‒ 65.109

67.217

‒ 4.673

10.188

11.187

10.314

          

Uitgaven

142.656

0

142.656

‒ 60.482

82.174

471

12.188

12.187

11.687

Waarvan juridisch verplicht

99%

   

58%

    
          

4 Ruimtegebruik bodem

140.696

0

140.696

‒ 60.482

80.214

471

12.188

12.187

11.687

Opdrachten

13.710

0

13.710

3.218

16.928

‒ 31

0

0

0

Bodem en STRONG

11.100

0

11.100

2.166

13.266

‒ 31

0

0

0

RWS Leefomgeving

2.610

0

2.610

1.052

3.662

0

0

0

0

Subsidies

23.194

0

23.194

‒ 7.563

15.631

500

3.386

3.385

2.885

Bedrijvenregeling

13.656

0

13.656

‒ 8.656

5.000

0

2.886

2.885

2.885

Subsidies Caribisch Nederland

9.538

0

9.538

1.093

10.631

500

500

500

0

Bijdragen aan agentschappen

3.736

0

3.736

2

3.738

2

2

2

2

Waarvan bijdragen aan agentschap RWS

3.736

0

3.736

2

3.738

2

2

2

2

Bijdragen aan medeoverheden

100.056

0

100.056

‒ 56.139

43.917

0

8.800

8.800

8.800

Meerjarenprogramma Bodem

100.056

0

100.056

‒ 56.283

43.773

0

8.800

8.800

8.800

Overige Bijdragen medeoverheden

0

0

0

144

144

0

0

0

0

          

5 Eenvoudig Beter

1.960

0

1.960

0

1.960

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.960

0

1.960

0

1.960

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.960

0

1.960

0

1.960

0

0

0

0

          

Ontvangsten

2.000

0

2.000

1.500

3.500

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verlaging van het verplichtingenbudget met € 65,1 miljoen wordt met name veroorzaakt door de hieronder toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

4. Ruimtegebruik Bodem

Opdrachten

De verhoging van het opdrachtenbudget met € 3,2 miljoen wordt met name veroorzaakt door een aanpassing van de budgetten met € 2,2 miljoen op de meerjarenprogrammering Bodem. Door vertraging in de uitvoering van het bodemsaneringsproject Stormpolderdijk zal de bijdrage niet in 2020 maar in 2021 worden overgeboekt naar IenW. Daarnaast wordt het budget verhoogd met € 1 miljoen door een budget overheveling binnen het artikel van Bodem en Strong en het Meerjarenprogramma Bodem naar RWS Leefomgeving onder behoud van het BOA protocol2021.

Subsidies

De laging van het subsidiebudget van € 7,6 miljoen wordt met name veroorzaakt door een kasschuif van € 8,7 miljoen ten behoeve van de bedrijvenregeling. De afgelopen jaren zat de uitputting op deze regeling rond de € 5 miljoen. Met deze kasschuif wordt het bedrag voor de bedrijvenregeling in 2021 in lijn gebracht met dit verwachte uitputtingsniveau. Daarnaast wordt het budget verhoogd met € 1,1 miljoen door een budgetoverheveling vanuit het Deltafonds voor de financiering van de waterzuivering van Bonaire op Caribisch Nederland.

Bijdragen aan (mede)overheden

Per saldo valt het budget bijdragen aan (mede)overheden lager uit met circa € 56,1 miljoen. Deze verlaging wordt met name veroorzaakt door een kasschuif van per saldo € 26,4 miljoen voor het financieren van een nieuw bodemconvenant. Het voormalig bodemconvenant liep van 2016 tot 2020. Het nieuwe bodemconvenant zal in 2022 ingaan. Bovendien wordt deze verlaging veroorzaakt door een budgetoverheveling van € 16,8 miljoen naar de begroting van het ministerie van BZK ten behoeve van het Gemeentefonds voor de uitvoering van taken op grond van de Wet bodembescherming. Daarnaast wordt het budget verlaagd met € 10,1 miljoen door een overboeking naar het ministerie van BZK ten behoeve van het Provinciefonds voor de uitvoering van taken op grond van de Wet bodembescherming. Bovendien wordt het opdrachtenbudget verlaagd met € 2,7 miljoen door vertraging in de uitvoering van het bodemsaneringsproject Stormpolderdijk. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van per saldo € 0,1 miljoen.

Ontvangsten

Dit betreft een desaldering als gevolg van een geactualiseerde planning voor de bodemsanering van het EMK Stormpolderdijk terrein te Krimpen aan den IJssel door de provincie Zuid-Holland. Vanwege een vertraging van de bodemsanering zal de bijdrage niet in 2020 maar in 2021 worden overgeboekt naar IenW.

3.2 Artikel 13 Bodem en ondergrond

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 Bodem en ondergrond (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

132.326

67.217

3.376

10.533

81.126

      

Uitgaven

142.656

82.174

‒ 624

‒ 1.595

79.955

waarvan juridisch verplicht

 

58%

  

63%

      

4. Ruimtegebruik bodem

140.696

80.214

‒ 662

‒ 1.595

77.957

Opdrachten

13.710

16.928

‒ 1.217

‒ 7.686

8.025

Bodem en STRONG

11.100

13.266

‒ 1.351

‒ 7.686

4.229

RWS Leefomgeving

2.610

3.662

134

0

3.796

Subsidies

23.194

15.631

0

‒ 1.760

13.871

Bedrijvenregeling

13.656

5.000

0

‒ 1.000

4.000

Subsidies Carabisch Nederland

9.538

10.631

0

‒ 760

9.871

Bijdragen aan agentschappen

3.736

3.738

87

0

3.825

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

3.736

3.738

87

0

3.825

Bijdragen medeoverheden

100.056

43.917

408

7.851

52.176

Meerjarenprogramma Bodem

100.056

43.773

408

7.851

52.032

Waarvan overige bijdragen aan medeoverheden

0

144

0

0

144

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

60

0

60

Overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

60

0

60

5. Eenvoudig beter

1.960

1.960

38

0

1.998

Bijdragen aan agentschappen

1.960

1.960

38

0

1.998

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.960

1.960

38

0

1.998

      

Ontvangsten

2.000

3.500

0

‒ 3.500

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt € 13,9 miljoen. Hiervan is € 3,4 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 10,5 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

De verhoging van het verplichtingenbudget met € 10,5 miljoen wordt in afwijking van de hieronder benoemde kasmutaties voornamelijk veroorzaakt door de volgende twee verplichtingen mutaties. Er vindt een verplichtingen schuif plaats van € 7,5 miljoen in verband met bodemsaneringsprojecten die al eerder worden aangegaan dan geraamd. Verplichtingenbudget uit latere jaren worden hiervoor naar voren gehaald. Het betreft onder andere de volgende bodemsaneringsprojecten: sanering Cindu-terrein Uithoorn in de provincie Noord-Holland en Olasfa en Blekerweg in de provincie Overijssel. Daarnaast vind er een verplichtingenschuif van € 3,6 miljoen plaats voor het aangaan van noodzakelijke meerjarige verplichtingen ten behoeve van het bodemsaneringsproject Stormpolderdijk (EMK-terrein). Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil.

Uitgaven

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt ‒ € 2,2 miljoen. Hiervan is ‒ € 0,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 1,6 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

4. Ruimtegebruik Bodem

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget van circa € 7,7 miljoen is voornamelijk gerelateerd aan de twee volgende mutaties. Door vertraging in de uitvoering van het bodemsaneringsproject Stormpolderdijk is het opdrachtenbudget Bodem en het Meerjarenprogramma Bodem met € 3,5 miljoen aangepast. Tevens wordt het opdrachtenbudget verlaagd met € 3,5 miljoen door een desaldering als gevolg van een aangepaste geactualiseerde planning voor de bodemsanering van het EMK Stormpolderdijk terrein. De gemeente Krimpen ad IJssel draagt € 2 miljoen euro bij aan de bodemsaneringsopgave van het EMK Stormpolderdijk terrein. Daarnaast draagt de provincie Zuid Holland € 1,5 miljoen bij. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 0,7 miljoen.

Bijdragen aan (mede)overheden

Het budget bijdragen aan (mede)overheden wordt verhoogd met circa € 7,9 miljoen. Voor € 3,5 miljoen wordt binnen het artikelonderdeel geschoven met middelen. Dit ten behoeve van bodemsaneringsprojecten die eerder worden aangegaan dan geraamd. Het betreft onder andere de volgende bodemsaneringsprojecten: sanering Cindu-terrein Uithoorn in de provincie Noord-Holland, en Olasfa en Blekerweg in de provincie Overijssel. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil van € 4,4 miljoen.

Ontvangsten

De verlaging van het ontvangstenbudget van € 3,5 miljoen betreft een desaldering als gevolg van een aangepaste geactualiseerde planning voor de bodemsanering van het EMK Stormpolderdijk terrein. Deze desaldering hangt samen met de verlaging van het opdrachtenbudget onder artikelonderdeel 4 Ruimtegebruik Bodem. Vanwege een vertraging van de bodemsanering zullen de bijdragen niet in 2021 maar in 2022 worden overgeboekt naar IenW.

3.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Op dit artikel is ten opzichte van de Najaarsnota in 2021 € 41,1 miljoen minder uitgegeven dan begroot en is voor een bedrag van € 30 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 6,9 miljoen hoger dan begroot bij Najaarsnota.

Verplichtingen

De lagere verplichtingen hangen samen met onderstaande toelichtingen op de uitgaven. Het verschil betreft verplichtingenschuiven van 2022 naar 2021.

Personele uitgaven

De lagere personele uitgaven zijn voornamelijk het gevolg van:

  • vacatureruimte o.a. door vertraging bij de invulling van vacatures en er is sprake van vertraagde facturering van de uitlenende partijen voor in- gedetacheerde medewerkers (€ 2,0 miljoen);

  • minder afgesloten contracten voor interne dienstverlening hier staan ook lagere ontvangsten tegenover (€ 1,1 miljoen);

  • niet gebruikte middelen m.b.t. de kosten voor de Vrachtwagenheffing en ERTMS zijn teruggeboekt naar het Mobiliteitsfonds (€ 1,0 miljoen);

  • vertraging in de facturering waardoor er minder is uitgegeven (€ 1,2 miljoen);

  • een noodzakelijke herschikking vanuit externe inhuur t.b.v. project Tijdelijk Tolheffing (-/- € 0,6 miljoen);

  • diverse mee- en tegenvallers als gevolg van Corona (€ 0,5 miljoen).

De uitgaven voor externe inhuur zijn lager dan voorzien als gevolg van:

  • vertragingen bij de facturering waardoor bedragen niet meer in 2021 tot betaling zijn gekomen maar overlopen naar 2022 (€ 7,1 miljoen);

  • opgetreden vertraging bij de ontwikkeling van het project Opvolging Bedrijfsvoering systeem SAP (OBS, € 0,8 miljoen);

  • niet gebruikte apparaat middelen t.b.v. Beter Benutten. Deze zijn teruggeboekt naar het Mobiliteitsfonds (€ 0,9 miljoen);

  • een herschikking naar eigen personeel t.b.v. project Tijdelijk Tolheffing (€ 0,6 miljoen);

  • voor overige personele uitgaven zijn lager omdat door verzekeringsmaatschappijen minder kosten in rekening zijn gebracht dan voorzien voor aanspraken van oud- werknemers (€ 1,7 miljoen);

  • diverse mee- en tegenvallers o.a. t.b.v. Open Overheid (€ 0,7 miljoen) .

Materiële uitgaven

De lagere uitgaven voor ICT worden voor een groot deel veroorzaakt door:

  • het late moment van toekenning in het jaar van de fiches in het kader van programma Open Overheid waardoor deze niet meer konden worden uitgegeven (€ 4,0 miljoen);

  • vertraging in de facturatie waardoor uitgaven die waren voorzien in 2021 pas in 2022 worden gedaan (€ 2,4 miljoen);

  • opgetreden vetraging bij de Ontwikkeling Bedrijfsvoering systeem SAP (OBS € 1,5 miljoen);

  • lagere uitgaven aan Rijksbrede SSO's betreft voornamelijk de overlopende factuur van Logius t.b.v. het Standaard Platform waardoor betaling pas in 2022 plaatsvindt, minder uitgaven voor thuiswerkvoorzieningen dan voorzien (€ 0,6 miljoen) en lagere uitgaven voor huisvesting en facilitaire zaken a.g.v. COVID;

  • diverse mee- en tegenvallers (€ 0,2 miljoen).

De lagere materiële uitgaven betreft met name:

  • het niet gebruikte deel van de centrale reservering ter dekking van de thuiswerkvergoeding en CAO- afspraak (€ 8,8 miljoen);

  • lagere uitgaven onder andere doordat de factuur van Logius lager uitviel dan was geraamd, er minder uitgaven gedaan zijn voor Open Overheid dan gepland en er sprake was van overlopende facturen naar 2022 (€ 2,3 miljoen);

  • diverse (buitenlandse) projectmeetings, seminars en congressen zijn komen te vervallen als gevolg van COVID (€ 0,2 miljoen);

  • de kosten voor integrale beveiliging waren lager dan voorzien (€ 0,4 miljoen);

  • er zijn minder adviezen afgegeven door De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur dan verwacht (€ 0,3 miljoen);

  • diverse mee- en tegenvallers (€ 1,3 miljoen).

Ontvangsten

De hogere ontvangsten betreft voornamelijk:

  • overlopende ontvangsten uit 2020 voornamelijk van ILT (€ 8,0 miljoen);

  • minder afgesloten contracten voor interne dienstverlening, hiertegenover staan ook minder personele uitgaven (-/- € 1,1 miljoen).

3.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Tabel 7 Budgettaire gevolgen van beleid art.14 (bedragen x € 1.000)

14 Wegen en Verkeersveiligheid

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

157.393

0

157.393

146.478

303.871

‒ 3.212

‒ 3.445

‒ 4.818

22.553

          

Uitgaven

153.789

0

153.789

54.897

208.686

‒ 3.704

15.050

11.259

8.700

Waarvan juridisch verplicht

75%

   

77%

    
          

1 Netwerk

11.996

0

11.996

11.806

23.802

6.982

‒ 241

‒ 241

0

Opdrachten

6.406

0

6.406

‒ 3.683

2.723

134

‒ 241

‒ 241

0

Wegverkeersbeleid

5.217

0

5.217

‒ 3.568

1.649

0

0

0

0

Overige Opdrachten

1.189

0

1.189

‒ 115

1.074

134

‒ 241

‒ 241

0

Subsidies

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan Agentschappen

5.590

0

5.590

235

5.825

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschap RWS

5.160

0

5.160

226

5.386

0

0

0

0

Overige bijdragen aan agentschappen

430

0

430

9

439

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

10.209

10.209

6.848

0

0

0

Bijdrage aan Caribisch Nederland

0

0

0

2.870

2.870

0

0

0

0

Regionale bijdrage MIRT

0

0

0

7.339

7.339

6.848

0

0

0

Overige bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

0

0

5.045

5.045

0

0

0

0

          

2 Veiligheid

19.051

0

19.051

29.794

48.845

0

0

0

0

Opdrachten

5.957

0

5.957

592

6.549

‒ 127

‒ 127

0

0

Verkeersveiligheid

5.957

0

5.957

592

6.549

‒ 127

‒ 127

0

0

Subsidies

9.438

0

9.438

318

9.756

97

97

0

0

Veiligheid Verkeer Nederland (VVN)

3.862

0

3.862

0

3.862

0

0

0

0

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)

4.046

0

4.046

0

4.046

0

0

0

0

Overige subsidies

1.530

0

1.530

318

1.848

97

97

0

0

Bijdragen aan agentschappen

618

0

618

354

972

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschap RWS

618

0

618

354

972

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

0

30

30

30

30

0

0

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

3.038

0

3.038

28.500

31.538

0

0

0

0

Bijdrage aan CBR

3.038

0

3.038

28.500

31.538

0

0

0

0

          

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

122.742

0

122.742

13.297

136.039

‒ 10.686

15.291

11.500

8.700

Opdrachten

70.844

0

70.844

‒ 38.276

32.568

‒ 39.066

3.031

4.700

7.680

Beter Benutten

7.719

0

7.719

2.289

10.008

2.843

5.250

2.750

0

Duurzame Mobiliteit

12.307

0

12.307

8.078

20.385

‒ 80

‒ 25

‒ 25

‒ 20

Reservering Klimaatakkoord

50.481

0

50.481

‒ 48.639

1.842

‒ 41.820

‒ 2.185

1.975

7.700

Overige opdrachten

337

0

337

‒ 4

333

‒ 9

‒ 9

0

0

Subsidies

40.381

0

40.381

26.571

66.952

24.874

11.260

5.800

20

Duurzame Mobiliteit

11.250

0

11.250

15.386

26.636

14.474

7.760

3.600

0

Elektrisch vervoer

27.900

0

27.900

11.000

38.900

10.200

3.300

2.000

0

Overige subsidies

1.231

0

1.231

185

1.416

200

200

200

20

Bijdragen aan Agentschappen

4.511

0

4.511

10.055

14.566

0

0

0

0

Bijdrage aan Agentschap RWS

1.686

0

1.686

1.308

2.994

0

0

0

0

Bijdrage aan Agentschap Nea

2.489

0

2.489

0

2.489

0

0

0

0

Bijdrage aan Agentschap RVO

336

0

336

8.747

9.083

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

6.806

0

6.806

14.523

21.329

3.506

1.000

1.000

1.000

Duurzame Mobiliteit

6.806

0

6.806

0

6.806

0

0

0

0

Mobiliteit en Gebieden

0

0

0

14.523

14.523

3.506

1.000

1.000

1.000

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

200

0

200

0

200

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

0

0

424

424

0

0

0

0

          

Ontvangsten

6.782

0

6.782

0

6.782

0

0

0

0

Tabel 8 Uitsplitsing verplichtingen art. 14 (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Verplichtingen

157.393

0

157.393

146.478

303.871

‒ 3.212

‒ 3.445

‒ 4.818

22.553

waarvan garantieverplichtingen

   

106.600

106.600

    

waarvan overige verplichtingen

157.393

0

157.393

39.878

197.271

‒ 3.212

‒ 3.445

‒ 4.818

22.553

Toelichting

Verplichtingen

De verhoging van het verplichtingenbudget (€ 146,5 miljoen) op dit artikel wordt met name veroorzaakt door een aantal garantieverplichtingen die op dit artikel zijn aangegaan. Deze worden conform begrotingsvoorschriften alleen aan de verplichtingenzijde opgenomen (€ 106,6 miljoen):

  • Er zijn garantieverplichtingen aangegaan voor nog af te sluiten leningen ten behoeve van de verplaatsing van het Testcentrum Lelystad (TCL) van de Dienst Wegverkeer (RDW) (€ 96,6 miljoen). De verplaatsing is enerzijds noodzakelijk om de dienstverlening van de RDW voort te kunnen zetten, anderzijds om de opening van Lelystad Airport mogelijk te maken. Daarnaast zal de RDW vanaf eind 2021 leningen afsluiten bij het ministerie van Financiën via de leenfaciliteit onder het schatkistbankieren om investeringen voor de verplaatsing te financieren. De leningen betreffen € 21,0 miljoen voor de aankoop van grond en € 37,8 miljoen voor investeringen in testfaciliteiten. Middels een garantstellingovereenkomst met het ministerie van Financiën staat het ministerie van IenW hiervoor garant conform de CW2016. Tevens garandeert IenW aan de RDW een minimale verkoopopbrengst (€ 37,8 miljoen) van het huidige TCL-terrein.

  • Een garantstelling aan de RDW voor de verlenging van het rekening-courantkrediet (€ 10,0 miljoen).

Aanvullend zijn Klimaatakkoordmiddelen die in 2020 zijn begroot, niet volledig benut wegens COVID-19 problematiek. Deze middelen zijn doorgeschoven naar 2021 (zie verdere toelichting in de 2e suppletoire begroting 2020) (€ 8 miljoen). Daarnaast is het verplichtingenbudget verhoogd in verband met de aanzuivering van het eigen vermogen van het CBR (zie toelichting hieronder onder 2 Veiligheid) (€ 28,5 miljoen). Tot slot hebben er op andere bijdragen diverse kleinere verplichtingenmutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verhoging van € 3,4 miljoen.

Uitgaven

1 Netwerk

Opdrachten

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 3,7 miljoen verlaagd. Dit komt met name door een herverdeling binnen Wegen en Verkeersveiligheid op de Beleidsondersteuning en -advies (BOA) budgetten om de bedragen in lijn te brengen met het afgesloten protocol 2021 (€ 1,9 miljoen). Daarnaast komt dit door de overboeking van resterende middelen voor Duurzame Mobiliteit van artikelonderdeel 14.01 naar 14.03 (€ 1,8 miljoen).

Bijdragen aan medeoverheden

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 10,2 miljoen verhoogd. Dit komt onder andere door een bijzondere uitkering aan Bonaire: in de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van ten hoogste € 2,87 miljoen aan uitkeringsverplichting voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op een bijzondere uitkering van $ 3,5 miljoen voor het continueren van wegenproject aan het Openbaar Lichaam Bonaire. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 92, tweede lid, onder c, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Verder wordt voor de realisatie van activiteiten in het kader van het Programma Smartwayz € 7,3 miljoen overgeboekt vanuit het Infrastructuurfonds. Dit wordt via een incidentele beschikking aan de provincie Noord-Brabant overgemaakt.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het kasbudget op dit financiële instrument is met € 5,0 miljoen verhoogd. Dit komt met name door een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds ten behoeve van een bijdrage aan de RDW voor het Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (€ 5,0 miljoen).

2 Veiligheid

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 28,5 miljoen verhoogd ten laste van de generale middelen. Dit ten behoeve van de aanzuivering van het eigen vermogen van het CBR. De COVID-19 problematiek trekt een zware wissel op de exploitatie van het CBR. Naast de gevolgen voor de reserveringstermijnen heeft het tijdelijk stilleggen van de dienstverlening in 2020 en 2021 vanwege COVID-19 grote financiële gevolgen voor het CBR, waardoor de vermogenspositie is verslechterd (Kamerstukken II, 2020-2021, 29 398 nr. 858).

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

Opdrachten

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 38,3 miljoen verlaagd. Dit komt met name door de volgende mutaties:

  • Een overboeking naar 14.03.02 vanuit dit artikelonderdeel voor de subsidieregeling Bestel en Vracht (€ 16,5 miljoen). Op grond van de regeling kan subsidie worden verstrekt aan ondernemingen en non-profitinstellingen voor de aanschaf van nieuwe emissieloze bedrijfsauto’s. De regeling is 15 maart 2021 van start gegaan.

  • Overboekingen naar 14.03.02 vanuit dit artikelonderdeel voor de subsidie Demonstratie Klimaat Technologieën en Innovaties in Transport (DKTI 3) ten behoeve van de cofinanciering van Energie en Omgeving en Proeftuinen (€ 8,8 miljoen), en voor een uitbreiding van de regeling met een nieuwe categorie genaamd 'Learning by Using', zodat ondernemers ervaring kunnen opdoen met de techniek en het gebruik in de praktijk. Met deze subsidie kunnen bedrijven investeren in kleinschalige projecten met Zero Emissie voertuigen (€ 3,4 miljoen).

  • Een kasschuif vanuit 2021 naar latere jaren om de klimaatakkoordmiddelen beter aan te laten sluiten op de planning van de bestedingsplannen (€ 9,5 miljoen).

  • Tot slot hebben diverse kleine mutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verlaging van € 0,1 miljoen.

Subsidies

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 26,6 miljoen verhoogd.

  • Dit komt met name door een overboeking (€ 16,5 miljoen) vanuit artikel 14.03.01 naar dit artikelonderdeel voor subsidieregeling Bestel en Vracht, zoals hierboven toegelicht bij opdrachten.

  • Het subsidiebudget is verder verhoogd door overboekingen vanuit artikel 14.03.01 naar dit artikelonderdeel voor de subsidie DKTI-3, zoals hierboven toegelicht (totaal € 12,2 miljoen).

  • Daarnaast zijn de Klimaatakkoordmiddelen die in 2020 zijn begroot voor de Subsidie Elektrische Personenauto's Particulieren (SEPP), niet volledig benut. Dit werd met name veroorzaakt door een hoger aantal aanvragen met een private lease-karakter dan voorzien. Deze aanvragen kennen een ander betaalritme (verspreid over vier jaar) dan particuliere aanvragen (eenmalig bij de aanschaf). De niet benutte middelen uit het jaar 2020 zijn doorgeschoven naar 2021 (€ 4,5 miljoen).

  • Naar verwachting zal het (hoger dan eerder ingeschatte) percentage lease-aanvragen de komende jaren niet veel veranderen. Daarom zijn de middelen voor de SEPP uit 2021 doorgeschoven naar latere jaren. Op deze manier komt het kasritme meer in lijn met de nieuwe subsidieprognose van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (€ 10,0 miljoen).

  • Verder is er een tweede tender opengesteld aan LNG (vloeibaar aardgas) tankstations. Hiervoor is budget overgeboekt vanuit artikel 20 op het Infrastructuurfonds (€ 2,7 miljoen).

  • Ten slotte hebben er op andere bijdragen diverse kleine mutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verhoging van € 0,7 miljoen.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 200.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor ondersteunende activiteiten t.b.v. verduurzamen van zakelijke mobiliteit van werkgevers aan de Coalitie Anders Reizen. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdragen aan agentschappen

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 10,1 miljoen verhoogd. Dit komt met name door de toename van uitvoeringskosten van RVO ten behoeve van de subsidieregelingen voor elektrisch vervoer (€ 7,0 miljoen). Het RVO-budget is verder ook aangevuld voor verschillende andere opdrachten (€ 1,6 miljoen). Ten slotte hebben er op andere bijdragen diverse kleine mutaties plaatsgevonden welke per saldo leiden tot een verhoging van € 1,5 miljoen.

Bijdragen aan medeoverheden

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 14,5 miljoen verhoogd. Dit komt met name door overboekingen vanuit het infrastructuurfonds ten behoeve van de bijdragen volgend uit de regelingen Mobility as a Service, pakket Zeeland (zie vermelding hieronder), gemaakte BO MIRT afspraken, GoedopWeg, en afrekeningen in het kader van 1e tranche Beter Benutten. De bijdragen worden via specifieke uitkeringen aan de regionale partijen overgemaakt (in totaal € 14,5 miljoen).

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 5 miljoen aan verplichtingen voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een uitkering voor Living Labs Smart Mobility aan de provincie Zeeland. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde verlening van een specifieke uitkering betaling(en) als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Financiële-Verhoudingswet jo. artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

3.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

157.393

303.871

‒ 99

110.951

414.723

      

Uitgaven

153.789

208.686

10.353

29.033

248.072

waarvan juridisch verplicht

 

77%

  

81%

      

1 Netwerk

11.996

23.802

8.576

32.928

65.306

Opdrachten

6.406

2.723

9.684

‒ 6.032

6.375

Wegverkeersbeleid

5.217

1.649

6.422

‒ 4.480

3.591

Unit Smart Mobility

0

126

2.853

‒ 1.421

1.558

Overige opdrachten

1.189

948

409

‒ 131

1.226

Subsidies

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

5.590

5.825

‒ 454

4.420

9.791

Bijdrage aan agentschap RWS

5.160

5.386

‒ 454

4.420

9.352

Overige bijdragen aan agentschappen

430

439

0

0

439

Bijdragen aan medeoverheden

0

10.209

‒ 1.224

38.860

47.845

Bijdrage aan Caribisch Nederland

0

2.870

0

8.166

11.036

Regionale bijdrage MIRT

0

7.339

‒ 1.224

30.694

36.809

Overige bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

500

0

500

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

5.045

70

‒ 4.320

795

Overige bijdragen

0

5.045

70

‒ 4.320

795

      

2 Veiligheid

19.051

48.845

‒ 335

2.073

50.583

Opdrachten

5.957

6.549

‒ 556

‒ 616

5.377

Verkeersveiligheid

5.957

6.549

‒ 556

‒ 616

5.377

Subsidies

9.438

9.756

157

632

10.545

Veilig Verkeer Nederland

3.862

3.862

82

‒ 21

3.923

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)

4.046

4.046

85

46

4.177

Overige subsidies

1.530

1.848

‒ 10

607

2.445

Bijdragen aan agentschappen

618

972

0

‒ 93

879

Bijdrage aan agentschap RWS

618

972

0

‒ 93

879

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

30

0

0

30

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

3.038

31.538

64

2.150

33.752

Bijdrage aan CBR

3.038

31.538

‒ 961

1.150

31.727

Bijdrage aan RDW

0

0

1.025

1.000

2.025

      

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

122.742

136.039

2.112

‒ 5.968

132.183

Opdrachten

70.844

32.568

1.243

‒ 7.368

26.443

Beter Benutten

7.719

10.008

426

‒ 278

10.156

Duurzame Mobiliteit

6.982

6.044

‒ 1.700

‒ 2.947

1.397

Verkeersemissies

601

177

3.237

‒ 1.898

1.516

Restant Klimaatakkoordmiddelen

50.481

1.842

‒ 752

‒ 922

168

Overige opdrachten

5.061

14.497

32

‒ 1.323

13.206

Subsidies

40.381

66.952

2.059

‒ 14.950

54.061

Duurzame Mobiliteit

11.250

26.636

2.035

‒ 1.550

27.121

Elektrisch Vervoer

27.900

38.900

0

‒ 13.400

25.500

Overige subsidies

1.231

1.416

24

0

1.440

Bijdragen aan agentschappen

4.511

14.566

3.650

‒ 965

17.251

Bijdrage aan agentschap RWS

1.686

2.994

‒ 466

466

2.994

Bijdrage aan agentschap Nea

2.489

2.489

3.141

‒ 1.725

3.905

Bijdrage aan agentschap RVO

336

9.083

975

294

10.352

Bijdragen aan medeoverheden

6.806

21.329

‒ 4.840

16.467

32.956

Duurzame Mobiliteit

6.806

6.806

160

0

6.966

Mobiliteit en Gebieden

0

14.523

‒ 5.000

16.467

25.990

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

200

200

0

255

455

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

424

0

593

1.017

      

Ontvangsten

6.782

6.782

0

‒ 2.042

4.740

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Tabel 7 Uitsplitsing verplichtingen art. 14 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

153.789

303.871

‒ 99

110.951

414.723

waarvan garantieverplichtingen

0

106.600

0

0

106.600

waarvan overige verplichtingen

153.789

197.271

‒ 99

110.951

308.123

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 110,9 miljoen verhoogd. Hiervan is ‒ € 0,1 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (€ 111 miljoen) worden hieronder toegelicht.

De verhoging van het verplichtingenbudget (€ 110,9 miljoen) op dit artikel wordt met name veroorzaakt door overboekingen vanuit het Infrastructuurfonds naar dit artikel om uitkeringen en betalingen mogelijk te maken. Daarnaast zijn er enkele eenzijdige verplichtingenophogingen verwerkt om de opdrachtverlening mogelijk te maken en t.b.v. de publicatie van een subsidieregeling.

Het betreft met name de volgende mutaties:

  • Overboeking van gereserveerde middelen (€ 27,3 miljoen) op het Infrastructuurfonds naar HXII ten behoeve van de specifieke uitkering Randweg Eindhoven.

  • De overboeking van de gereserveerde middelen op het Infrastructuurfonds naar HXII ten behoeve van de specifieke uitkering KTA A2 Deil-Vught (€ 3,4 miljoen).

  • Overboeking van gereserveerde middelen (€ 8,1 miljoen) vanuit het Infrastructuurfonds naar HXII voor de wegenprojecten (beheer en onderhoud) op Bonaire voor de periode 2020-2023. Deze zullen middels een bijzondere uitkering in één keer naar Bonaire overgemaakt worden.

  • Overboeking van gereserveerde middelen (€ 5 miljoen) uit het Infrastructuurfonds naar HXII voor specifieke uitkeringen in het programma GoedOpWeg aan de provincie Utrecht.

  • Het terugboeken van € 5 miljoen naar artikel 12 op het Infrastructuurfonds als gevolg van vertraging bij de uitzetting van de opdracht Business Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (RDW).

  • In het kader van de regeling Veilig, Doelmatig en Duurzaam is het verplichtingenbudget verhoogd (€ 18,1 miljoen). Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van maatregelen die veiliger, doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur bevorderen. Afspraken zijn hierover gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT. Het betreffen de volgende mutaties:

    • De verhoging van het verplichtingenbudget met € 14,7 miljoen voor de meerjarige specifieke uitkering ten behoeve van digitalisering onderwijsaanpak, deelmobiliteit en logistiek. Hiervoor is € 7 miljoen van gereserveerde middelen in 2021 uit Infrastructuurfonds overgeboekt naar HXII, alsmede een verplichtingophoging gedaan in 2021 van € 7,8 miljoen om in 2021 de volledige verplichting aan te kunnen gaan. De betaling vindt plaats in 2021, 2022 en 2023 vanuit de hiervoor gereserveerde middelen op het Infrastructuurfonds.

    • Aanvullend is er een verplichtingophoging gedaan van € 3,4 miljoen voor de meerjarige specifieke uitkering ten behoeve van de werkgeversaanpak om de volledige verplichting van € 6,8 miljoen aan te kunnen gaan in 2021. De betaling vindt plaats in 2021 en 2022 vanuit de hiervoor gereserveerde middelen op het artikelonderdeel 14.03.

  • Verplichtingenophoging (€ 12,5 miljoen) om de meerjarige opdracht (o.a. onderzoek Emissiereductie bouwlogistiek) aan Connekt vast te leggen. Hiervoor zijn middelen gereserveerd op het Infrastructuurfonds (Kennis- en innovatieprogramma emissiearme bouw en bouwlogistiek).

  • Een verplichtingenophoging voor de publicatie in de Staatscourant van de specifieke uitkering aan de ov-autoriteiten aangaande de Zero Emissie bussen (€ 40 miljoen). De kasuitgaven vinden vanaf 2022 plaats vanuit de hiervoor gereserveerde middelen.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 39,4 miljoen verhoogd. Hiervan is € 10,4 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (€ 29 miljoen) wordt hieronder toegelicht.

1 Netwerk

Opdrachten

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 6 miljoen verlaagd. Dit komt met name door een overboeking van dit artikelonderdeel naar bijdrage aan agentschappen van budget voor Beleidsondersteuning en –advies (BOA) om deze in lijn te brengen met het afgesloten protocol 2021 (€ 4,4 miljoen). Daarnaast zijn er enkele kleinere herschikkingen binnen dit artikel gedaan ten behoeve van o.a. opdrachten DuMo, externe inhuur Smart mobility en dekking van koersverschillen bijzondere uitkeringen.

Bijdrage aan agentschappen

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 4,4 miljoen verhoogd. Dit komt met name door een overboeking van het artikelonderdeel opdrachten naar dit instrument van budget voor Beleidsondersteuning en –advies (BOA) om deze in lijn te brengen met het afgesloten protocol 2021 (€ 4,4 miljoen).

Bijdragen aan medeoverheden

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 38,9 miljoen verhoogd.

Ten eerste door een bijdrage aan Bonaire (€ 8,1 miljoen). In de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is 14.01 (bijdrage medeoverheden) een bedrag van ten hoogste € 8,13 miljoen aan uitkeringsverplichting voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op een bijzondere uitkering voor wegenprojecten (waaronder beheer en onderhoud) aan het Openbaar Lichaam Bonaire. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 92, tweede lid, onder c, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze middelen stonden gereserveerd op het Infrastructuurfonds en zijn overgeboekt naar dit artikel.

Daarnaast is er € 27,3 miljoen overgeboekt van het Infrastructuurfonds naar HXII ten behoeve van de specifieke uitkering Randweg Eindhoven. Ten slotte vindt er een overboeking van het Infrastructuurfonds van € 3,4 miljoen plaats naar HXII ten behoeve van de specifieke uitkering 'Korte termijn aanpak A2 Deil-Vught'.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 4,3 miljoen verlaagd en wordt met name veroorzaakt door een terugboeking van € 5 miljoen naar het Infrastructuurfonds in het kader van het Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (RDW). De middelen waren bij Voorjaarsnota van het Infrastructuurfonds overgeboekt naar HXII. Nu er vertraging is opgelopen in het verlenen van de opdracht wordt het budget weer teruggeboekt naar Infrastructuurfonds. Mocht blijken dat de bijdrage aan de RDW gedaan kan worden zullen de middelen weer worden overgeboekt naar HXII.

2 Veiligheid

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 2,1 miljoen verhoogd. Dit komt met name door een aanvullende bijdrage aan het CBR (€ 2 miljoen) voor o.a. het proefjaar betekenen en het traject rondom verbeteren van de beleidscommunicatie en een aanvullende bijdrage aan de RDW (€ 1 miljoen) voor het implementeren van een Europese richtlijnen. Daar tegenover staat een verlaging van de bijdrage aan het CBR van € 0,9 miljoen. De tekorten als gevolg van de coronacrisis konden sneller worden ingelopen dan verwacht. Omdat hiervoor generale compensatie is gegeven, vallen de middelen nu vrij.

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

Opdrachten

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 7,4 miljoen verlaagd. Dit komt door met name door:

  • Overboeking van € 3,4 miljoen in 2021 van instrument opdrachten naar het financieel instrument bijdrage aan medeoverheden ten behoeve van specifieke uitkering voor werkgeversaanpak in de regeling Veilig, Doelmatig en Duurzaam. Afspraken zijn hierover gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT.

  • Lagere uitgaven die samenhangen met het Klimaatakkoord (€ 2,2 miljoen). Door externe factoren (wereldwijde chiptekort als gevolg van de coronacrisis) zijn subsidieregelingen Elektrische Personenauto’s Particulieren (SEPP) en subsidieregeling Emissieloze Bedrijfsauto’s (SEBA) vertraagd. Opdrachten die met name hiermee samenhangen zijn daardoor ook vertraagd.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel staat op 14.03 (opdrachten) een bedrag van € 44.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2021. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor de Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling aan de Technische Universiteit Delft. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Subsidies

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 15 miljoen verlaagd. Dit wordt met name veroorzaakt door:

  • Lagere kasuitgaven voor de subsidie elektrische bestelauto's (€ 11,8 miljoen). De reden hiervoor is het wereldwijde chiptekort (als gevolg van de coronacrisis) dat voor leveringsproblemen van nieuwe voertuigen leidt, waardoor betaling van de subsidie later plaatsvindt (betaling na levering). Ten tweede hebben ondernemers nog een afwachtende houding om te investeren in nieuwe voertuigen als gevolg van de sluimerende coronacrisis waardoor de aanvragen op de regeling beperkt blijven.

  • Lagere kasuitgaven voor de subsidie elektrische personenauto's (€ 1,6 miljoen). Vaker dan gedacht vindt de aanschaf van een elektrisch vervoersmiddel plaats door een leaseconstructie. Het huidige kasritme is gebaseerd op koop, waarbij de subsidie in een keer wordt gegeven. Bij lease is er sprake van maandelijke termijnen over een periode van vier jaar. Dit vraagt om een ander kasritme en leidt in 2021 tot een onderbesteding van € 1,6 miljoen.

Bijdragen aan medeoverheden

Het kasbudget op dit financiele instrument is in 2021 met € 16,5 miljoen verhoogd. Dit wordt met name veroorzaakt door:

  • Overboeking van gereserveerde middelen (€ 5 miljoen) van het Infrastructuurfonds naar HXII voor specifieke uitkeringen in het programma GoedOpWeg aan de provincie Utrecht.

  • Overboeking van gereserveerde middelen (€ 7 miljoen) van het Infrastructuurfonds naar HXII ten behoeve van de specifieke uitkering aan diverse medeoverheden voor digitalisering, onderwijsaanpak, deelmobiliteit en logistiek in het kader van Veilig, Doelmatig en Duurzaam. Afspraken zijn hierover gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT.

  • Overboeking van € 3,4 miljoen in 2021 van instrument opdrachten naar het financieel instrument bijdrage aan medeoverheden ten behoeve van specifieke uitkering aan diverse medeoverheden voor werkgeversaanpak in de regeling Veilig, Doelmatig en Duurzaam. Afspraken zijn hierover gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT.

Ontvangsten

Het kasbudget op dit financiële instrument wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 2 miljoen verlaagd. Hiervan is € 0 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (-€ 2 miljoen) wordt hieronder toegelicht.

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 2 miljoen verlaagd. Dit wordt met name veroorzaakt door de ontvangsten vanuit de Stichting Buisleidingstraat die zijn lager zijn dan geraamd. Om deze lagere ontvangsten op te vangen, wordt de reservering die hiervoor op het Infrastructuurfonds staat aangewend.

3.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

Op dit artikel worden in 2021 geen slotverschillen opgenomen.

3.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)

16 Openbaar Vervoer en Spoor

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

29.606

1.480.000

1.509.606

287.313

1.796.919

8.121

5.852

161

1.188

          

Uitgaven

28.309

1.480.000

1.508.309

531.060

2.039.369

7.925

5.999

888

938

Waarvan juridisch verplicht

93%

   

13%

    
          

16.01 OV en Spoor

28.309

0

28.309

10.322

38.631

7.925

5.999

888

938

Opdrachten

5.426

0

5.426

1.747

7.173

911

1.023

323

473

OV & Stations

1.426

0

1.426

384

1.810

178

215

215

‒ 1.431

ACM

1.550

0

1.550

185

1.735

185

185

185

1.831

Aansturing NS en ProRail

228

0

228

1.185

1.413

566

623

‒ 77

73

Overige opdrachten

2.222

0

2.222

‒ 7

2.215

‒ 18

0

0

0

Subsidies

19.483

0

19.483

3.791

23.274

1.691

1.464

0

0

3e spoor Duitsland

2.938

0

2.938

‒ 270

2.668

‒ 362

497

0

0

Maatregelenpakket spoorgoederenvervoer

15.161

0

15.161

395

15.556

362

‒ 497

0

0

NS IC Dordrecht-Breda

0

0

0

1.460

1.460

0

0

0

0

Overige subsidies

1.384

0

1.384

2.206

3.590

1.691

1.464

0

0

Bijdrage aan agentschappen

869

0

869

0

869

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan KNMI

46

0

46

0

46

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan ILT

823

0

823

0

823

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

2.429

0

2.429

4.784

7.213

5.323

3.512

565

465

CLU Betuwe en HSL

2.429

0

2.429

470

2.899

565

565

565

465

Bijdrage medeoverheden OVS

0

0

0

4.314

4.314

4.758

2.947

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

102

0

102

0

102

0

0

0

0

Overige bijdragen aan (inter)nationale organisaties

102

0

102

0

102

0

0

0

0

          

16.02 Maatregelenpakket OVS

0

1.480.000

1.480.000

520.738

2.000.738

0

0

0

0

Subsidies

0

1.480.000

1.480.000

520.738

2.000.738

0

0

0

0

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

0

1.480.000

1.480.000

520.738

2.000.738

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

          
Toelichting

Verplichtingen

De verhoging van het verplichtingenbudget met € 287,3 miljoen is voornamelijk het gevolg van het doorschuiven van niet gerealiseerde verplichtingen in 2020 (€ 270,5 miljoen) en een ADR-correctie van € 8,9 miljoen in 2020. Daarnaast zijn er voor € 10,2 miljoen verplichtingen aangegaan ten behoeve van diverse projecten. Deze verplichtingen worden toegelicht onder de uitgaven op 16.01.

Uitgaven

1 OV en Spoor

Opdrachten

De verhoging van het opdrachtenbudget met € 1,7 miljoen is voornamelijk het gevolg van een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds naar Hoofdstuk XII ten behoeve van uitgaven van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid/A16/A4 en uitgaven aan nog resterende onderzoeken en evaluaties (€ 1,7 miljoen).

Subsidies

De verhoging van het subsidiebudget met € 3,8 miljoen is voornamelijk het gevolg van overboekingen tussen het Infrastructuurfonds en Hoofdstuk XII ten behoeve van de NS Intercity (IC) Dordrecht-Breda (€ 1,5 miljoen) en het exploitatietekort op de nachttrein Wenen-Amsterdam (€ 2,2 miljoen).

Bijdrage aan medeoverheden

De verhoging van dit artikelonderdeel met € 4,8 miljoen wordt voornamelijk veroorzaakt door een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds naar Hoofdstuk XII ten behoeve van een specifieke uitkering aan de provincie Groningen inzake Wunderline. De specifieke uitkering is volledig vastgelegd in 2020 en wordt tot en met 2024 uitbetaald voor een totaalbedrag van € 13,7 miljoen euro waarvan € 4,3 miljoen in 2021 wordt uitbetaald. Daarnaast is € 0,5 miljoen overgeboekt vanuit het opdrachtenbudget naar dit artikelonderdeel ten behoeve van betalingen van het schadeschap HSL-Zuid/A16/A4.

2 Maatregelenpakket OV-sector

Subsidies

Het subsidiepakket voor de Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector is met € 520,7 miljoen verhoogd. Dit is voornamelijk het gevolg van een bedrag van € 521,2 miljoen dat niet tot betaling is gekomen in 2020 en via een plafondcorrectie is doorgeschoven naar 2021. Dit betreft het deel van de regeling waarvoor al verplichtingen zijn aangegaan en achteraf nog verrekend en uitgekeerd wordt. Daarnaast is € 0,5 miljoen overgeheveld vanuit het subsidiepakket Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector naar het opdrachtenbudget artikel 16 en apparaatbudget voor externe inhuur.

3.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

1.509.606

1.796.919

20.335

‒ 330.379

1.486.875

      

Uitgaven

1.508.309

2.039.369

17.305

‒ 597.568

1.459.106

waarvan juridisch verplicht

 

13%

  

95%

      

1 Spoor

28.309

38.631

17.905

55.432

111.968

Opdrachten

5.426

7.173

1.441

‒ 2.285

6.329

Overige Opdrachten

2.222

2.215

435

‒ 339

2.311

Stations

1.426

1.810

‒ 36

139

1.913

Aanst.NS & Prorail

228

1.413

1.042

‒ 350

2.105

ACM

1.550

1.735

0

‒ 1.735

0

Subsidies

19.483

23.274

4.386

‒ 2.789

24.871

Overige subsidies

506

2.681

5

72

2.758

3e spoor Duitsland

2.938

2.668

193

‒ 2.854

7

Subsidie Consumentenorganisaties OV

878

909

220

‒ 76

1.053

NS IC DordrechtBreda

0

1.460

0

0

1.460

Maatregelenpakket Spoorgoederenvervoer

15.161

15.556

2.968

‒ 43

18.481

Subsidie modal shift

0

0

1.000

112

1.112

Bijdragen agentschappen

869

869

30

0

899

Bijdrage aan agentschap RWS

46

46

1

0

47

Bijdrage aan agentschap KNMI

823

823

0

0

823

overige bijdragen aan agentschappen

0

0

29

0

29

Bijdragen aan medeoverheden

2.429

7.213

12.048

60.535

79.796

Overige bijdragen aan medeoverheden

2.429

2.899

‒ 422

56

2.533

bijdragen medeoverheden OVS

0

4.314

12.470

60.479

77.263

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

102

102

0

‒ 29

73

      

2 Maatregelenpakket OVS

1.480.000

2.000.738

‒ 600

‒ 653.000

1.347.138

Subsidies

1.480.000

2.000.738

‒ 600

‒ 653.000

1.347.138

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

1.480.000

2.000.738

‒ 600

‒ 653.000

1.347.138

      

Ontvangsten

0

0

0

0

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij de 2e suppletoire begroting met totaal € 310 miljoen verlaagd. Hiervan is € 20,3 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutatities 2e suppletoire begroting (- € 330,4 miljoen) worden hieronder toegelicht:

De grootste mutatie zit op de BVOV (- € 383 miljoen) en de opboeking omtrent de bijdragen medeoverheden zoals toegelicht bij het uitgavenbudget (€ 60,5 miljoen). Daarnaast is er de overheveling van derde spoor Duitsland terug naar het Infrastructuurfonds (- €2,9 miljoen), de VP schuif naar 2022 en 2023 voor derde spoor Duitsland (- € 4,0 miljoen) en kleinere interne herschikkingen.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 580,3 miljoen verlaagd. Hiervan is € 17,3 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (- € 597,6 miljoen) wordt hieronder toegelicht

1 Spoor

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget ( ‒ € 2,3 miljoen) wordt voornamelijk veroorzaakt door een overboeking naar de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM voert voor IenW opdrachten uit op het gebied van spoor ( ‒ € 1,7 miljoen). Daarnaast vindt er een overboeking plaats naar de ILT (- € 0,3 miljoen) voor de compensatie voor de Kiwa en een som van kleinere interne herschikkingen (-€ 0,3 miljoen).

Subsidies

De verlaging van het subsidiebudget (- € 2,8 miljoen) wordt voornamelijk veroorzaakt door een overboeking naar het Infrastructuurfonds artikel 14, betreffende de middelen die begroot waren voor de subsidieregeling Derde Spoor Duitsland (- € 2,9 miljoen) en een aantal kleinere interne budget herschikkingen(€ 0,1 miljoen).

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid is een bedrag van € 49.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor het project Reuzenarbeid, een reizende tentoonstelling door Nederland met het beleidsdoel mobiliteit. De tentoonstelling brengt de bouw van het moderne Nederland (1861-1918) in beeld op ongeveer 50 locaties in Nederland. De overkoepelende beleidsdoelen zijn o.a. klimaatadaptie, landbouwhervorming, het tegengaan van afname van biodiversiteit en de energietransitie. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht

Bijdragen aan medeoverheden

De verhoging van de bijdragen aan medeoverheden (€ 60,5 miljoen) wordt voornamelijk veroorzaakt door diverse decentrale uitkeringen aan provincies die in 2021 zijn terug gestort omdat ze niet meer voldoen aan de voorwaarden van de decentrale uitkering (€ 22,8 miljoen). Deze zullen nu in 2021 als specifieke uitkering worden verstrekt.

Daarnaast worden specifieke uitkeringen uitgekeerd aan de provincie Brabant ten behoeve van HOV Eindhoven (€ 13 miljoen), de provincie Limburg ten behoeve van Heerlen-Landgraaf (€ 11,7 miljoen), de gemeente Nijmegen Heyendaal conform de BO MIRT afspraak (€ 6,5 miljoen), de provincie Utrecht ten behoeve van de fietsbrug over A12 (€ 5,3 miljoen) en een aantal kleinere overboekingen (€ 1,2 miljoen).

2 Maatregelenpakket OV-sector

Subsidies

Dit artikelonderdeel BVOV wordt in totaal verlaagd met € 653 miljoen. Dit is als volgt opgebouwd.

Regeling 2020

Voor de regeling is in 2020 in totaal € 1.488 miljoen beschikbaar gekomen. In dat jaar is er een eerste voorschot van 80% verstrekt. Nu wordt op basis van de verantwoordingen het tweede voorschot van 20% uitgekeerd. De definitieve vaststelling gebeurt volgend jaar op basis van SiSa, maar zal naar verwachting niet veel afwijken van de huidige cijfers.

Voor de NS HRN concessie is er sprake van een afrekening. Er moet nog ca. € 190 miljoen worden betaald. Het streven is om dit nog in 2021 te betalen.

Het voorziene overschot op de regeling bedraagt € 243 miljoen en valt vrij.

Regeling 2021

De middelen voor de regeling 2021 bedragen € 1.480 miljoen. Op basis van de huidige aanvragen voor het eerste voorschot van 80% wordt voorzien dat op kasbasis € 1.070 miljoen wordt uitgegeven. Ongeveer € 270 miljoen van de regeling voor 2021 schuift op kasbasis door naar volgend jaar. Hierover bent u geïnformeerd door middel van een nota van wijziging op de ontwerp-begroting 2022 (Kamerstukken II, 35 925, nr. 14).

Op grond van het huidig beschikt bedrag van in totaal € 1.338 miljoen zal het overschot van € 140 miljoen op de regeling 2021 dit jaar vrijvallen.

3.5 Artikel 17 Luchtvaart

Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid art.17 (bedragen x € 1.000)

17 Luchtvaart

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Verplichtingen

24.515

0

24.515

127.507

152.022

‒ 681

‒ 275

‒ 27

‒ 27

          

Uitgaven

27.081

1.000

28.081

1.081

29.162

‒ 1.941

‒ 275

‒ 27

‒ 27

Waarvan juridisch verplicht

72%

   

61%

    
          

1 Luchtvaart

27.081

1.000

28.081

1.081

29.162

‒ 1.941

‒ 275

‒ 27

‒ 27

Opdrachten

12.302

‒ 1.700

10.602

2.863

13.465

‒ 198

‒ 486

‒ 238

‒ 191

Opdrachten GIS

1.178

0

1.178

‒ 332

846

‒ 432

‒ 432

‒ 432

0

Caribisch Nederland

457

0

457

733

1.190

133

‒ 7

‒ 7

‒ 7

Overige Opdrachten

10.667

‒ 1.700

8.967

2.462

11.429

101

‒ 47

201

‒ 184

Subsidies

6.723

0

6.723

‒ 1.084

5.639

‒ 3

111

111

64

Subsidies klimaatbeleid

3.300

0

3.300

‒ 1.000

2.300

‒ 114

0

0

0

Subsidie tarieven Bonaire

425

0

425

0

425

0

0

0

0

Subsidie omploegen graan

1.835

0

1.835

‒ 200

1.635

0

0

0

0

Overige subsidies

1.163

0

1.163

116

1.279

111

111

111

64

Bijdrage aan agentschappen

6.477

0

6.477

‒ 766

5.711

‒ 140

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

14

0

14

0

14

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

460

0

460

‒ 75

385

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS tbv Caribisch Nederland

6.003

0

6.003

‒ 740

5.263

‒ 140

0

0

0

Overige bijdrage aan agentschappen

0

0

0

49

49

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

1.479

0

1.479

0

1.479

0

0

0

0

Waarvan bijdrage International Civil Aviation Organization

1.311

0

1.311

0

1.311

0

0

0

0

Waarvan overige bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

168

0

168

0

168

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

100

0

100

68

168

100

100

100

100

Leningen

0

2.700

2.700

0

2.700

‒ 1.700

0

0

0

Ontvangsten

1.280

0

1.280

577

1.857

2.879

0

0

0

Tabel 11 Uitsplitsing verplichtingen art.17 (bedragen x € 1.000)

17 Luchtvaart

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Verplichtingen

24.515

0

24.515

127.507

152.022

‒ 681

‒ 275

‒ 27

‒ 27

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

127.900

127.900

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

24.515

0

24.515

‒ 393

24.122

‒ 681

‒ 275

‒ 27

‒ 27

Toelichting

Verplichtingen

De verhoging van het verplichtingenbudget met € 127,5 miljoen is met name het gevolg van het aangaan van garantieverplichtingen.

Er zijn meerdere garantieverplichtingen aangegaan:

  • Door het beperkte verkeersvolume in 2021 komt de financiering van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) verder onder druk te staan. Deze wordt grotendeels betaald uit de heffingen die de luchtvaartmaatschappijen betalen die het Nederlandse luchtruim gebruiken. Door het nog altijd beduidend lagere

    aantal vluchten als gevolg van Corona ontstaat een liquiditeitsprobleem bij LVNL. Hiervoor is een verdere verhoging van het rekening courant krediet met € 110 miljoen nodig (van € 165 miljoen naar € 275 miljoen) om dit jaar de liquiditeit te waarborgen. Met dit rekening courant krediet worden ook de Nederlandse contributies aan EUROCONTROL en het Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC) voor 2021 gegarandeerd. IenW stelt zich garant. Dit is op 15 februari 2021 aan de Tweede Kamer gemeld (Tweede Kamerstukken II 2021-2022, 31936, nr. 842).

  • Hiernaast staat IenW garant voor een tweetal leningen (€ 10,2 en € 7,7) miljoen voor noodzakelijke investeringen in de infrastructuur waarmee efficiëntere capaciteitsbenutting wordt geborgd.

Overige kleinere verplichtingenmutaties die samenhangen met mutaties op het uitgavenbudget verklaren het resterende verschil (€ -0,4 miljoen).

Uitgaven

1 Luchtvaart

Opdrachten

De verhoging van het opdrachtenbudget met € 2,9 miljoen is met name het gevolg van:

  • Een overboeking van het leningenbudget naar het opdrachtenbudget. Dit voorjaar is een hypothecaire lening aan Winair verstrekt. Zoals aangekondigd in een brief aan de Staten-Generaal op 31 december 2020 (Kamerstukken II, 2020-2021, 31936 nr. 830) wordt met het verstrekken van deze lening de interinsulaire connectiviteit op de korte termijn gewaarborgd (€ 2,7 miljoen). Deze lening is deels (€ 1,7 miljoen) tijdelijk gefinancieerd uit het opdrachtenbudget. Het opdrachtenbudget voor 2021 wordt bij de voorjaarsnota aangevuld met de geraamde ontvangsten voor de lening in 2022. Hiermee kunnen in 2021 de geraamde opdrachten verstrekt worden.

  • Een overboeking van het subidiebudget voor aanbestedingsopdrachten met betrekking tot klimaat en het actieprogramma Hybride Elektrisch Vliegen (€ 0,5 miljoen).

  • Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil (€ 0,7 miljoen).

Subsidies

De verlaging van het subsidiebudget met € 1,1 miljoen is met name het gevolg van:

  • Overboekingen naar het opdrachtenbudget voor aanbestedingsopdrachten met betrekking tot klimaat en het actieprogramma Hybride Elektrisch Vliegen (- € 0,5 miljoen). Voor dit actieprogramma wordt ook € 0,5 miljoen overgeboekt naar artikel 14 op deze begroting.

  • Een overboeking van overige opdrachten naar overige subsidies (€ 70.000). IenW stelt in 2021 een subsidie van maximaal € 70.000 beschikbaar aan het LEO. Het Luchthaven Eindhoven Overleg (LEO) is een breed overlegplatform dat is opgericht voor onbepaalde tijd met als doel onder andere het zoeken naar kansrijke verbindingen tussen de luchthaven Eindhoven en haar omgeving en het samen overbruggen van eventuele tegenstellingen. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

  • Ook vindt er een overboeking (€ 50.000) plaats van overige opdrachten naar overige subsidies ten behoeve van de subsidie aan de stichting Advisering Bewonersvertegenwoordigers Regionale Luchthavens (Stichting ABReL). De stichting ABReL ondersteunt de bewonersvertegenwoordigers bij het adequaat en professioneel invullen hun werkzaamheden. Deze subsidie heeft tot doel de professionalisering van de inbreng van bewonersvertegenwoordigers in het debat rond regionale luchthavens. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

3.5 Artikel 17 Luchtvaart

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 17 Luchtvaart (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

24.515

152.022

52.445

‒ 2.679

201.788

      

Uitgaven

28.081

29.162

2.559

‒ 3.568

28.153

waarvan juridisch verplicht

 

61%

  

81%

      

1. Luchtvaart

28.081

29.162

2.559

‒ 3.568

28.153

Opdrachten

10.602

13.465

1.835

‒ 4.561

10.739

Opdrachten GIS

1.178

846

22

‒ 314

554

Opdrachten Caribisch Nederland

457

1.190

1

31

1.222

Overige opdrachten

8.967

11.429

1.812

‒ 4.278

8.963

Subsidies

6.723

5.639

25

‒ 49

5.615

Subsidies Klimaatbeleid

3.300

2.300

12

‒ 12

2.300

Subsidie tarieven Bonaire

425

425

2

‒ 1

426

Subsidie omploegen graan

1.835

1.635

5

‒ 55

1.585

Overige Subsidies

1.163

1.279

6

19

1.304

Bijdragen aan agentschappen

6.477

5.711

684

48

6.443

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

14

14

0

0

14

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

460

385

110

23

518

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS tbv Caribisch Nederland

6.003

5.263

574

‒ 31

5.806

Overige bijdragen aan agentschappen

0

49

0

56

105

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.479

1.479

0

‒ 25

1.454

Waarvan bijdrage International Civil Aviation Organization

1.311

1.311

0

‒ 25

1.286

Waarvan overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

168

168

0

0

168

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

100

168

15

1.270

1.453

Leningen

2.700

2.700

0

‒ 251

2.449

      

Ontvangsten

1.280

1.857

442

‒ 20

2.279

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Tabel 10 Uitsplitsing verplichtingen art. 17 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

24.515

152.022

52.445

‒ 2.679

201.788

waarvan garantieverplichtingen

0

127.900

49.800

0

177.700

waarvan overige verplichtingen

24.515

24.122

2.645

‒ 2.679

24.088

Toelichting

Verplichtingen

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt € 49,8 miljoen. Hiervan is € 52,5 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 2,7 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

De verlaging van het verplichtingenbudget met € 2,7 miljoen is met name het gevolg van verlaging van het opdrachtenbudget: een meevaller op het programma geluidsisolatie Schiphol (€ 0,3 miljoen), een bijdrage aan EZK t.b.v. de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (€ 0,4 miljoen), overboekingen naar artikel 19 Uitvoering milieubeleid en internationaal t.b.v. RIVM-opdrachten (€ 0,6 miljoen) en artikel 98 t.b.v. detachering en inhuur (€ 0,3 miljoen), en een verplichtingenschuif naar Bijdragen aan ZBO's/RWT's t.b.v. een bijdrage aan de RDW van circa € 0,9 miljoen. Ten slotte vindt een verplichtingenverlaging plaats voor subsidie duurzame brandstoffen die niet meer in 2021 wordt aangegaan (€ 0,6 miljoen), omdat de subsidie door de Europese Commissie getoetst moet worden op staatssteun.

Uitgaven

1. Luchtvaart

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt ‒ € 1 miljoen. Hiervan is € 2,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 3,6 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

Opdrachten

Per saldo valt het opdrachtenbudget lager uit met circa € 4,6 miljoen. Er wordt € 0,4 miljoen overgeboekt naar het ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor de toezicht kosten op de luchtvaartsector door de Autoriteit Consument en Markt. Er zijn ook diverse overboekingen binnen artikel 17 van ongeveer € 0,9 miljoen (grotendeels naar Bijdragen aan ZBO's/RWT's voor realisatie van fase II van de registraties voor de onbemande luchtvaart door RDW). Daarnaast vinden er een aantal overboekingen plaats naar andere artikelen van de IenW-begroting ter waarde van € 1,4 miljoen. De grootste betreft overboekingen naar artikel 19 Uitvoering milieubeleid en internationaal voor werkzaamheden ten behoeve van de programmatische aanpak meten vliegtuiggeluid (PAMV) (€ 0,5 miljoen). Daarnaast vinden enkele overboekingen plaats naar artikel 98 (apparaat) ter waarde van € 0,6 miljoen. Ten slotte zijn er diverse overschotten op het opdrachtenbudget ter waarde van € 1,5 miljoen. Deze zijn voornamelijk het gevolg van het aangaan van verplichtingen in latere jaren (ca. € 1,1 miljoen). Daarnaast zijn er meevallers op het GIS-budget (€ 0,3 miljoen) en minder verwachte betalingen nadeelcompensatie Lelystad (€ 0,1 miljoen).

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Er zijn middelen overgeboekt van Opdrachten naar Bijdragen aan ZBO's/RWT's. Het betreft in totaal € 0,9 miljoen voor realisatie van fase II van de registraties voor de onbemande luchtvaart door RDW. RDW is aangewezen autoriteit op basis van de EU uitvoeringsverordening 2019/947 en levert de diensten voor registratie van exploitanten, de afgifte van vliegbewijzen in de open categorie en is verantwoordelijk voor de (inter)nationale gegevensverstrekking. Daarnaast zijn middelen toegevoegd voor een bijdrage aan LVNL voor het programma open overheid (€ 0,3 miljoen).

Uitgaven

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt € 0,4 miljoen. Dit is verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht.

3.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Tabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid art.18 (bedragen x € 1.000)

18 Scheepvaart en Havens

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Verplichtingen

20.187

0

20.187

15.526

35.713

3.795

955

‒ 885

17

          

Uitgaven

21.087

0

21.087

22.303

43.390

10.515

7.515

‒ 885

17

Waarvan juridisch verplicht

92%

   

40%

    
          

1 Scheepvaart en havens

21.087

0

21.087

22.303

43.390

10.515

7.515

‒ 885

17

Opdrachten

6.070

0

6.070

12.335

18.405

4.418

6.418

‒ 982

‒ 80

Caribisch Nederland

100

0

100

0

100

0

0

0

0

Topsector logistiek

425

0

425

7.112

7.537

6.400

6.400

0

0

Overige Opdrachten

5.545

0

5.545

5.223

10.768

‒ 1.982

18

‒ 982

‒ 80

Subsidies

12.000

0

12.000

9.580

21.580

6.080

1.080

80

80

Verduurzaming binnenvaart

12.000

0

12.000

5.500

17.500

6.000

1.000

0

0

Stimulering elektrisch varen

0

0

0

4.000

4.000

0

0

0

0

Overige subsidies

0

0

0

80

80

80

80

80

80

Bijdrage aan agentschappen

1.454

 

1.454

371

1.825

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.454

0

1.454

‒ 96

1.358

0

0

0

0

Overige bijdragen aan agentschappen

0

0

0

467

467

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

 

0

0

0

0

0

Waarvan bijdrage Caribisch Nederland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Waarvan overige bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

1.563

0

1.563

17

1.580

17

17

17

17

Waarvan bijdrage aan CCR/IMO (HGIS)

1.064

0

1.064

17

1.081

17

17

17

17

Waarvan overige bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

499

0

499

0

499

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

967

967

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verhoging van het verplichtingenbudget met € 15,5 miljoen is met name het gevolg van vier overboekingen vanuit het Infrastructuurfonds voor stimulering modal shift van weg naar water (€ 4,0 miljoen), voor opdrachten Topsector Logistiek (€ 0,7 miljoen), voor uitvoering van de Digitale Transport strategie (€ 0,9 miljoen) en voor de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,9 miljoen). Daarnaast is door vertraging van de subsidieregeling duurzame binnenvaartmotoren (€ 1,0 miljoen) en door vertraging van de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,0 miljoen) budget meegenomen van 2020 naar 2021.

Uitgaven

1 Scheepvaart en havens

Opdrachten

De verhoging van het opdrachtenbudget met € 12,3 miljoen is met name het gevolg van drie overboekingen vanuit het Infrastructuurfonds voor stimulering modal shift van weg naar water (€ 4,0 miljoen), voor opdrachten Topsector Logistiek (€ 7,1 miljoen) en voor uitvoering van de Digitale Transport strategie (€ 0,9 miljoen). Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil (€ 0,3 miljoen).

Subsidies

De verhoging van het subsidiebudget met € 9,6 miljoen is het gevolg van een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,9 miljoen), een overboeking van het instrument opdrachten voor de subsidieregeling duurzame binnenvaartmotoren (€ 1,0 miljoen) en een overboeking van het instrument opdrachten voor een bedrag van € 0,4 miljoen aan incidentele subsidieverplichtingen voor de periode 2021 t/m 2025. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de voortzetting van de Basisvisierecreatietoervaartnet (BRTN) aan Stichting Waterrecreatie Nederland. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht. Daarnaast is door vertraging van de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,0 miljoen) buiten de eindejaarsmarge om meegenomen naar 2021. Overige kleinere mutaties verklaren het resterende verschil (-€ 0,7 miljoen).

3.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 18 Scheepvaart en Havens (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

20.187

35.713

10.115

‒ 1.772

44.056

      

Uitgaven

21.087

43.390

5.771

‒ 11.546

37.615

waarvan juridisch verplicht

 

40%

  

100%

      

1. Scheepvaart en Havens

21.087

43.390

5.771

‒ 11.546

37.615

Opdrachten

6.070

18.405

1.736

‒ 3.564

16.577

Caribisch Nederland

100

100

0

‒ 34

66

Opdrachten Zeehavens

2.026

5.990

78

‒ 2.983

3.085

Opdrachten Topsector Logistiek

425

7.537

2.082

0

9.619

Overige Opdrachten

3.519

4.778

‒ 424

‒ 547

3.807

Subsidies

12.000

21.580

4.000

‒ 8.017

17.563

Verduurzaming binnenvaart

12.000

17.500

4.000

‒ 10.600

10.900

Stimulering elektrisch varen

0

4.000

0

0

4.000

Overige Subsidies

0

80

0

2.583

2.663

Bijdragen aan agentschappen

1.454

1.825

34

0

1.859

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.454

1.358

34

0

1.392

Overige bijdragen aan agentschappen

0

467

0

0

467

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

34

34

Waarvan bijdrage Caribisch Nederland

0

0

0

34

34

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.563

1.580

1

1

1.582

Waarvan bijdrage aan CCR/IMO (HGIS)

1.064

1.081

0

0

1.081

Overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

499

499

1

1

501

      

Ontvangsten

0

967

0

‒ 292

675

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt € 8,3 miljoen. Hiervan is € 10,1 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 1,8 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

De verlaging van het verplichtingenbudget met € 1,8 miljoen is het gevolg van een overboeking naar EZK voor bijdragen aan vervoerkamer ACM en MARIN (€ 0,4 miljoen), een overboeking naar ILT voor KIWA-tarieven (€ 0,2 miljoen), een overboeking naar artikel 98 (€ 0,4 miljoen), een verplichtingenschuif van 2021 naar latere jaren (€ 0,5 miljoen) en enkele verplichtingencorrecties (€ 0,3 miljoen).

Uitgaven

1 Scheepvaart en havens

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt ‒ € 5,8 miljoen. Hiervan is € 5,8 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 11,6 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget met € 3,6 miljoen is met name het gevolg van overboekingen naar het instrument subsidies voor de tijdelijke subsidieregeling stimulering Modal Shift van weg naar water (€ 1,9 miljoen), een innovatiesubsidie walstroom uit te voeren door het Havenbedrijf Rotterdam (€ 0,5 miljoen) en een subsidie aan de Nederlandse Zeevarenden Centrale voor zeemanshuizen (€ 0,2 miljoen). Daarnaast vinden diverse overboekingen plaats. Er wordt € 0,4 miljoen overgebroekt naar EZK bijdragen aan vervoerkamer ACM en MARIN. Verder vindt er een overboeking plaats naar ILT voor KIWA-tarieven (€ 0,2 miljoen). Ten slotte wordt € 0,4 miljoen overgeboekt naar artikel 98 uit de opdrachtenbudgetten voor zeehavens en zeevaart.

Subsidies

De verlaging van het subsidiebudget met € 8 miljoen is met name het gevolg van lagere realisatie van de tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021-2025 op het deel SCR katalysatoren (stikstof) at € 10,6 miljoen. Er was minder vraag naar deze subsidie dan voorzien. De opzet van de regeling zal worden bezien. Ten slotte zorgen de overige subsidies (€ 2,6 miljoen) voor een ophoging van het budget.

3.7 Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid art.19 (bedragen x € 1.000)

19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

45.279

543

45.822

17.916

63.738

‒ 4.224

1.481

981

481

          

Uitgaven

46.205

543

46.748

20.657

67.405

‒ 4.223

1.482

982

482

Waarvan juridisch verplicht

96%

   

81%

    
          

2 Internationaal beleid coördinatie en samenwerking

46.205

543

46.748

20.657

67.405

‒ 4.223

1.482

982

482

Opdrachten

5.870

0

5.870

6.445

12.315

‒ 5.723

‒ 18

‒ 18

‒ 18

Waarvan uitvoering HGIS

1.083

0

1.083

930

2.013

0

0

0

0

Waarvan uitvoering niet-HGIS

1.818

0

1.818

3.342

5.160

‒ 23

‒ 18

‒ 18

‒ 18

Waarvan DGMI brede projecten

947

0

947

220

1.167

‒ 1.400

0

0

0

Waarvan DGMI Alg. Opdrachten

2.022

0

2.022

1.858

3.880

‒ 4.300

0

0

0

Waarvan overige opdrachten

0

0

0

95

95

0

0

0

0

Subsidies

251

0

251

0

251

0

0

0

0

Interreg

245

0

245

0

245

0

0

0

0

Overige subsidies

6

0

6

0

6

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

35.615

543

36.158

14.242

50.400

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RIVM

24.104

0

24.104

6.694

30.798

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RIVM (programma)

3.992

0

3.992

3.078

7.070

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RVO

7.264

543

7.807

2.000

9.807

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RVO (programma)

113

0

113

2.214

2.327

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RWS

142

0

142

256

398

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.469

0

2.469

320

2.789

0

0

0

0

Bijdragen HGIS

2.469

0

2.469

320

2.789

0

0

0

0

Bekostiging

2.000

0

2.000

‒ 350

1.650

1.500

1.500

1.000

500

Bekostiging Global Center on Adaptation

2.000

0

2.000

‒ 350

1.650

1.500

1.500

1.000

500

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget op artikel 19 is per saldo met € 17,9 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door de volgende mutaties:

  • Er is € 9,8 miljoen overgeboekt vanuit diverse artikelen naar artikel 19 in het kader van opdrachtverlening aan het RIVM. De opdrachten aan het RIVM worden verantwoord op artikel 19.

  • Er is € 4,2 miljoen overgeboekt vanuit diverse artikelen naar artikel 19 in het kader van opdrachtverlening aan de RVO. De opdrachten aan de RVO worden verantwoord op artikel 19.

  • Het budget wordt opgehoogd met een bedrag van € 5,7 miljoen door een kasschuif van 2022 naar 2021 voor de financiering van het virtuele World Circular Economy Forum (WCEF+). Abusievelijk is de budgettaire verwerking van de benodigde kasschuif tweemaal uitgevoerd en zal deze bij ontwerpbegroting 2022 gecorrigeerd worden door een terugboeking van € 2,9 miljoen naar 2022.

  • Er heeft een verplichtingenschuif van 2021 naar 2020 op artikel 19 plaatsgevonden van € 2,0 miljoen ten behoeve van de bekostiging van het Global Centre on Adaptation (GCA) over de periode 2020-2021. Daarnaast hebben er twee verplichtingenschuiven van 2021 naar 2020 op artikel 19 plaatsgevonden ter waarde van € 0,7 miljoen om de bijdrage aan het United Nations Environment Program (UNEP) over 2020 toe te kennen en om de bijdrage aan de Dutch Cycling Embassy vast te kunnen leggen.

  • Het verplichtingenbudget is met € 0,9 miljoen toegenomen ten behoeve van de financiering van de vervolgactiviteiten na de Climate Adaptation Summit (CAS) van januari 2021. Nederland blijft ook na de Climate Adaptation Summit het Water en Infra Action Tracks coördineren en wil hiervoor een Coalition on Adaptation initiëren om met gecommitteerde landen concrete uitvoering van activiteiten te versnellen en best practices op te schalen.

Uitgaven

2 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

Opdrachten

Per saldo is het opdrachtenbudget met € 6,4 miljoen toegenomen. Dit komt met name door:

  • Het budget wordt opgehoogd met een bedrag van € 5,7 miljoen door een kasschuif van 2022 naar 2021 voor de financiering van het virtuele World Circular Economy Forum (WCEF+). Abusievelijk is de budgettaire verwerking van de benodigde kasschuif tweemaal uitgevoerd en zal deze bij ontwerpbegroting 2022 gecorrigeerd worden door een terugboeking van € 2,9 miljoen naar 2022.

  • Een herschikking van € 0,9 miljoen binnen de HGIS middelen op artikel 19 ten behoeve van de financiering van de Climate Adaptation Summit (CAS). Het gaat hier om de doorwerking van de bij Najaarsnota 2020 uitgevoerde herschikking.

  • Daarnaast is € 0,3 miljoen overgeboekt naar het financieel instrument Bijdrage aan agentschappen ten behoeve van de opdrachtverstrekking aan RWS.

Bijdragen aan agentschappen

Per saldo is het budget voor bijdragen aan agentschappen met € 14,2 miljoen opgehoogd. Er is € 13,9 miljoen overgeheveld vanuit diverse artikelen naar artikel 19 ten behoeve van de opdrachtverlening aan de RVO en het RIVM. Daarnaast heeft een herschikking binnen artikel 19 plaatsgevonden ten behoeve van opdrachtverlening aan RWS à € 0,3 miljoen (zie opdrachten).

3.7 Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

45.822

63.738

5.127

1.001

69.866

      

Uitgaven

46.748

67.405

5.974

971

74.350

waarvan juridisch verplicht

 

81%

  

88%

      

2 Internationaal beleid coördinatie en samenwerking

46.748

67.405

5.974

971

74.350

Opdrachten

5.870

12.315

‒ 870

‒ 2.101

9.344

Waarvan uitvoering internationaal HGIS

1.083

2.013

600

‒ 88

2.525

Waarvan uitvoering niet-HGIS

1.818

5.160

564

‒ 1.846

3.878

Waarvan overige opdrachten

2.969

5.142

‒ 2.034

‒ 167

2.941

Subsidies

251

251

1.392

‒ 1.105

538

Waarvan Interreg

245

245

1.375

‒ 1.375

245

Overige subsidies

6

6

17

270

293

Bijdragen aan agentschappen

36.158

50.400

5.411

1.864

57.675

Waarvan bijdrage aan RIVM

28.096

37.868

3.910

1.711

43.489

Waarvan bijdrage aan RVO

7.920

12.134

1.498

153

13.785

Waarvan overige bijdragen aan agentschappen

142

398

3

0

401

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.469

2.789

941

1.113

4.843

Waarvan bijdragen HGIS

2.469

2.789

941

383

4.113

Waarvan overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

0

730

730

Bekostiging

2.000

1.650

‒ 900

1.200

1.950

      

Ontvangsten

0

0

0

385

385

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 6,1 miljoen verhoogd. Hiervan is € 5,1 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 1 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota.

De verplichtingenmutaties bij Najaarsnota zijn met name gerelateerd aan de hieronder toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 6,9 miljoen verhoogd. Hiervan is € 6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,97 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

2 Internationaal beleid coördinatie en samenwerking

Opdrachten

Per saldo is het opdrachtenbudget met € 2,1 miljoen verlaagd. Dit komt met name door:

  • Er is vanuit het opdrachtenbudget € 1,1 miljoen overgeboekt naar het budget voor bijdragen aan (inter-)nationale organisaties zoals verder toegelicht onder Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties.

  • Er is vanuit het opdrachtenbudget € 0,5 miljoen overgeboekt naar het budget voor bijdragen aan agentschappen in het kader van aanvullende werkzaamheden ten behoeve van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Specifiek betreft het de ontwikkeling van de geluidbelastingkaarten .

  • Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden waarmee het opdrachtenbudget per saldo met € 0,5 miljoen verlaagd is.

Subsidies

Het subsidiebudget is per saldo met € 1,1 miljoen verlaagd. Dit komt met name door:

  • Er is vanuit het subsidiebudget per saldo € 1,3 miljoen overgeboekt naar het financieel instrument bekostiging ten behoeve van de bekosting van Stichting Global Center on Adaptation (GCA) voor het jaar 2022. In 2021 wordt een voorschot verleend van 80% van het totaalbedrag van € 2 miljoen.

  • Er is vanuit het budget voor bijdragen aan (inter-)nationale organisaties € 0,2 miljoen overgeboekt naar het subsidiebudget.

    Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie aan Circle Economy in 2021 voor het opstellen van indicatoren op het gebied van circulaire economie.

    Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget voor bijdragen aan agentschappen is per saldo met € 1,9 miljoen opgehoogd. Er is € 1,7 miljoen overgeboekt vanuit diverse artikelen naar artikel 19 in het kader van opdrachtverlening aan het RIVM. Daarnaast hebben er verschillende kleinere mutaties plaatsgevonden voor € 0,2 miljoen in het kader van de opdrachtverlening aan RVO. De opdrachten aan het RIVM en RVO worden verantwoord op artikel 19.

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

De ophoging met € 1,1 miljoen van het budget voor bijdragen aan (inter)nationale organisaties is met name het gevolg van herschikkingen op artikel 19 ten behoeve van voorgenomen incidentele bijdragen aan diverse organisaties.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel zijn de volgende subsidie/ bijdragen aan (inter-)natinale organisaties opgenomen:

  • Bijdrage Urban Futures Studio/Universiteit Utrecht (€ 0,45 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan de Urban Futures Studio/ Universiteit Utrecht in 2021 voor de uitwerking van demonstratie projecten gericht op duurzame urbanisatie en duurzamer gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

  • Bijdrage World Economic Forum (€ 0,325 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan het het World Economic Forum ter bevordering van publiek-private coalities ten aanzien van circulaire economie en klimaat voor de zware industrie.

  • Bijdrage Inland Transport Commitee (€ 0,1 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan het het Inland Transport Committee (ITC) onder de UNECE om een aantal concrete producten (tools, samenwerkingen, projecten) te ontwikkelen die de transities naar klimaat-adaptieve transportinfrastructuur en slimme en duurzame mobiliteit kunnen ondersteunen.

  • Bijdrage Coalition for Disaster Resilient Infrastructure (€ 0,1 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan de Coalition for Disaster Resilient Infrastructure ter ondersteuning van projecten ter versterking van de internationale samenwerking op het gebied van klimaat en -rampbestendige infrastructuur.

  • Bijdrage Zero Emission Vehicle Alliance (€ 0,05 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan de Zero Emission Vehicle Alliance ter bevordering van de zero emission transitie in relatie tot de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s en het vergroten van het marktaandeel van zero emissie voertuigen.

  • Bijdrage Transport Decarbonisation Alliance (€ 0,03 miljoen). Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een bijdrage aan de Transport Decarbonisation Alliance voor het delen van best practices en het faciliteren van een dialoog tussen landen, steden en bedrijven inzake laadinfrastructuur.

Deze begrotingsvermeldingen vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde voorgenomen bijdragen/subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht

Bekostiging

De ophoging met per saldo € 1,2 miljoen is met name het gevolg van een herschikking op artikel 19 ten behoeve van de bekostiging van stichting GCA.

Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de voorgenomen bekostiging van Stichting GCA als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.8 Artikel 20 Lucht en Geluid

Tabel 14 Budgettaire gevolgen van beleid art.20 (bedragen x € 1.000)

20 Lucht en Geluid

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

24.491

0

24.491

10.463

34.954

252

262

260

260

          

Uitgaven

27.254

0

27.254

4.326

31.580

220

262

260

260

Waarvan juridisch verplicht

99,0%

   

100%

    
          

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

27.254

0

27.254

4.326

31.580

220

262

260

260

Opdrachten

3.175

0

3.175

4.226

7.401

327

360

360

370

Uitvoering geluidsanering

3.171

0

3.171

1.705

4.876

‒ 2

0

0

0

Uitvoering luchtsanering

4

0

4

1.910

1.914

329

360

360

370

Waarvan overige opdrachten

0

0

0

611

611

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.580

0

1.580

884

2.464

10

10

10

0

Waarvan bijdrage aan RWS

1.580

0

1.580

874

2.454

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan overige agentschappen

0

0

0

10

10

10

10

10

0

Bijdragen aan medeoverheden

22.042

0

22.042

‒ 784

21.258

‒ 117

‒ 108

‒ 110

‒ 110

Uitvoering Geluidsanering

22.042

0

22.042

‒ 5.784

16.258

‒ 117

‒ 108

‒ 110

‒ 110

Programma NSL en SLA

0

0

0

5.000

5.000

0

0

0

0

Bekostiging

457

0

457

0

457

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

1.000

1.000

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

Per saldo is het verplichtingenbudget op artikel 20 met € 10,5 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door de volgende mutaties:

  • Vanuit artikel 20 van het Infrastructuurfonds is € 18,2 miljoen overgeboekt naar artikel 20 ten behoeve van de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord (SLA).

  • Een overboeking van € 5,9 miljoen vanuit artikel 20 naar artikel 19 in het kader van de opdrachtverlening aan het RIVM op het terrein van lucht en geluid. De opdracht aan RIVM wordt verantwoord op artikel 19.

  • Een desaldering van het budget op artikel 20 met € 1 miljoen aan ontvangsten van het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) in het kader van de afwikkeling die in 2021 heeft plaatsgevonden van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai. Zie nadere toelichting onder opdrachten.

  • Een verplichtingenschuif van € 1,5 miljoen van 2021 naar 2020 op artikel 20 ten behoeve van de vastlegging van subsidietoekenningen inzake het programma Uitvoering Geluidsanering. Met het oog op de invoering van de Omgevingswet waren er meer aanvragen ontvangen dan voorzien voor nieuwe saneringsprojecten in 2020.

  • Daarnaast hebben er verschillende kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het verplichtingenbudget per saldo met € 1,3 miljoen is verlaagd.

Uitgaven

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

Opdrachten

Per saldo is het kasbudget op dit financieel instrument voor het jaar 2021 met € 4,2 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door onderstaande mutaties:

  • Er heeft een overboeking van artikel 20 van het Infrastructuurfonds naar artikel 20 van begrotingshoofdstuk XII van € 5,5 miljoen plaatsgevonden ten behoeve van de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord (SLA) in 2021.

  • Er is € 5,9 miljoen overgeboekt vanuit artikel 20 naar artikel 19 in het kader van de opdrachtverlening aan het RIVM op het terrein van lucht en geluid.

  • Er heeft een herschikking van de budgetten op artikel 20 plaatsgevonden van € 4,3 miljoen ten behoeve van de opdrachtverstrekking aan het RIVM. Het gaat om opdrachten in het kader van de Uitvoering Geluidsanering en de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVgg). Het opdrachtenbudget is met € 4,3 miljoen opgehoogd.

  • Het opdrachtenbudget is met € 1,0 miljoen opgehoogd in verband met de verwachte ontvangsten van het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) in het kader van de afwikkeling die in 2021 heeft plaatsgevonden van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai. Het BSV voert deze regeling uit namens IenW. Uit de eindafrekening blijkt dat de werkelijke kosten lager zijn uitgevallen dan de eerder verstrekte voorschotten.

  • Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden met een totaal van per saldo € 0,7 miljoen waarmee het opdrachtenbudget is afgenomen.

Ontvangsten

Per saldo zijn de ontvangsten op artikel 20 met € 1,0 miljoen toegenomen. Zoals toegelicht onder Opdrachten gaat het om de verwachte ontvangsten van het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) in het kader van de afwikkeling van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai.

3.8 Artikel 20 Lucht en Geluid

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 20 Lucht en Geluid (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

24.491

34.954

1.497

306

36.757

      

Uitgaven

27.254

31.580

382

336

32.298

waarvan juridisch verplicht

 

100%

  

100%

      

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

27.254

31.580

382

336

32.298

Opdrachten

3.175

7.401

346

‒ 2.554

5.193

Waarvan uitvoering geluid

3.171

4.876

407

‒ 1.971

3.312

Waarvan uitvoering lucht

4

1.914

‒ 61

‒ 472

1.381

Waarvan overige opdrachten

0

611

0

‒ 111

500

Bijdragen aan agentschappen

1.580

2.464

37

0

2.501

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.580

2.454

37

0

2.491

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

0

10

0

0

10

Bijdragen aan medeoverheden

22.042

21.258

0

2.979

24.237

Waarvan uitvoering geluidsanering

22.042

16.258

0

0

16.258

Waarvan programma NSL en SLA

0

5.000

0

2.979

7.979

Bekostiging

457

457

‒ 1

‒ 89

367

      

Ontvangsten

0

1.000

0

1.000

2.000

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 1,8 miljoen verhoogd. Hiervan is € 1,5 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota. De wijzigingen in de 2e suppletoire begroting 2021 zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht (zie de leeswijzer).

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 0,7 miljoen verhoogd. Hiervan is € 0,4 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

Opdrachten

De verlaging van het opdrachtenbudget van € 2,6 miljoen wordt met name veroorzaakt door een herschikking op artikel 20 voor een bedrag van € 2,9 miljoen ten behoeve van de specifieke uitkering in het kader van het Schone Lucht Akkoord. Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden van per saldo € 0,3 miljoen waarmee het opdrachtenbudget is afgenomen.

Bijdragen aan medeoverheden

Het budget voor bijdragen aan medeoverheden is met € 3,0 miljoen toegenomen. De toename voor € 2,9 miljoen is een gevolg van de onder opdrachten genoemde herschikking ten behoeve van de specifieke uitkering in het kader van het Schone Lucht Akkoord.

Ontvangsten

De ontvangsten op artikel 20 zijn met € 1,0 miljoen opgehoogd. Dit betreft ontvangsten van het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) in het kader van de afwikkeling van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai. Het BSV voert deze regeling uit namens IenW. Uit de eindafrekening blijken de werkelijke kosten lager te zijn uitgevallen dan de eerder verstrekte voorschotten. Dit leidt tot een terugontvangst voor IenW.

3.9 Artikel 21 Duurzaamheid

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid art.21 (bedragen x € 1.000)

21 Duurzaamheid

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

50.501

0

50.501

‒ 8.552

41.949

3.088

430

411

399

          

Uitgaven

50.982

0

50.982

10.585

61.567

3.428

450

430

399

Waarvan juridisch verplicht

91,0%

   

85%

    
          

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

1.251

0

1.251

‒ 655

596

0

0

0

0

Opdrachten

1.251

0

1.251

‒ 655

596

0

0

0

0

          

5 Duurzame productieketens

39.300

0

39.300

21.239

60.539

3.428

450

430

399

Opdrachten

20.775

0

20.775

‒ 2.886

17.889

372

450

430

399

Waarvan uitvoering duurzame productieketens

18.949

0

18.949

‒ 6.208

12.741

741

820

800

769

Waarvan EPK bijdrage RWS

738

0

738

3.029

3.767

0

0

0

0

Waarvan overige opdrachten

1.088

0

1.088

293

1.381

‒ 369

‒ 370

‒ 370

‒ 370

Subsidies

9.799

0

9.799

21.835

31.634

3.056

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

7.497

0

7.497

1.690

9.187

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RWS

7.497

0

7.497

1.690

9.187

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

778

0

778

600

1.378

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

778

0

778

600

1.378

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO en RWT

451

0

451

0

451

0

0

0

0

          

6 Natuurlijk kapitaal

10.431

0

10.431

‒ 9.999

432

0

0

0

0

Opdrachten

10.431

0

10.431

‒ 9.999

432

0

0

0

0

Waarvan uitvoering natuurlijk kapitaal

9.814

0

9.814

‒ 9.820

‒ 6

0

0

0

0

Waarvan overige opdrachten

617

0

617

‒ 179

438

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget op artikel 21 is per saldo met € 8,6 miljoen afgenomen. Dit wordt met name veroorzaakt door:

  • Er is € 7,5 miljoen vanuit artikel 21 naar het Infrastructuurfonds gegaan ten behoeve van de opdracht die aan RWS is gegeven in het kader van de uitvoering van het 'Urgenda II-pakket'. Zie toelichting onder uitgaven.

  • Er is sprake van lagere uitgaven à € 4,4 miljoen door de RVO voor werkzaamheden op het terrein van subsidies Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI). De niet bestede middelen schuiven door vanuit 2020 naar 2021. De omvang van de verplichtingen wijkt af van de omvang van de kasschuif omdat de verplichting grotendeels in 2019 is aangegaan en de uitfinanciering over meerdere jaren wordt uitgespreid.

  • Door doorloop van uitgaven in de DEI-subsidieregeling in het kader van Urgenda wordt een deel van de middelen à € 2,9 miljoen naar 2022 geschoven.

  • Er is € 4,2 miljoen overgeboekt vanuit artikel 21 naar diverse artikelen, waarvan € 3,1 miljoen is overgeboekt naar artikel 19 in het kader van opdrachtverlening aan de RVO. De opdracht aan de RVO wordt verantwoord op artikel 19.

  • Er is € 3,2 miljoen overgeboekt vanuit diverse artikelen naar artikel 21. € 1,9 miljoen daarvan is een overboeking vanuit artikel 22 in het kader van de opdrachtverlening aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) voor de ontwikkeling en beheer van Nederlandse Normen NEN. De opdracht aan het NNI wordt verantwoord op artikel 21. Het gaat om een opdracht aan de NNI voor normontwikkeling op het terrein van Transportleidingen, Pyrotechnische voorwerpen en de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen.

  • Er is € 2,0 miljoen vanuit artikel 21 op de beleidsbegroting naar het Infrastructuurfonds gegaan. In het kader van de klimaatenveloppe heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld voor circulaire maatregelen in de Grond Weg en Waterbouw (GWW) waarmee CO2-reductie kan worden gerealiseerd.

  • Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het verplichtingenbudget met € 0,3 miljoen is opgehoogd.

Uitgaven

5 Duurzame productketen

Opdrachten

Het opdrachtenbudget binnen duurzame productketens is per saldo met € 2,9 miljoen verlaagd. Dit komt met name door:

  • Er heeft een overboeking van € 3,1 miljoen vanuit artikel 21 naar artikel 19 plaatsgevonden in het kader van opdrachtverlening aan de RVO. De opdracht aan de RVO wordt verantwoord op artikel 19.

  • Er heeft een herschikking van de budgetten binnen artikel 21 plaatsgevonden in het kader van de opdrachtverlening aan RWS voor 2021. Het opdrachtenbudget binnen duurzame productketens is als gevolg van de herschikking met € 0,5 miljoen verlaagd. Zie verdere toelichting onder bijdragen aan agentschappen.

  • Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het opdrachtenbudget per saldo met € 0,8 miljoen is verhoogd.

Subsidies

Het subidiebudget binnen duurzame productketens is per saldo met € 21,8 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door de volgende mutaties:

  • Door lagere uitgaven door de RVO voor de werkzaamheden op het terrein van subsidies Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie in 2020 zijn bij Najaarsnota middelen doorgeschoven naar 2021. De niet bestede middelen ter waarde van € 24,0 worden toegevoegd aan de begroting van 2021 en worden voor een deel ter waarde van € 2,9 miljoen doorgeschoven naar 2022.

  • Er hebben diverse kleinere mutaties plaatsgevonden die betrekking hebben op het subsidiebudget binnen duurzame productketens waardoor het budget per saldo met € 0,7 miljoen is opgehoogd.

Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RWS is met € 1,7 miljoen verhoogd. Dit betreft een herschikking van de budgetten binnen artikel 21 in het kader van de opdrachtverlening aan RWS voor 2021. De opdrachtverlening aan RWS betreft de ondersteuning van de transitie Circulaire Economie in de bouw en de regio, de ondersteuning van maatschappelijk verantwoord inkopen, uitvoering geven aan de klimaatenveloppe en ondersteuning van de uitvoering van het beleid met betrekking tot afvalinzameling, recycling en afvalregelgeving.

6 Natuurlijk kapitaal

Opdrachten

Per saldo wordt het kasbudget voor opdrachten binnen natuurlijk kapitaal met € 10,0 miljoen verlaagd. Dat is het gevolg van de volgende mutaties:

  • In het kader van de klimaatenveloppe heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld voor circulaire maatregelen in de GWW waarmee CO2-reductie kan worden gerealiseerd. Ter bekostiging is € 2,0 miljoen overgeboekt van artikel 21 naar het Infrastructuurfonds

  • In het kader van de uitvoering van het ‘Urgenda II-pakket’ is aan RWS de opdracht gegeven om vanaf 1 januari 2021 circulaire maatregelen uit te voeren die tot een reductie van CO2-uitstoot leiden. Ter bekostiging is € 7,5 miljoen overgeboekt van artikel 21 naar het Infrastructuurfonds.

  • Een herschikking van de budgetten binnen artikel 21 ter waarde van € 0,5 miljoen in het kader van de opdrachtverlening aan RWS voor 2021. De opdrachtverlening aan RWS betreft de werkzaamheden als beschreven bij het onderdeel bijdragen aan agentschappen. Het voor die onderwerpen geraamd budget op de diverse budgetplaatsen van artikel 21 wordt overgeboekt naar de budgetplaatsen voor RWS.

3.9 Artikel 21 Duurzaamheid

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 21 Duurzaamheid (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

50.501

41.949

‒ 3.270

501

39.180

      

Uitgaven

50.982

61.567

‒ 13.579

301

48.289

waarvan juridisch verplicht

 

85%

  

88%

      

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

1.251

596

0

‒ 533

63

Opdrachten

1.251

596

0

‒ 533

63

Waarvan uitvoering duurzaamheid

1.251

596

0

‒ 533

63

      

5 Duurzame productketens

39.300

60.539

‒ 13.965

926

47.500

Opdrachten

20.775

17.889

‒ 6.326

1.650

13.213

Waarvan uitvoering duurzame productieketens

18.949

12.741

‒ 6.326

1.635

8.050

Waarvan EPK bijdrage RWS

738

3.767

0

‒ 65

3.702

Waarvan overige opdrachten

1.088

1.381

0

80

1.461

Subsidies

9.799

31.634

‒ 7.965

‒ 709

22.960

Waarvan subsidies duurzame productieketens

9.799

31.634

‒ 7.965

‒ 709

22.960

Bijdragen aan agentschappen

7.497

9.187

174

‒ 15

9.346

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

7.497

9.187

174

‒ 15

9.346

Bijdragen aan medeoverheden

778

1.378

51

0

1.429

Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

778

1.378

51

0

1.429

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

0

0

101

0

101

Bijdragen aan ZBO en RWT

451

451

0

0

451

      

6 Natuurlijk kapitaal

10.431

432

386

‒ 92

726

Opdrachten

10.431

432

386

‒ 92

726

      

Ontvangsten

0

0

67

89

156

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 2,8 miljoen verlaagd. Hiervan is ‒ € 3,3 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,5 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota. De wijzigingen in de 2e suppletoire begroting 2021 zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht (zie de leeswijzer).

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 13,3 miljoen verlaagd. Hiervan is ‒ € 13,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

5 Duurzame productieketens

Opdrachten

Het totale opdrachtbudget voor het artikelonderdeel Duurzame productieketens is met € 1,7 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door een herschikking ter waarde van € 2,1 miljoen binnen artikel 21 om de uitgaven voor doorbraakprojecten Circulaire Economie, de nationale Circulaire Economie-conferentie, Investeringsplatform Invest NL,Transitie Kunststoffen, Toekomst Agenda Consumptiegoederen, Plastic Pact-pilots en opdrachten gericht op gedragsbeïnvloeding met betrekking tot plastics te kunnen verrichten. Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden met een totaal van per saldo € 0,4 miljoen waarmee het opdrachtenbudget is afgenomen.

3.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid art.22 (bedragen x € 1.000)

22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

42.980

26.957

69.937

‒ 1.838

68.099

‒ 10.184

‒ 3.630

‒ 3.530

‒ 3.319

          

Uitgaven

36.210

26.957

63.167

‒ 1.610

61.557

‒ 380

180

280

280

Waarvan juridisch verplicht

76%

   

41%

    
          

1 Veiligheid chemische stoffen

8.250

0

8.250

‒ 414

7.836

‒ 34

442

292

200

Opdrachten

4.389

0

4.389

‒ 369

4.020

‒ 126

350

200

200

Subsidies

215

0

215

0

215

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

2.646

0

2.646

‒ 45

2.601

92

92

92

0

Waarvan bijdrage aan RWS

2.418

0

2.418

‒ 137

2.281

0

0

0

0

Waarvan bijdragen aan overige agentschappen

228

0

228

92

320

92

92

92

0

Bijdrage aan ZBO en RWT

1.000

0

1.000

0

1.000

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan CTGB

1.000

0

1.000

0

1.000

0

0

0

0

          

2 Veiligheid biotechnologie

2.778

0

2.778

‒ 350

2.428

0

0

0

0

Opdrachten

2.778

0

2.778

‒ 1.986

792

‒ 1.700

‒ 1.700

‒ 1.700

‒ 1.700

Uitvoering veiligheid GGO

2.778

0

2.778

‒ 1.986

792

‒ 1.700

‒ 1.700

‒ 1.700

‒ 1.700

Bijdragen aan agentschappen

0

0

0

1.636

1.636

1.700

1.700

1.700

1.700

          

3 Veiligheid bedrijven en transport

25.182

26.957

52.139

‒ 846

51.293

‒ 346

‒ 262

‒ 12

80

Opdrachten

17.635

0

17.635

‒ 5.316

12.319

‒ 1.206

‒ 962

‒ 712

‒ 878

Omgevingsveiligheid

12.382

0

12.382

‒ 3.587

8.795

‒ 614

‒ 370

‒ 120

‒ 348

Overige opdrachten

5.253

0

5.253

‒ 1.729

3.524

‒ 592

‒ 592

‒ 592

‒ 530

Subsidies

2.864

26.957

29.821

1.703

31.524

560

400

400

658

Subsidie inrichtingen & transport

2.297

0

2.297

1.953

4.250

560

400

400

658

Subsidie vuurwerk

0

26.957

26.957

0

26.957

0

0

0

0

Overige subsidies

567

0

567

‒ 250

317

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.573

0

1.573

1.167

2.740

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RWS

1.573

0

1.573

1.167

2.740

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

700

700

300

300

300

300

Inkomensoverdrachten

3.110

0

3.110

900

4.010

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten mesothelioom

3.110

0

3.110

900

4.010

0

0

0

0

          

Ontvangsten

250

0

250

0

250

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget op artikel 22 is per saldo met € 1,8 miljoen verlaagd. Dit komt met name door onderstaande mutaties:

  • Overboekingen vanuit artikel 22 naar diverse artikelen ter waarde van € 2,0 miljoen. Daarnaast is er vanuit artikel 22 € 0,5 miljoen overgeboekt naar het ministerie van OCW voor het onderzoeksprogramma gericht op dierproefvrije innovaties en voor een toegezegde bijdrage aan programmalijn 2 van het Nationale Wetenschapsagenda (NWA) programma van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de thematische NWA-call ‘Safe by Design inpractice’.

  • Overboekingen naar artikel 22 vanuit diverse artikelen ter waarde van € 0,7 miljoen

  • Een verplichtingenschuif van 2022 naar 2021 op artikel 22 van € 0,5 miljoen om de meerjarige verplichting ten aanzien van de BOA RWS 2021 aan te kunnen gaan ten behoeve van de bekostiging van de monitoring Basisnet Weg.

  • Daarnaast hebben diverse kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het verplichtingenbudget met € 0,6 miljoen is verlaagd.

Uitgaven

2 Veiligheid biotechnologie

Opdrachten

Per saldo is het kasbudget voor opdrachten op het gebied van veiligheid biotechnologie met € 2,0 miljoen afgenomen. Dit komt door onderstaande mutaties:

  • Een budgetoverheveling met een waarde van € 1,6 miljoen vanuit het financiële instrument opdrachten naar het financiële instrument bijdragen aan agentschappen. Voor verdere toelichting zie Bijdragen aan agentschappen.

  • Een overboeking van artikel 22 naar artikel 19 ter waarde van € 0,4 miljoen in het kader van de opdrachtverlening aan het RIVM. De opdracht aan RIVM wordt verantwoord op artikel 19. In dit geval gaat het om werkzaamheden in het kader van Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Veiligheid Bedrijven, Veiligheid Stoffen, Safe by Design en Gezonde Leefomgeving.

Bijdragen aan agentschappen

Per saldo is het kasbudget voor bijdragen aan agentschappen op het gebied van veiligheid biotechnologie met € 1,6 miljoen toegenomen. Dat komt door de budgetoverheveling ter waarde van € 1,6 miljoen van Uitvoering Veiligheid Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO) naar de juiste budgetplaats voor de bijdrage aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM).

3 Veiligheid bedrijven en transport

Opdrachten

Per saldo is het kasbudget voor opdrachten op het gebied van veiligheid bedrijven en transport met € 5,3 miljoen afgenomen. Dit komt met name door onderstaande mutaties:

  • Een overboeking van € 0,9 miljoen vanuit artikel 22 naar artikel 21 in het kader van de opdrachtverlening aan het Nederlands Normalisatie Instituut NNI voor de ontwikkeling en beheer van Nederlandse Normen NEN. De opdracht aan het NNI wordt verantwoord op artikel 21.

  • Er heeft een herschikking van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden ten behoeve van de bekostiging van de subsidieaanvraag van de Omgevingsdienst NL (ODNL) voor een meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid. Het opdrachtenbudget is daardoor met € 0,9 miljoen afgenomen.

  • Er heeft een herschikking van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden ten behoeve van het verlenen van inkomensoverdrachten aan mesothelioomslachtoffers van asbest. Het opdrachtenbudget is daardoor met € 0,9 miljoen afgenomen.

  • Er heeft een herschikking van € 0,8 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden in het kader van de opdrachtverlening aan RWS voor 2021. Het geraamdbudget op de diverse budgetplaatsen van artikel 22 zijn overgeboekt naar de budgetplaatsen voor RWS.

  • Er heeft een herschikking van € 0,6 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden ten behoeve van de bekostiging van de subsidieaanvraag van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voor een meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid. Het budget is overgeboekt naar de juiste budgetplaats om de subsidieaanvraag aan de VNG te kunnen bekostigen.

  • Er heeft een herschikking van € 0,4 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden van het instrument opdrachten naar het instrument subsidies op het onderwerp inrichting en transport. Zie toelichting onder subsidies.

  • Daarnaast hebben er diverse kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het opdrachtenbudget met € 0,7 miljoen is afgenomen.

Subsidies

Per saldo is het kasbudget voor subsidies ten behoeve van veiligheid bedrijven en transport met € 1,7 miljoen verhoogd. Dit komt door onderstaande mutaties:

  • Er heeft een herschikking van € 0,9 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden ten behoeve van de bekostiging van de subsidieaanvraag van de Omgevingsdienst NL (ODNL) voor een meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid. De meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid behelst de uitvoering van de interbestuurlijke meerjarenagenda voor Omgevingsveiligheid.

  • Er heeft een herschikking van € 0,6 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden ten behoeve van de bekostiging van de subsidieaanvraag van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voor een meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid. De meerjarige subsidie versterking omgevingsveiligheid behelst het verbeteren van de kennisinfrastructuur omgevingsveiligheid voor het transitiejaar 2021.

  • Er heeft een herschikking van € 0,4 miljoen van de budgetten binnen artikel 22 plaatsgevonden van middelen op het instrument opdrachten naar het instrument subsidies op het onderwerp inrichting en transport. Het betreft een subsidie aan Safety Delta Nederland (SDN) voor de oprichting van een programmabureau.

  • Er heeft een overboeking van € 0,3 miljoen van artikel 22 naar artikel 19 in het kader van de opdrachtverlening aan het RIVM. De opdracht aan RIVM wordt verantwoord op artikel 19. In dit geval gaat het om werkzaamheden in het kader van Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Veiligheid Bedrijven, Veiligheid Stoffen, Safe by Design en Gezonde Leefomgeving.

Bijdragen aan agentschappen

Per saldo is het kasbudget voor bijdragen aan agentschappen op het gebied van veiligheid bedrijven en transport met € 1,2 miljoen opgehoogd. Dit betreft een herschikking van de budgetten binnen artikel 22 in het kader van de opdrachtverlening aan RWS voor 2021.

3.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

69.937

68.099

‒ 4.566

883

64.416

      

Uitgaven

63.167

61.557

‒ 2.632

‒ 3.789

55.136

waarvan juridisch verplicht

 

41%

  

95%

      

1 Veiligheid chemische stoffen

8.250

7.836

‒ 426

‒ 364

7.046

Opdrachten

4.389

4.020

527

‒ 292

4.255

Subsidies

215

215

‒ 14

‒ 72

129

Bijdragen aan agentschappen

2.646

2.601

61

0

2.662

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.418

2.281

56

0

2.337

Waarvan overige bijdragen

228

320

5

0

325

Bijdragen aan ZBO en RWT

1.000

1.000

‒ 1.000

0

0

      

2 Veiligheid biotechnologie

2.778

2.428

0

0

2.428

Opdrachten

2.778

792

0

0

792

Bijdragen aan agentschappen

0

1.636

0

0

1.636

      

3 Veiligheid bedrijven en transport

52.139

51.293

‒ 2.206

‒ 3.425

45.662

Opdrachten

17.635

12.319

‒ 3.484

‒ 692

8.143

Waarvan opdrachten programma omgevingsveiligheid

12.382

8.795

‒ 3.772

‒ 943

4.080

Waarvan overige opdrachten

5.253

3.524

288

251

4.063

Subsidies

29.821

31.524

660

‒ 3.600

28.584

Waarvan subsidie inrichting & transport

2.297

4.250

660

‒ 300

4.610

Waarvan subsidie vuurwerk

26.957

26.957

0

‒ 3.300

23.657

Waarvan overige subsidies

567

317

0

0

317

Bijdragen aan agentschappen

1.573

2.740

577

744

4.061

Waarvan bijdrage aan het agentschap RWS

1.573

2.740

577

744

4.061

Bijdragen aan medeoverheden

0

700

0

‒ 165

535

Inkomensoverdrachten

3.110

4.010

41

288

4.339

Waarvan inkomensoverdrachten mesothelioom

3.110

4.010

41

288

4.339

      

Ontvangsten

250

250

0

0

250

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 3,7 miljoen verlaagd. Hiervan is ‒ € 4,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 0,9 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota. De wijzigingen in de 2e suppletoire begroting 2021 zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht (zie de leeswijzer).

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 6,4 miljoen verlaagd. Hiervan is ‒ € 2,6 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van ‒ € 3,8 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

3 Veiligheid bedrijven en transport

Subsidies

De per saldo verlaging van het subsidiebudget van € 3,6 miljoen is met name het gevolg van een vertraging die is opgetreden bij de subsidieregelingen voor vuurwerk. Ongeveer € 3,3 miljoen van de regeling voor 2021 schuift op kasbasis door naar volgend jaar. Deze middelen zijn bij nota van wijziging (Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925 XII, nr. 14) reeds toegevoegd aan de begroting 2022. Daarnaast betreft het een budgetoverheveling ter waarde van € 0,3 miljoen van Subsidies Inrichtingen en Transport naar een bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor het kunnen aangaan van opdrachten voor de uitvoering van het stoffenbeleid.

3.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid art.23 (bedragen x € 1.000)

23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

60.011

0

60.011

‒ 90

59.921

3.283

3.804

‒ 139

‒ 7.019

          

Uitgaven

59.046

0

59.046

‒ 90

58.956

3.283

3.804

‒ 139

‒ 7.019

Waarvan juridisch verplicht

100%

   

100%

    
          

1 Meteorologie en seismologie

42.326

0

42.326

‒ 90

42.236

283

‒ 196

‒ 139

‒ 19

Bijdragen aan agentschappen

38.986

0

38.986

‒ 90

38.896

283

‒ 196

‒ 139

‒ 19

Waarvan bijdragen aan agentschap KNMI

38.986

0

38.986

‒ 90

38.896

283

‒ 196

‒ 139

‒ 19

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

3.340

0

3.340

0

3.340

0

0

0

0

Contributie WMO (HGIS)

940

0

940

0

940

0

0

0

0

Contributie ECMWF (HGIS)

2.400

0

2.400

0

2.400

0

0

0

0

          

2 Aardobservatie

16.720

0

16.720

0

16.720

3.000

4.000

0

‒ 7.000

Bijdragen aan agentschappen

16.720

0

16.720

0

16.720

3.000

4.000

0

‒ 7.000

Waarvan bijdragen aan agentschap KNMI

16.720

0

16.720

0

16.720

3.000

4.000

0

‒ 7.000

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De wijzigingen in de Eerste suppletoire begroting 2021 zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht (zie de leeswijzer).

3.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

60.011

59.921

3.290

1.284

64.495

      

Uitgaven

59.046

58.956

3.220

1.284

63.460

waarvan juridisch verplicht

 

100%

  

100%

      

1 Meteorologie en seismologie

42.326

42.236

2.893

1.284

46.413

Bijdragen aan agentschappen

38.986

38.896

956

1.284

41.136

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

38.986

38.896

956

1.284

41.136

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

3.340

3.340

1.937

0

5.277

Waarvan contr. ECMWF (HGIS)

2.400

2.400

2.007

0

4.407

Waarvan overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

940

940

‒ 70

0

870

      

2 Aardobservatie

16.720

16.720

327

0

17.047

Bijdragen aan agentschappen

16.720

16.720

327

0

17.047

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

16.720

16.720

327

0

17.047

      

Ontvangsten

0

0

0

0

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 4,6 miljoen verhoogd. Hiervan is € 3,3 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 1,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

De verplichtingenmutaties zijn met name gerelateerd aan de hieronder toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 4,5 miljoen verhoogd. Hiervan is € 3,2 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 1,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder toegelicht.

1 Meteorologie en seismologie

Bijdragen aan agentschappen

Per saldo is het budget voor bijdragen aan agentschappen met € 1,3 miljoen opgehoogd. Dit komt met name door:

  • Het budget wordt opgehoogd met € 0,2 miljoen voor het uitvoeren van het impulsprogramma KNMI Global. Het impulsprogramma heeft als doel de om de internationale inzet binnen het KNMI gecontroleerd te laten ontwikkelen.

  • Naar verwachting vallen de personeelskosten hoger uit dan begroot door minder opgenomen verlof in verband met COVID-19 in 2021. Het budget voor bijdragen aan agentschappen is met € 0,4 miljoen verhoogd om een extra reservering te treffen ten behoeve van het openstaande verlofsaldo.

  • Het budget wordt met € 0,4 miljoen opgehoogd voor investeringen op het gebied van hybride werken.

  • Daarnaast hebben er verschillende kleinere mutaties plaatsgevonden waardoor het budget per saldo met € 0,3 miljoen is opgehoogd.

3.12 Artikel 24 Handhaving en Toezicht

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid art.24 (bedragen x € 1.000)

24 Handhaving en Toezicht

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

130.431

0

130.431

5.699

136.130

6.000

0

0

0

          

Uitgaven

130.431

0

130.431

5.699

136.130

6.000

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

100%

   

96%

    
          

1 Handhaving en toezicht

130.431

0

130.431

5.699

136.130

6.000

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

130.431

0

130.431

5.699

136.130

6.000

0

0

0

Bijdrage aan het agentschap ILT

130.431

0

130.431

5.699

136.130

6.000

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn geheel in lijn met de uitgavenmutaties die hieronder worden toegelicht.

Uitgaven

1 Handhaving en Toezicht

Dit artikelonderdeel wordt met € 5,7 miljoen verhoogd. De ILT ontvangt extra middelen voor het toezicht op de nieuwe Europese verordening voor drones op het gebied van personeel, luchtwaardigheid en vluchtuitvoering. Daarnaast betreft het de inspectieactiviteiten ter verbetering van de luchtvaartveiligheid (Nederlands Luchtvaartveiligheidsprogramma (NLVP)). Het gaat bij deze posten om € 5,0 miljoen in 2021 en € 6,0 miljoen in 2022.

Daarnaast ontvangt de ILT conform de regeling agentschappen artikel 10, lid d, compensatie voor het negatieve eigen vermogen (€ 0,7 miljoen in 2020). In de 1e suppletoire begroting dient het moederdepartement dit negatieve eigen vermogen aan te vullen tot minimaal nihil.

3.12 Artikel 24 Handhaving en Toezicht

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 24 Handhaving en Toezicht (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

130.431

136.130

10.057

5.033

151.220

      

Uitgaven

130.431

136.130

10.057

5.033

151.220

waarvan juridisch verplicht

 

96%

  

97%

      

1 Handhaving en toezicht

130.431

136.130

10.057

5.033

151.220

bijdrage aan agentschappen

130.431

136.130

10.057

5.033

151.220

waarvan bijdrage aan agentschap ILT

130.431

136.130

10.057

5.033

151.220

      

Ontvangsten

0

0

0

0

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn een weerspiegeling van de onderstaande toegelichte kasmutaties.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 15,1 miljoen verhoogd. Hiervan is € 10,1 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (€ 5 miljoen) worden hieronder toegelicht

1 Handhaving en toezicht

Bijdrage aan agentschappen

De ILT ontvangt vanuit het moederdepartement IenW in 2021 een compensatie voor het in dienst hebben van arbeidsbeperkten (€ 0,7 miljoen). De opbrengsten uit de vergunningverlening en activiteiten vanuit de Nationale Toezichthoudende Autoriteit Luchtvaart zijn achtergebleven ten opzichte van de 1e suppletoire begroting (€ 1,5 miljoen). De aanpassing van het niet meer robuuste en verouderde ICT-systeem van de Board Computer Taxi brengt extra kosten met zich mee (€ 0,6 miljoen). Ook voor deze twee posten wordt gecompenseerd met hogere bijdragen van het moederdepartement IenW. Voor opsporen van illegale handel en lekkages van OAS en F-gassen is in het kader van het programma van Minder broeikasgassen € 0,6 miljoen toegevoegd.

3.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering

Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid art.25 (bedragen x € 1.000)

25 Brede Doeluitkering

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

932.531

0

932.531

‒ 23.312

909.219

0

0

0

0

          

Uitgaven

932.532

0

932.532

14.109

946.641

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

100%

   

100%

    
          

1 Brede doeluitkering

932.532

0

932.532

14.109

946.641

0

0

0

0

Brede doeluitkering

932.532

0

932.532

14.109

946.641

0

0

0

0

Bijdrage brede doeluitkering

932.532

0

932.532

14.109

946.641

0

0

0

0

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verlaging van het verplichtingenbudget (€ 23,3 miljoen) wordt veroorzaakt door een verplichtingenschuif van 2021 naar 2020. Deze was nodig omdat de beschikking voor het jaar 2021 reeds in 2020 wordt afgegeven en daarom op het loon– en prijspeil 2021 moest worden gebracht.

Uitgaven

1 Brede Doeluitkering

Het kasbudget op dit financiële instrument is in 2021 met € 14,1 miljoen verhoogd. Dit komt met name door een aantal overboekingen uit het Infrastructuurfonds ten behoeve van:

  • de Korte Termijn Aanpak (KTA) Mobiliteit en Verstedelijkingsprojecten (MoVe) (€ 4,2 miljoen);

  • Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) ten behoeve van veiliger, doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur, fietssnelroutes, en bijdrage Digitalisering Overheden (totaal € 4,9 miljoen);

  • Corridor Amsterdam-Hoorn voor scope-uitbreiding van de Aanpak Verkeersdruk Ambacht-N516-Thorbeckeweg (AVANT) en spitsmijders (totaal € 3,0 miljoen);

Tot slot is € 2,0 miljoen overgeboekt vanuit artikel 14 voor de Werkgeversaanpak 2e tranche verduurzaming personenvervoer.

3.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 25 Brede Doeluitkering (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

932.531

909.219

40.976

28.023

978.218

      

Uitgaven

932.532

946.641

20.488

0

967.129

waarvan juridisch verplicht

 

97%

  

99%

      

1 Brede doeluitkering

932.532

946.641

20.488

0

967.129

brede doeluitkering

932.532

946.641

20.488

0

967.129

Bijdrage BDU

932.532

946.641

20.488

0

967.129

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 69 miljoen verhoogd. Hiervan is € 41 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (€ 28 miljoen) worden hieronder toegelicht.

De verplichtingenruimte 2021 wordt met ruim € 28 miljoen opgehoogd ten behoeve van het gelijkstellen van de Brede Doeluitkering aan het kasbudget voor het volgende jaar (€ 24,5 miljoen), alsmede met € 3,5 miljoen opgehoogd ten behoeve van de bijdrage vanuit IenW aan de planuitwerking Oeververbinding Rotterdam en programma MoVe aan de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 20,5 miljoen verhoogd. Het totaal van € 20,5 miljoen is verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht.

3.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

Tabel 20 Budgettaire gevolgen van beleid art.26 (bedragen x € 1.000)

26 Bijdrage Investeringsfondsen

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

14.368.592

0

14.368.592

911.747

15.280.339

311.270

‒ 173.820

‒ 431.209

‒ 361.102

          

Uitgaven

14.366.592

0

14.366.592

912.034

15.278.626

304.361

‒ 180.729

‒ 431.709

‒ 361.102

          

1 Bijdrage Investeringsfondsen

13.312.853

0

13.312.853

752.580

14.065.433

284.042

‒ 354.220

‒ 458.209

‒ 90.102

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

13.312.853

0

13.312.853

752.580

14.065.433

284.042

‒ 354.220

‒ 458.209

‒ 90.102

Bijdrage iF

13.312.853

0

13.312.853

752.580

14.065.433

284.042

‒ 354.220

‒ 458.209

‒ 90.102

          

2 Bijdrage Investeringsfondsen

1.053.739

0

1.053.739

159.454

1.213.193

20.319

173.491

26.500

‒ 271.000

Bijdrage aan het Deltafonds

1.053.739

0

1.053.739

159.454

1.213.193

20.319

173.491

26.500

‒ 271.000

Bijdrage DF

1.053.739

0

1.053.739

159.454

1.213.193

20.319

173.491

26.500

‒ 271.000

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn een weerspiegeling van de onderstaande kasmutaties.

Uitgaven

1 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

De bijdrage vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds voor het jaar 2021 wordt met € 753 miljoen verhoogd. Hieronder wordt de belangijkste mutatie toegelicht. Voor meer detail wordt verwezen naar het Infrastructuurfonds.

Als gevolg van het geactualiseerde programma en om de overprogrammering op het gewenste (beheersbare) niveau te krijgen is er een kasschuif met het generale beeld verwerkt op de begroting van het Infrastructuurfonds. De kasschuif heeft een meerjarige doorwerking (€ 768 miljoen).

2 Bijdrage aan het Deltafonds

De bijdrage vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII aan het Deltafonds voor het jaar 2021 wordt met € 160 miljoen verlaagd. hieronder wordt de belangrijkste mutatie toegelicht. Voor meer detail wordt verwezen naar het Deltafonds.

Als gevolg van het geactualiseerde programma en om de overprogrammering op het gewenste (beheersbare) niveau te krijgen is er een kasschuif met het generale beeld verwerkt op de begroting van het Deltafonds. De kasschuif heeft een meerjarige doorwerking (€ 169 miljoen).

3.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

14.368.592

15.280.339

‒ 6.966.522

‒ 85.988

8.227.829

      

Uitgaven

14.366.592

15.278.626

‒ 6.965.722

‒ 85.988

8.226.916

      

1 Bijdrage investeringsfondsen

13.312.853

14.065.433

‒ 6.996.743

‒ 97.175

6.971.515

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

13.312.853

14.065.433

‒ 6.996.743

‒ 97.175

6.971.515

Bijdrage iF

13.312.853

14.065.433

‒ 6.996.743

‒ 97.175

6.971.515

      

2 Bijdrage Investeringsfondsen

1.053.739

1.213.193

31.021

11.187

1.255.401

Bijdrage aan het Deltafonds

1.053.739

1.213.193

31.021

11.187

1.255.401

Bijdrage DF

1.053.739

1.213.193

31.021

11.187

1.255.401

      

Ontvangsten

0

0

0

0

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutatie is een weerspiegeling van de onderstaande kasmutaties.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 7,1 miljard verlaagd. Hiervan is ‒ € 7 miljard verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (-€ 0,1 miljard) worden hieronder toegelicht.

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

De bijdrage vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds voor het jaar 2021 wordt met € 97 miljoen verlaagd. Hieronder worden de belangrijkste muaties toegelicht. Voor meer detail wordt verwezen naar het Infrastructuurfonds.

  • Een afdracht aan het BTW-compensatiefonds van € 42 miljoen inzake het project A4-A44 Rijnlandroute.

  • Een overboeking van € 27 miljoen van de gereserveerde middelen op het IF ten behoeve van de specifieke uitkering Randweg Eindhoven.

  • Diverse overboekingen vanaf het IF naar HXII voor het betalen van specifieke uitkeringen aan provinicies, voor onder andere HOV Eindhoven (€ 13 miljoen) en Heerlen - Landgraaf (€ 12 miljoen).

  • Een bedrag van € 16 miljoen wordt aan het Infrastructuurfonds toegevoegd in verband met meerkosten die in 2021 zijn gemaakt door RWS als gevolg van de COVID-pandemie.

Bijdrage aan het Deltafonds

De bijdrage vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII aan het Deltafonds voor het jaar 2021 wordt met € 11 miljoen verhoogd. Hieronder wordt de belangrijkste muatie toegelicht. Voor meer detail wordt verwezen naar het Deltafonds.

  • Een bedrag van € 13 miljoen wordt aan het Deltafonds toegevoegd in verband met extra kosten die in 2021 zijn gemaakt naar aanleiding van het hoogwater in Limburg.

  • Een bedrag van € 7 miljoen wordt aan het Deltafonds toegevoegd in verband met meerkosten RWS op het project Afsluitdijk als gevolg van de COVID-pandemie.

4 Niet-beleidsartikelen

4 Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 97 Algemeen Kerndepartement

Tabel 21 Algemeen Kerndepartement (bedragen x € 1.000)

97 Algemeen Kerndepartement

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

41.876

0

41.876

16.261

58.137

‒ 402

‒ 202

‒ 102

‒ 102

          

Uitgaven

56.945

0

56.945

16.231

73.176

‒ 390

‒ 184

‒ 102

‒ 102

          

1 Algemeen departement

56.945

0

56.945

16.231

73.176

‒ 390

‒ 184

‒ 102

‒ 102

Opdrachten

32.188

0

32.188

16.693

48.881

‒ 408

‒ 202

‒ 102

‒ 102

Van A naar Beter

1.740

0

1.740

0

1.740

0

0

0

0

Ext. Juridische adv.

1.371

0

1.371

0

1.371

0

0

0

0

Onderzoeken PBL

2.714

0

2.714

1.430

4.144

0

0

0

0

Onderzoeken ANVS

3.745

0

3.745

‒ 158

3.587

‒ 106

‒ 100

‒ 100

‒ 100

Departementaal Coordinatiecentrum Crisisbeheersing

7.270

0

7.270

0

7.270

0

0

0

0

Regeringsvliegtuig

9.393

0

9.393

16.223

25.616

0

0

0

0

Overige Opdrachten

5.955

0

5.955

‒ 802

5.153

‒ 302

‒ 102

‒ 2

‒ 2

Subsidies

724

0

724

‒ 462

262

18

18

  

Bijdragen aan agentschappen

24.033

0

24.033

0

24.033

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan ILT

13.116

0

13.116

0

13.116

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan KNMI

218

0

218

0

218

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.809

0

2.809

0

2.809

0

0

0

0

Overige bijdragen aan agentschappen

7.890

0

7.890

0

7.890

0

0

0

0

          

Ontvangsten

1.101

0

1.101

1.200

2.301

0

0

0

0

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn vrijwel in lijn met de uitgavenmutaties die hieronder worden toegelicht.

Uitgaven

1 Algemeen departement

Opdrachten

De extra uitgaven betreffen voornamelijk de uitgaven voor het Regeringsvliegtuig. De inklaringskosten zijn niet meer in 2020 tot betaling zijn gekomen. Derhalve zijn de gereserveerde middelen doorgeschoven naar 2021 en bij Voorjaarsnota toegevoegd aan de IenW-begroting (€ 16,2 miljoen). Tevens verwacht PBL extra opbrengsten uit opdrachten voor contractonderzoek waarvan een deel wordt gerealiseerd met de inzet van tijdelijk personeel (€ 1,2 miljoen).

Ontvangsten

De verhoging betreft de extra opbrengst van de contractonderzoeks-opdrachten van PBL.

4.1 Artikel 97 Algemeen Kerndepartement

Tabel 20 Algemeen kerndepartement (Bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

Mutatie Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

41.876

58.137

252.028

‒ 74.034

236.131

      

Uitgaven

56.945

73.176

252.659

‒ 74.363

251.472

      

1. Algemeen departement

56.945

73.176

8.659

‒ 4.302

77.533

Opdrachten

32.188

48.881

6.157

‒ 4.594

50.444

Van A naar Beter

1.740

1.740

226

‒ 50

1.916

Ext. Juridische adv.

1.371

1.371

14

0

1.385

Onderzoeken PBL

2.714

4.144

2.134

152

6.430

Onderzoeken ANVS

3.745

3.587

1.393

‒ 1.400

3.580

Departementaal Coordinatiecentrum Crisisbeheersing

7.270

7.270

142

328

7.740

Regeringsvliegtuig

9.393

25.616

1.703

‒ 2.200

25.119

Overige Opdrachten

5.955

5.153

545

‒ 1.424

4.274

Subsidies

724

262

0

‒ 8

254

Bijdragen aan agentschappen

24.033

24.033

2.502

300

26.835

Waarvan bijdrage aan ILT

13.116

13.116

288

0

13.404

Waarvan bijdrage aan KNMI

218

218

2.455

0

2.673

Waarvan bijdrage aan RWS

2.809

2.809

65

0

2.874

Waarvan bijdrage aan RIVM

7.890

7.890

‒ 306

300

7.884

      

3. Testen reizigers

0

0

244.000

‒ 70.061

173.939

Opdrachten

0

0

244.000

‒ 70.061

173.939

Opdrachten COVID-19

0

0

244.000

‒ 70.061

173.939

      

Ontvangsten

1.101

2.301

0

0

2.301

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingenmutatie is grotendeels een weerspiegeling van de onderstaande uitgavenmutaties.

Uitgaven

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt € 178,3 miljoen. Hiervan is € 252,7 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van -/- € 74,4 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en wordt hieronder per artikelonderdeel toegelicht.

1. Algemeen departement

Opdrachten

Onderzoeken ANVS

De verlaging van het budget voor onderzoeken ANVS is met name het gevolg van onderzoeksprojecten die niet doorgaan of zijn doorgeschoven naar 2022 als gevolg van COVID19 en vertraging in de start en doorlooptijd van de projecten Cybersecurity en Toezicht Pallas.

Regeringsvliegtuig

Doordat er nog geen accountantsverklaringen zijn over 2019 en 2020 voor het regeringsvliegtuig kan de eindafrekening daarvoor nog niet plaatsvinden. Dit budget valt daarom dit jaar vrij en wordt buiten de eindejaarsmarge om meegenomen naar 2022.

Overige opdrachten

De verlaging van het budget voor overige opdrachten is met name het gevolg van onderzoeksprojecten die niet doorgaan of zijn doorgeschoven naar 2022 als gevolg van COVID19.

3. Testen reizigers

Opdrachten

Opdrachten COVID-19

Het aantal afgenomen testen voor reizigers is lager uitgevallen dan de eerste ramingen waren. De voorlopige inschatting is dat een bedrag van € 60,0 miljoen niet besteed zal worden.

Daarnaast is er € 9,5 miljoen overgeboekt naar VWS voor het Digitaal Corona Certificaat en € 0,6 miljoen naar BZ voor de tijdelijke opschaling van de crisis-coördinatie. Deze budgetten zijn benodigd voor een toename van vragen over het Digitaal Corona Certificaat en het project testen voor reizigers.

4.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Tabel 22 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (bedragen x € 1.000)

98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

327.912

0

327.912

4.159

332.071

2.954

1.148

1.388

‒ 20

          

Uitgaven

335.315

0

335.315

5.436

340.751

3.206

1.413

1.458

‒ 20

          

1 Personele uitgaven

244.156

0

244.156

9.172

253.328

4.078

3.741

3.879

1.633

Eigen personeel

218.170

0

218.170

3.927

222.097

3.754

3.441

3.566

1.320

Inhuur externen

19.210

0

19.210

5.301

24.511

373

367

370

370

Overige personele uitgaven

6.776

0

6.776

‒ 56

6.720

‒ 49

‒ 67

‒ 57

‒ 57

          

2 Materiële uitgaven

91.159

0

91.159

‒ 3.736

87.423

‒ 872

‒ 2.328

‒ 2.421

‒ 1.653

ICT

24.845

0

24.845

‒ 2.531

22.314

‒ 575

‒ 2.159

‒ 2.177

‒ 1.888

Bijdrage aan SSO's

42.952

0

42.952

1.963

44.915

575

506

612

659

Overige materiële uitgaven

23.362

0

23.362

‒ 3.168

20.194

‒ 872

‒ 675

‒ 856

‒ 424

          

Ontvangsten

8.297

0

8.297

1.390

9.687

0

0

0

0

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn het gevolg van onderstaande uitgavenmutaties. Het verschil is voornamelijk het gevolg van eerdere verplichtingenschuiven van 2021 naar 2020 ten behoeve van het aangaan van inhuurcontracten (€ 1,3 miljoen)

Uitgaven

1 Personele uitgaven

De verhoging van de uitgaven eigen personeel (€ 3,9 miljoen) betreft overwegend:

  • Een verdere afbouw van externe inhuur naar Eigen personeel (€ 0,6 miljoen);

  • Uitgaven door PBL t.b.v. contractonderzoek. De opdrachten komen voornamelijk uit de Europese Commissie (onderzoekprogrammma's CLIMA, COMMIT, CRESCENDO, NAVIGATE, etc.). Voor uitvoering van contractonderzoek worden wetenschappelijke medewerkers op tijdelijke basis aangesteld. Hiertegenover staan ontvangsten (€ 0,4 miljoen);

  • Met de terugkeer van een aantal medewerkers van BZK na het einde van het project Omgevingswet worden de kosten van salaris, personele exploitatie en overhead teruggeboekt naar IenW, conform de maakte afspraken bij de herverkaveling (€ 0,8 miljoen);

  • Een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds ten behoeve van de apparaatskosten opdrachtgevers Unit ERTMS 2021(€ 0,3 miljoen);

  • Voor de extra inzet van 2 fte voor versterking van de strategisch inhoudelijke inzet voor het programma IJsselmeer-gebied vindt een overheveling plaats vanuit artikel 11 (€ 0,5 miljoen);

  • Een overboeking van de reservering Klimaatakkoord vanuit artikel 14 naar het apparaatsbudget van Duurzame Mobiliteit. Binnen de middelen voor het Klimaatakkoord is hiervoor conform de bestedingsplannen een reservering voor de uitvoeringskosten getroffen (€ 2 miljoen).

  • Op het programmabudget van het Kennisinstituut Mobiliteitsbeleid (KIM) is behoefte aan expertise. Voor deze expertise wordt voor het aangaan van tijdelijke contracten en detacheringen budget overgeheveld vanuit artikel 97 (€ 0,2 miljoen);

  • Diverse kleine herschikkingen (- € 1,0 miljoen).

De hogere inhuur (€ 5,3 miljoen) is met name het gevolg van:

  • Overboekingen van gereserveerde gelden vanuit het Infrastructuufonds en Deltafonds voor inhuur op programma’s Digitale Transport Strategie (€ 0,7 miljoen), Cybersecurity Waterveiligheid (€ 0,8 miljoen), ERTMS (€ 0,2 miljoen) en MIRT verkenning A15 (€ 0,2 miljoen);

  • Bijdragen vanuit de programmabudgetten ingezet voor de inhuur voor o.a. Programma Ons Water, Smart Mobility, World Circular Economy Forum (WCEF), de Beschikbaarheidsvergoeding OV (BVOV), Intelligente Transportsystemen (ITS), Program Management Office (PMO), Luchtvaartherziening en Luchtvaartveiligheid, Klimaatadaptie en de herstructurering van BOA taken (€ 2,1 miljoen);

  • Inhuur voor dienstverlening t.b.v. de ontwikkeling van de Opvolging Bedrijfsvoeringssysteem SAP (OBS) (€ 1,0 miljoen), waar ontvangsten van BUZA tegenover staan;

  • Diverse kleine herschikkingen (€ 0,3 miljoen).

2 Materiële uitgaven

De afname van uitgaven (€ 2,5 miljoen) aan ICT betreft voornamelijk:

  • Herschikking naar materieel voornamelijk t.b.v. het Programma Open Overheid en Digi-inkoop (- € 0,1 miljoen);

  • Herschikking naar Bijdrage Rijksbrede SSO’s m.b.t. de kosten voor Informatie Huishouding (- € 0,8 miljoen);

  • Voor het programma Opvolging bedrijfsvoeringssysteem SAP (OBS) is een deel van de licenties in 2020 aangeschaft. Als gevolg van de opgelopen vetraging door COVID-19 wordt een ander deel pas in 2022 aangeschaft. Hiervoor is een kasschuif noodzakelijk van 2021 naar 2022 (€ 1,6 miljoen).

Hogere bijdragen Rijksbrede SSO (€ 2,0 miljoen) zijn overwegend het gevolg van:

  • Een herschikking van de kosten voor Informatie Huishouding van ICT naar Bijdragen Rijksbrede SSO (€ 0,8 miljoen);

  • Een herschikking vanuit Materieel t.b.v. meerkosten PBL transitie naar Campus en generieke ict dienstverlening t.b.v. ANVS (€ 1,1 miljoen).

Lagere uitgaven overig materieel (€ 3,2 miljoen) overwegend als gevolg van:

  • Diverse bijdragen aan BZK in het kader van Bureau ICT Toetsing (BIT), Transitie Digi-inkoop en HRM in inkoopdomein (samen ‒ € 2,3 miljoen);

  • Herschikking naar Bijdrage Rijksbrede SSO’s t.b.v. de meerkosten voor PBL van de transitie naar Campus en generieke ict dienstverlening t.b.v. ANVS (- € 1,1 miljoen);

  • Herschikking vanuit ICT voornamelijk t.b.v. het Programma Open Overheid en Digi-inkoop (€ 0,1 miljoen).

Ontvangsten

De hogere ontvangsten (€ 1,4 miljoen) zijn het gevolg van een ontvangst van BUZA voor SAP (€ 1,0 miljoen) en een bijdrage aan PBL t.b.v. contractonderzoek (€ 0,4 miljoen).

4.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Tabel 21 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (Bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

 

Mutaties Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

327.912

332.071

32.851

13.267

378.189

      

Uitgaven

335.315

340.751

35.697

7.181

383.629

      

Personele uitgaven

244.156

253.328

30.024

5.544

288.896

eigen personeel

218.170

222.097

15.486

1.180

238.763

inhuur externen

19.210

24.511

14.658

5.381

44.550

overige personele uitgaven

6.776

6.720

‒ 120

‒ 1.017

5.583

      

Materiële uitgaven

91.159

87.423

5.673

1.637

94.733

ICT

24.845

22.314

7.367

4.033

33.714

bijdrage aan SSO's

42.952

44.915

‒ 8.737

2.061

38.239

overige materiële uitgaven

23.362

20.194

7.043

‒ 4.457

22.780

      

Ontvangsten

8.297

9.687

0

162

9.849

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Verplichtingen

Het verplichtingenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting per saldo met € 46,1 miljoen verhoogd. Hiervan is € 32,93 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. Een bedrag van € 13,3 miljoen heeft betrekking op de Najaarsnota en zijn het gevolg van onderstaande uitgavenmutaties. Het verschil met de uitgaven is voornamelijk het gevolg van verplichtingenschuiven van 2022 naar 2021 ten behoeve van het aangaan van detacherings- en inhuurcontracten (€ 5,3 miljoen) en een technische correctie t.b.v. het terugboeken van niet gebruikte ERTMS (kas)gelden naar het Infrastructuurfonds (€ 0,3 miljoen) en enkele herschikkingen (€ 0,5 miljoen) binnen HXII.

Uitgaven

Het uitgavenbudget wordt bij 2e suppletoire begroting met in totaal € 42,9 miljoen verhoogd. Hiervan is € 35,7 miljoen verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht. De overige mutaties 2e suppletoire begroting (€ 7,2 miljoen) worden hieronder toegelicht

Personele uitgaven

Hogere personele kosten zijn voornamelijk het gevolg van:

  • Een overboeking van de reservering Klimaatakkoord van artikel 14 naar het apparaatsbudget van Duurzame Mobiliteit artikel 98. Binnen de middelen voor het Klimaatakkoord was hiervoor conform de bestedingsplannen een reservering voor de uitvoeringskosten getroffen (€ 1 miljoen);

  • Overboeking naar Inhuur voor inzet op vacatureruimte (€ 2,1 miljoen);

  • Een incidentele meevaller in de bijdrage aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) vanwege het niet volledig effectueren van de uitbreiding van de formatie bij NEa ( € 0,9 miljoen);

  • Bijdrage EZK aan PBL ter financiering van de uitvoering van de Rekenmeesterfunctie (€ 1,4 miljoen).

De hogere inhuur is met name het gevolg van:

  • Inzet ten behoeve van de opvolging van de maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport «ongekend onrecht» van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) en de gevolgen van het programma Open Overheid (€ 1,2 miljoen);

  • Extra inzet voor het programma Luchtruimherziening (€ 0,7 miljoen);

  • Inhuur voor dienstverlening t.b.v. de ontwikkeling van de Opvolging Bedrijfsvoeringssysteem SAP (OBS) (€ 1,2 miljoen);

  • Overboeking vanuit personeel voor noodzakelijke inhuur op vacatureruimte (€ 2,1 miljoen);

  • Terugboeking naar het Infrastructuurfonds van apparaatsuitgaven in het kader van ERTMS en Vrachtwagenheffing. Deze uitgaven zijn lager zijn dan voorzien en worden toegevoegd aan het macrobudget op het IF (€ 1,6 miljoen miljoen);

  • Herschikking vanuit ICT voor t.b.v. inzet voor het programma Informatiehuishouding (€ 0,4 miljoen);

  • Extra inhuur t.b.v. Smart mobility, duurzame luchtvaart en verwerking WOB verzoeken (€ 0,9 miljoen);

  • Diverse hogere inhuur (€ 0,3 miljoen).

Overige personele uitgaven:

  • Door de verzekeringsmaatschappijen zijn lagere kosten voor postactieven in rekening gebracht bij IenW dan was voorzien (€ 1,0 miljoen).

Materiële uitgaven

De toename van uitgaven aan ICT betreft voornamelijk:

  • Ontvangen bijdragen subsidie Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) 2e tranche 2021, waarvan een deel reeds is herverdeeld binnen de organisatie (€ 2,4 miljoen);

  • Herschikking vanuit materieel voornamelijk t.b.v. het Programma Open Overheid (€ 1,9 miljoen);

  • Herschikking naar Bijdrage Rijksbrede SSO’s m.b.t. de kosten kantoorautomatisering uitbesteed aan SSC/ICT (€ 1,8 miljoen);

  • Kosten ter ondersteuning van de COVID-Directie op ICT-gebied (€ 0,4 miljoen);

  • Kosten ontwikkeling Opvolging Bedrijfsvoeringssysteem SAP (OBS) waaronder de bijdrage vanuit RWS (€ 1,5 miljoen);

  • Herschikking naar externe inhuur voor t.b.v. inzet voor het programma Informatiehuishouding (€ 0,4 miljoen).

Hogere bijdragen Rijksbrede SSO zijn overwegend het gevolg van:

  • Herschikking vanuit ICT m.b.t. de kosten kantoorautomatisering uitbesteed aan SSC/ICT (€ 1,8 miljoen);

  • Saldo Bijdrage RWS in facilitaire kosten en lagere kosten a.g.v. COVID 19 (€ 0,3 miljoen).

Lagere Overige materiële uitgaven zijn overwegend het gevolg van:

  • Terugboeking naar het Infrastructuurfonds van apparaatsuitgaven in het kader van ERTMS. Deze uitgaven zijn lager zijn dan voorzien en worden toegevoegd aan het macrobudget op het Infrastructuurfonds (€ 0,5 miljoen);

  • Herschikking naar ICT voornamelijk in het kader van het Programma Open Overheid o.a. t.b.v. de implementatie van Webarchiveringen (€ 1,9 miljoen);

  • Herverdeling in het kader van programma Open Overheid naar Externe inhuur en Personele kosten (€ 1,5 miljoen);

  • Overboeking van budget naar de agentschappen RWS, KNMI en ILT voor compensatie van gemaakte kosten in het kader van de Participatiewet (€ 2,8 miljoen);

  • Tot slot zijn er bijdragen ontvangen door PBL voor de uitvoering van de Rekenmeesterfunctie en de Lerende evaluatie natuurpact (€ 0,3 miljoen);

  • In het kader van de gemaakte CAO-afspraken is een vergoeding ontvangen. Deze is geparkeerd op een corporate budget (€ 1,9 miljoen).

4.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

Tabel 23 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)

99 Nog onverdeeld

Ontwerpbegroting t (1)

Mutaties via NvW, moties, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting t (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutaties 2022

Mutaties 2023

Mutaties 2024

Mutaties 2025

Verplichtingen

0

0

0

251.330

251.330

231.294

261.608

251.691

251.092

          

Uitgaven

0

0

0

251.330

251.330

231.294

261.608

251.691

251.092

1 Nominaal en onvoorzien

0

0

0

251.330

251.330

231.294

261.608

251.691

251.092

          

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties zijn in lijn met de uitgavenmutaties die hieronder worden toegelicht.

Uitgaven

1 Nominaal en onvoorzien

Per saldo is het budget op nominaal en onvoorzien met € 251,3 miljoen toegenomen. Dit komt door onderstaande mutaties:

  • Bij de eerste suppletoire begroting wordt de loon- en prijsbijsteling tranche 2021 toegevoegd aan de beleidsbegroting hoofdstuk XII en geplaatst op artikel 99 'Nog onverdeeld'. Het gaat in 2021 om een bedrag van € 224,4 miljoen voor de drie IenW-begrotingen in totaal.

  • Ook de eindejaarsmarge 2020 wordt toegevoegd aan de beleidsbegroting en geplaatst op artikel 99. Het gaat om € 25,1 miljoen, waarvan € 6,2 miljoen HGIS-middelen.

  • Daarnaast worden in deze eerste suppletoire begroting 2021 middelen voor «Open overheid» toegevoegd aan de IenW-begroting en geplaatst op artikel 99 'Nog onverdeeld'. In 2021 gaat het om € 1,8 miljoen.

De loon- en prijsbijstelling wordt bij de ontwerpbegroting 2022 toebedeeld aan de diverse artikelen binnen de begrotingen hoofdstuk XII, Infrastructuurfonds en Deltafonds.

De eindejaarsmarge en de middelen voor «open overheid» worden bij de ontwerpbegroting 2022 toebedeeld aan de diverse artikelen binnen de begroting hoofdstuk XII.

4.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

Tabel 22 Nog onderdeeld (Bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting1

Stand 1e suppletoire begroting (2)1

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4) = (2) + (3)

Mutaties Miljoenennota1

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

Verplichtingen

0

251.330

‒ 251.330

0

0

      

Uitgaven

0

251.330

‒ 251.330

0

0

      

Ontvangsten

0

0

0

0

0

1

(incl. ISB, NvW en amendementen)

Toelichting

Het totaal van de mutaties 2e suppletoire begroting bedraagt -/- € 251,3 miljoen. Het totaal van € 251,3 miljoen is verwerkt in de mutaties Miljoenennota en aldaar toegelicht.

5 Agentschappen

5 Agentschappen

5.1 Rijkswaterstaat

Tabel 24 Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap RWS Eerste suppletoire begroting 2021 (bedragen x € 1.000)1

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

Baten

   

Omzet moederdepartement

2.547.067

160.971

2.708.038

Omzet overige departementen

73.134

‒ 4.106

69.028

Omzet derden

199.030

3.792

202.822

Omzet nutw

313.598

123.010

436.608

Rentebaten

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

Bijzondere baten

3000

0

3000

Totaal baten

3.135.829

283.667

3.419.496

    

Lasten

   

Apparaatskosten

1.259.879

46.264

1.306.143

Personele kosten

1.002.633

41.734

1.044.367

Waarvan eigen personeel

919.847

35.116

954.963

Waarvan inhuur externen

82.786

6.618

89.404

Waarvan overige personele kosten

0

0

0

Materiële kosten

257.246

4.530

261.776

Waarvan apparaat ICT

39.261

‒ 2.931

36.330

Waarvan bijdrage aan SSO's

67.880

1.600

69.480

Waarvan overige materiële kosten

150.105

5.861

155.966

Beheer en Onderhoud

1.846.320

283.137

2.084.457

Rentelasten

756

‒ 46

710

Afschrijvingskosten

19.097

183

19.280

Materieel

19.097

‒ 227

18.870

Waarvan apparaat ICT

5.271

3.119

8.390

Waarvan overige materiele afschrijvingskosten

13.826

‒ 3.346

10.480

Immaterieel

0

410

410

Overige lasten

3.800

0

3.800

Dotaties voorzieningen

3.800

0

3.800

Bijzondere lasten

0

0

0

    

Totaal lasten

3.129.852

284.538

3.414.390

    

Saldo van baten en lasten

5.977

‒ 871

4.976

1

In de ontwerpbegroting 2021 zijn in de begrotingsstaat van de baten-lastenagentschappen abusievelijk onjuiste baten en lasten opgenomen voor RWS. In de begrotingsstaat van deze 1e suppletoire begroting zijn in de kolom vastgestelde begroting de juiste bedragen opgenomen. In de Memorie van Toelichting op de wet (paragraaf 5 van de begroting) waren in de ontwerpbegroting reeds de juiste bedragen opgenomen.

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De hogere omzet moederdepartement ten opzichte van de begroting 2021 (€ 161,0 miljoen) is veroorzaakt door:

  • Het verhelpen van de spanning tussen het budgettair kader en de budgetbehoefte van RWS voor het Hoofdwegennet in 2020 ad € -103 miljoen (budgetschuif van 2021 naar 2020);

  • Het verhelpen van de spanning tussen het budgettair kader en de budgetbehoefte van RWS voor het Hoofdwegennet (€ 136,0 miljoen) en het Hoofdvaarwegennet (€ 27,5 miljoen) in 2021;

  • Het overhevelen van budget voor het ‘tijdelijke pompen gemaal IJmuiden’ van het Vervanging en Renovatie budget, naar het budget Beheer en onderhoud Waterveiligheid (€ 26 miljoen);

  • Aanvullende bijdrage van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor het Maritiem Informatievoorziening Servicepunt. In opdracht van EZK gaat Rijkswaterstaat data verzamelen over water, wind, neerslag en fauna bij diverse windparken op zee (€ 17,9 miljoen);

  • Aanvullende bijdrage in het kader van de uitvoering van het ‘Urgenda II-pakket’ om vanaf 1 januari 2021 circulaire maatregelen uit te voeren die tot een reductie van CO2-uitstoot leiden (€ 7,5 miljoen);

  • Bijdrages van opdrachtgevers voor overeengekomen opdrachten van een geringere omvang en een gezamenlijke waarde van € 13,6 miljoen.

Tot slot is rekening gehouden met het uitkeren van de loon- en prijsbijstelling 2021 om de vastgestelde tarieven per fte en de budgetten voor beheer en onderhoud op prijspeil 2021 te brengen (€ 35,1 miljoen). Omdat de loon- en prijsbijstelling 2021 nog niet bekend is, is voor de voorjaarsnota 2021 uitgegaan van de loon- en prijsbijstelling 2020.

Omzet overige departementen

De lagere omzet overige departementen ten opzichte van de begroting 2021 (- € 4,1 miljoen) is veroorzaakt door voortschrijdend inzicht over de voortgang van de productie, in verband met de aanhoudende corona-pandemie (o.a. omgevingswet).

Omzet derden

De hogere omzet derden ten opzichte van de begroting 2021 (€ 3,8 miljoen) is het gevolg van voortschrijdend inzicht over de voortgang van de productie ‘werken voor en met partners’ in verband met de aanhoudende corona-pandemie (- € 5,5 miljoen). Hiertegenover staan hogere verwachte opbrengsten uit vastgoed (€ 7,0 miljoen) in verband met de realisatie van windparken op RWS – areaal (o.a. Fryslân en Krammer) en vanuit de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (€ 2,3 miljoen).

Omzet nog uit te voeren werkzaamheden

Een deel van de kosten beheer en onderhoud wordt dit jaar gefinancierd vanuit de balanspost ‘Nog Uit Te Voeren Werkzaamheden’ (NUTW). Vanuit de balanspost NUTW zal dit jaar naar verwachting € 436,6 miljoen worden ingezet voor de werkzaamheden in het kader van de Service Level Agreement tussen RWS en haar opdrachtgevers en overige werkzaamheden. Dit betekent dat er bij in 2021 € 123 miljoen wordt toegevoegd voor NUTW.

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele kosten bestaan uit de kosten van het eigen personeel en de kosten van de ingehuurde capaciteit voor de uitvoering van kerntaken.

De hogere kosten eigen personeel ten opzichte van de begroting 2021 (€ 35,1 miljoen), komen doordat er rekening is gehouden met een verwachte loonbijstelling vanuit de Cao-onderhandelingen 2021. Omdat de onderhandelingen nog niet zijn afgerond, is voor de 1e suppletoire begroting 2021, uitgegaan van de loonbijstelling 2020. Zie ook de toelichting bij omzet moederdepartement.

De hogere kosten inhuur externen ten opzichte van de begroting (€ 6,6 miljoen) wordt met name veroorzaakt door de hoge productieopgave van RWS. Hiervoor is extra formatie beschikbaar gesteld. Vooruitlopend op het invullen van functies met eigen medewerkers zal RWS meer inhuren. Vanaf het moment van bezetting, loopt de inhuur nog een tijdje door vanwege inwerken en overdracht van kennis. Daarnaast blijft het door krapte op de arbeidsmarkt voor specialistische functies moeilijk om de benodigde capaciteit op kerntaken volledig te kunnen invullen met eigen personeel.

Materiele kosten

De materiele kosten volgens de 1e suppletoire begroting liggen in lijn met de vastgestelde begroting. De toename van € 4,5 miljoen is het gevolg van verbetertrajecten voor de interne RWS organisatie.

Beheer en onderhoud

De hogere kosten beheer en onderhoud ten opzichte van de begroting 2021 (€ 238,1 miljoen) worden met name veroorzaakt door het versnellen van onderhoudswerkzaamheden en het uitvoeren van meer werkzaamheden, die in eerdere jaren waren gepland, dan oorspronkelijk begroot.

Rentelasten

De rentelasten zijn met € 0,05 miljoen naar beneden bijgesteld omdat zowel de investeringen in het lopende jaar als de afgelopen jaren lager zijn dan van tevoren gepland.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten conform de 1e suppletoire begroting liggen in lijn met de vastgestelde begroting.

Dotatie aan reserve Rijksrederij

Het verschil tussen de doorbelaste rente en afschrijvingskosten voor de vaartuigen van de Rijksrederij op basis van vervangingswaarde (waarop de tarieven worden gebaseerd) en de afschrijvings- en rentekosten op basis van de historische kostprijs (waarop de vaartuigen worden gewaardeerd) is met € 0,9 miljoen naar boven bijgesteld. Van het totale verschil ad. € 8,8 miljoen wordt naar verwachting € 5,0 miljoen gedoteerd aan de reserve Rijksrederij, bestemd voor de aanschaf van nieuw vaartuigen en € 3,8 miljoen aan de voorziening groot onderhoud vaartuigen, bestemd voor groot, levensduur verlengend, onderhoud.

Agentschapsdeel Vpb-lasten

In 2019 is in overleg met de Belastingdienst komen vast te staan dat over het overgrote deel van de opbrengsten uit ingebruikgevingen geen Vpb betaald hoeft te worden. Hierdoor is het agentschapsdeel Vpb- lasten voor 2021 begroot op € 130 duizend (conform vastgestelde begroting).

Tabel 25 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2021

551.288

187.873

739.161

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

2.822.231

160.657

2.982.888

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 3.107.085

‒ 284.355

‒ 3.391.440

2.

Totaal operationele kasstroom

‒ 284.854

‒ 123.698

‒ 408.552

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 38.314

‒ 1.916

‒ 40.230

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

   

3.

Totaal investeringkasstroom

‒ 38.314

‒ 1.916

‒ 40.230

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

 

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

8.600

0

8.600

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 16.855

1.173

‒ 15.682

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

36.400

1.820

38.220

4.

Totaal financieringskasstroom

28.145

2.993

31.138

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2021 (=1+2+3)

256.265

65.252

321.517

Toelichting

Rekening courant RHB 1 januari 2021

Dit is de mutatie naar de werkelijke stand per 1-1-2021. Voor een uitgebreide toelichting zie het jaarverslag 2020.

Operationele kasstroom

Hieronder vallen de ontvangsten en uitgaven uit de reguliere bedrijfsvoering. De hogere ontvangsten operationele kasstroom ten opzichte van de begroting 2021 (€ 160,7 miljoen) worden met name veroorzaakt door de hogere ontvangsten van het moederdepartement, de overige departementen en derden. De hogere uitgaven operationele kasstroom ten opzichte van de begroting 2021 (€ 284,4 miljoen) worden met name veroorzaakt door de hogere kosten voor eigen personeel, inhuurkrachten en beheer en onderhoud.

Investeringskasstroom

Hieronder vallen de investeringen in nieuwe en bestaande activa en de boekwaarden, boekwinsten en boekverliezen van de verschrootte en verkochte vaste activa. Het bedrag in 2021 is € 1,9 miljoen hoger dan de begroting. Dit komt door extra investeringen in ICT naar aanleiding van de corona pandemie.

Financieringskasstroom

Hieronder vallen alle geldstromen die te relateren zijn aan de financiering van RWS. Het hogere beroep op de leenfaciliteit ten opzichte van de begroting (€ 1,8 miljoen) is het gevolg van de hierboven genoemde hogere investeringen.

5.1 Rijkswaterstaat

Tabel 23 Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap Rijkswaterstaat Suppletoire begroting 2021 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
 

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

Baten

    

Omzet

3.132.829

283.667

41.510

3.458.006

waarvan omzet moederdepartement

2.547.067

160.971

205.824

2.913.862

waarvan omzet overige departementen

73.134

‒ 4.106

11.712

80.740

waarvan omzet derden

199.030

3.792

‒ 2.547

200.275

waarvan omzet nog uit te voeren werkzaamheden

313.598

123.010

‒ 173.479

263.129

Rentebaten

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

820

820

Bijzondere baten

3.000

0

‒ 1.500

1.500

Totaal baten

3.135.829

283.667

40.830

3.460.326

     

Lasten

    

Apparaatskosten

1.259.879

46.264

1.834

1.307.977

- Personele kosten

1.002.633

41.734

‒ 2.557

1.041.810

waarvan eigen personeel

919.847

35.116

‒ 2.379

952.584

waarvan inhuur externen

82.786

6.618

‒ 178

89.226

waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

- Materiële kosten

257.246

4.530

4.391

266.167

waarvan apparaat ICT

39.261

‒ 2.931

0

36.330

waarvan bijdrage aan SSO's

67.880

1.600

281

69.761

waarvan overige materiële kosten

150.105

5.861

4.110

160.076

Externe Productkosten

1.846.320

238.137

16.568

2.101.025

Rentelasten

756

‒ 46

12

722

Afschrijvingskosten

19.097

183

‒ 654

18.626

- Materieel

19.097

‒ 227

‒ 529

18.341

waarvan apparaat ICT

5.271

3.119

‒ 3.154

5.236

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

13.826

‒ 3.346

2.625

13.105

- Immaterieel

0

410

‒ 125

285

Overige lasten

3.800

0

10.743

14.543

waarvan dotaties voorzieningen

3.800

0

10.693

14.493

waarvan bijzondere lasten

0

0

50

50

Totaal lasten

3.129.852

284.538

28.503

3.442.893

     

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

5.977

‒ 871

12.327

17.433

Agentschapsdeel Vpb-lasten

130

0

0

130

Saldo van baten en lasten

5.847

‒ 871

12.327

17.303

Dotatie aan reserve Rijksrederij

5.847

‒ 871

‒ 4.976

0

Te verdelen resultaat

0

0

17.303

17.303

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De hogere omzet moederdepartement ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 179,2 miljoen wordt met name veroorzaakt door een hogere prijsbijstelling dan waar bij de eerste suppletoire begroting 2021 rekening mee was gehouden (€ 26,2 miljoen), Vervolgopdracht Meer Veilig ten behoeve van veiligheidsmaatregelen op A- en N-wegen (€ 25,4 miljoen), aanvullend budget voor extra benodigde middelen voor de reparatie van pomp 5 en 6 en de verlenging van de inzet van tijdelijke pompinstallaties bij gemaal IJmuiden (€ 24,4 miljoen), de verdere versterking van de Cyber Security van RWS (€ 13,6 miljoen), Maritiem Informatievoorziening Servicepunt (MIVSP) budget voor het verzamelen van data over water en wind bij diverse windparken op zee (€ 12,9 miljoen), Brexit maatregelen (€ 10,0 miljoen), herstelwerkzaamheden Stuw Linne (€ 9,0 miljoen), voor Wind op Zee 2021 als gevolg van risico’s voor scheepvaartveiligheid door het plaatsen van windmolenparken op zee (€ 8,1 miljoen), herstel stormschade zuidelijk havenhoofd IJmuiden (€ 7,1 miljoen), instandhouding van het Landelijk Meetnet Water (€ 6,2 miljoen) en vervanging van Openbare Verlichting in Zuid Nederland (€ 5,2 miljoen). Het overige verschil betreft meerdere mutaties kleiner dan € 5 miljoen.

Omzet overige departementen

De hogere omzet overige departementen ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 11,7 miljoen wordt met name veroorzaakt door de aanvullende vergoedingen van het ministerie van Defensie, het ministerie van Financiën en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het gebruik van de vaartuigen van de Rijksrederij (€ 7,9 miljoen) en door de aanvullende vergoeding van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor de capaciteit die RWS levert in het kader van de Omgevingswet en de bijbehorende externe productkosten (€ 4,0 miljoen).

Omzet nog uit te voeren werkzaamheden

RWS is een agentschap met een baten-lasten administratie. Bij de instelling van het agentschap is met het ministerie van Financiën afgesproken dat RWS geen resultaat (verlies of winst) mag behalen op de kosten die worden gemaakt voor activiteiten die door de markt worden verricht. De middelen die aan het einde van een boekjaar over zijn of tekort worden gekomen, worden op de balans van RWS verantwoord onder de benaming Nog Uit Te voeren Werkzaamheden (NUTW). Via deze balanspost kunnen middelen eerder of later worden aangewend dan oorspronkelijk voorzien. Deze werkwijze is analoog aan de werkwijze die wordt gevolgd op het Deltafonds en het Infrastructuurfonds. Daar wordt immers een saldo dat in enig jaar ontstaat meegenomen naar of verrekend met het volgende begrotingsjaar. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van werkzaamheden kan immers blijken dat deze op een later of eerder moment gerealiseerd zullen worden dan bij het opstellen van de programmering en begroting was voorzien. De omvang van deze balanspost wordt aan het eind van ieder jaar bepaald door de kosten in dat jaar van de omzet af te trekken. Een deel van de externe productkosten wordt dit jaar gefinancierd vanuit de balanspost Nog Uit Te Voeren Werkzaamheden (NUTW). De balanspost NUTW zal dit jaar naar verwachting afnemen met € 289,2 miljoen van € 519,3 miljoen ultimo 2020 naar € 230,1 miljoen ultimo 2021.

Vrijval voorzieningen

Dit betreft de verwachte vrijval uit de reorganisatievoorziening, onderdeel loonkosten Van-werk-naar-werk kandidaten.

Bijzondere baten

De lagere bijzondere baten ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 1,5 miljoen worden met name veroorzaakt doordat er dit jaar geen verrekening van de BTW suppletie over 2016 wordt verwacht.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten bestaan uit de kosten van het eigen personeel en de kosten van de ingehuurde capaciteit voor de uitvoering van kerntaken.

De lagere kosten eigen personeel ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 14,7 miljoen worden met name veroorzaakt door het uitblijven van een nieuw CAO akkoord. In 2021 is vooralsnog alleen sprake van een lichte stijging van de ABP pensioenpremie, waardoor de werkelijke loonstijging op dit moment lager ligt dan de door het ministerie van Financiën uitgekeerde loonbijstelling 2021. Indien er dit jaar nog een nieuw CAO akkoord wordt gesloten, zullen de kosten eigen personeel stijgen.

De inhuur op apparaat (kerntaken) is nagenoeg gelijk aan de stand 1e suppletoire begroting.

Overige lasten

De hogere overige lasten ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 10,7 miljoen worden met name veroorzaakt door de verwachte dotatie aan de Reorganisatievoorziening (€ 2,0 miljoen) en de verhoging van de verwachte dotatie aan de voorziening groot onderhoud vaartuigen (€ 8,7 miljoen).De verwachte dotatie aan de voorziening groot onderhoud vaartuigen stijgt hiermee van € 3,8 miljoen naar € 12,5 miljoen. Deze stijging hangt samen met het vlootvervangingsprogramma en de investeringen die worden gevraagd om de bestaande vloot langer varende te houden. De post bijzondere lasten ad. € 0,05 miljoen bestaat met name uit de verwachte boekwaarde op verschrootte vaste activa.

Dotatie aan reserve Rijksrederij

Het verschil tussen de afschrijvingskosten en rentekosten op basis van historische kostprijs en de afschrijvingskosten en rentekosten op basis van vervangingswaarde wordt dit jaar naar verwachting volledig gedoteerd aan de voorziening groot onderhoud vaartuigen voor de investeringen die worden gevraagd om de bestaande vloot langer varende te houden.

Tabel 24 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
  

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

551.288

187.873

0

739.161

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

2.822.231

160.657

213.489

3.196.377

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 3.107.085

‒ 284.355

‒ 18.464

‒ 3.409.904

2.

Totaal operationele kasstroom

‒ 284.854

‒ 123.698

195.025

‒ 213.527

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 38.314

‒ 1.916

3.100

‒ 37.130

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 38.314

‒ 1.916

3.100

‒ 37.130

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

8.600

0

0

8.600

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 16.855

1.173

566

‒ 15.116

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

36.400

1.820

‒ 2.945

35.275

4.

Totaal financieringskasstroom

28.145

2.993

‒ 2.379

28.759

5.

Rekening courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

256.265

65.252

195.746

517.263

Toelichting

Operationele kasstroom

Hieronder vallen de ontvangsten en uitgaven uit de reguliere bedrijfsvoering.

De hogere ontvangsten operationele kasstroom ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 213,5 miljoen worden met name veroorzaakt door de hogere ontvangsten van het moederdepartement. Voor meer toelichting wordt verwezen naar de post Omzet moederdepartement in het exploitatieoverzicht.

Investeringskasstroom

Hieronder vallen de investeringen in nieuwe en bestaande activa en de boekwaarden, boekwinsten en boekverliezen van de verschrootte en verkochte vaste activa.

De lagere investeringen ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 3,1 miljoen worden veroorzaakt door vertraagde levering van desktop computers, laptops en I-pads.

Financieringskasstroom

Hieronder vallen alle geldstromen die te relateren zijn aan de financiering van RWS.

Het lagere beroep op de leenfaciliteit ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2021 ad. € 2,9 miljoen is met name het gevolg van de hierboven genoemde lagere investeringen. 

5.2 Inspectie Leefomgeving en Transport

Tabel 26 Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap ILT Eerste suppletoire begroting 2021 (bedragen x € 1.000)1

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

Baten

   

- Omzet

168.247

‒ 8.116

160.131

waarvan omzet moederdepartement

143.547

‒ 8.116

135.431

waarvan omzet overige departementen

831

0

831

Waarvan omzet derden

23.869

0

23.869

Rentebaten

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

Bijzondere baten

0

13.116

13.116

Totaal baten

168.247

5.000

173.247

    

Lasten

   

Apparaatskosten

168.014

5.000

173.014

- Personele kosten

127.234

5.000

132.234

waarvan eigen personeel

120.861

5.000

125.861

waarvan inhuur externen

6.154

0

6.154

waarvan overige personele kosten

219

0

219

- Materiële kosten

40.780

0

40.780

waarvan apparaat ICT

221

0

221

waarvan bijdrage aan SSO's

19.779

0

19.779

waarvan overige materiële kosten

20.780

0

20.780

Rentelasten

0

0

0

Afschrijvingskosten

123

0

123

- Materieel

123

0

123

waarvan apparaat ICT

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

123

0

123

- Immaterieel

0

0

0

Overige lasten

110

0

110

waarvan dotaties voorzieningen

110

0

110

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

    

Totaal lasten

168.247

5.000

173.247

    

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsvoering

0

0

0

1

In de ontwerpbegroting 2021 zijn in de begrotingsstaat van de baten-lastenagentschappen abusievelijk onjuiste baten en lasten opgenomen voor ILT. In de begrotingsstaat van deze 1e suppletoire begroting zijn in de kolom vastgestelde begroting de juiste bedragen opgenomen. In de Memorie van Toelichting op de wet (paragraaf 5 van de begroting) waren in de ontwerpbegroting reeds de juiste bedragen opgenomen.

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De per saldo lagere bijdrage vanuit het moederdepartement wordt met name veroorzaakt door een overheveling van € 13,1 miljoen naar bijzondere baten (zie toelichting bijzondere baten). Daarnaast ontvangt de ILT extra middelen voor het toezicht op de nieuwe Europese verordening voor drones op het gebied van personeel, luchtwaardigheid en vluchtuitvoering. Daarnaast betreft het de inspectieactiviteiten ter verbetering van de luchtvaartveiligheid (Nederlands Luchtvaartveiligheidsprogramma (NLVP)). Het gaat bij deze posten om € 5 miljoen in 2021 en € 6 miljoen in 2022.

Bijzondere baten

In de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2021 zijn naast de bijdragen die gerelateerd zijn aan de geleverde en in rekening gebrachte producten/diensten voor de opdrachtgevers, ook de aanvullende bijdragen (vanuit artikel 97) meegenomen om opbrengsten te ondersteunen als gevolg van tariefmaximering. In de 1e suppletoire begroting wordt dit gecorrigeerd (in lijn met de Rijksbegrotingsvoorschriften) waardoor € 13,1 miljoen is overgeheveld van de post omzet moederdepartement naar de post bijzondere baten.

Lasten

Personele kosten

De kosten stijgen door de versterking van toezicht luchtvaart (€ 5 miljoen).

Tabel 27 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2021

39.825

9.021

48.846

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

163.613

5.000

168.613

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 163.413

‒ 5.000

‒ 168.413

2.

Totaal operationele kasstroom

200

0

200

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 200

0

‒ 200

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringkasstroom

‒ 200

0

‒ 200

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

699

699

 

Aflossingen op leningen (-/-)

0

0

0

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

699

699

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2021 (=1+2+3+4)

39.825

9.720

49.545

Toelichting

Rekening-courant RHB 1 januari 2021

Dit is de mutatie naar de werkelijke stand per 1-1-2021. Voor een uitgebreide toelichting zie het jaarverslag 2020.

Operationele kasstroom

De hogere uitgaven aan operationele kasstromen betreffen de extra middelen ad € 5 miljoen voor het toezicht op de nieuwe Europese verordening voor drones op het gebied van personeel, luchtwaardigheid en vluchtuitvoering. Daarnaast betreft het de inspectieactiviteiten ter verbetering van de luchtvaartveiligheid (Nederlands Luchtvaartveiligheidsprogramma (NLVP)).

Financieringsstroom

Over het jaar 2020 is het Eigen Vermogen van de ILT (€ 0,5 miljoen) als gevolg van een negatief resultaat van € 1,2 miljoen afgenomen tot ‒ € 0,7 miljoen. In lijn met de regeling agentschappen wordt het Eigen Vermogen aangevuld tot minimaal nihil met een directe vermogensmutatie door het moederdepartement van € 0,7 miljoen ten behoeve van het behoedzaam opbouwen van het Eigen Vermogen.

5.2 Inspectie Leefomgeving en Transport

Tabel 25 Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap ILT Suppletoire begroting 2021 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
 

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

Baten

    

Omzet moederdepartement

143.547

‒ 8.116

16.077

151.508

Omzet overige departementen

831

0

329

1.160

Omzet derden

23.869

0

0

23.869

Rentebaten

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

13.116

 

13.116

Totaal baten

168.247

5.000

16.406

189.653

     

Lasten

    

Apparaatskosten

168.014

5.000

16.406

189.420

Personele kosten

127.234

5.000

13.423

145.657

waarvan eigen personeel

120.861

5.000

4.698

130.559

waarvan inhuur externen

6.154

0

8.725

14.879

waarvan overige personele kosten

219

0

0

219

Materiële kosten

40.780

0

2.983

43.763

waarvan apparaat ICT

221

0

0

221

waarvan bijdrage aan SSO's

19.779

0

597

20.376

waarvan overige materiële kosten

20.780

0

2.386

23.166

Rentelasten

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

123

0

0

123

Materieel

123

0

0

123

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

0

0

0

0

Immaterieel

0

0

0

0

Overige lasten

0

0

0

0

waarvan dotaties voorzieningen

110

0

0

110

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

Totaal lasten

168.247

5.000

16.406

189.653

     

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet Moederdepartement

De hogere omzet van het moederdepartement met € 16,5 mln wordt veroorzaakt door:

  • Bijdragen voor de versterking van het toezicht op de luchtvaart (NLVP, Drones, Cybersecurity en Slothandhaving) ad € 5,3 mln

  • Bijdragen voor intensivering van het toezicht op milieu en leefbaarheid (€ 1,2 mln)

  • Bijdragen voor intensiveringen op het gebied van openbaar vervoer en spoor (€ 2,5 mln)

  • De compensatie voor loon- en prijsbijstelling (€ 3,2 mln)

  • Hogere bijdragen aan KIWA (€ 1,0 mln)

  • Compensatie voor de lagere opbrengsten vergunningverlening (€ 1,5 mln)

  • Technische mutaties (o.a. overheveling van fte’s) van in totaal € 1,9 mln

Omzet overige departementen

De hogere omzet overige departementen wordt veroorzaakt door extra toezicht bij de Autoriteit Woningcorporaties (€ 0,3 mln).

Lasten

Personele kosten

De personele kosten stijgen met € 4,1 mln door de nieuwe taken en intensiveringen.

Materiële kosten

De materiële kosten stijgen met € 6,3 mln, onder andere door compensatie voor de financiering van Inspectieview (€ 1,2 mln) en compensatie voor Kiwa (€ 1,0 mln). Daarnaast zijn er hogere bijdragen voor de SSO.

Tabel 26 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
  

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

39.825

9.021

0

48.846

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

163.413

5.000

16.885

185.498

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 163.413

‒ 5.000

‒ 16.885

‒ 185.298

2.

Totaal operationele kasstroom

200

0

0

200

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 200

0

0

‒ 200

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 200

0

0

‒ 200

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

699

0

699

 

Aflossingen op leningen (-/-)

0

0

0

0

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

699

0

699

5.

Rekening courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

39.825

9.720

0

49.545

Toelichting

Ten opzichte van de 1e suppletoire begroting zijn er geen majeure wijzigingen in het kasstroomoverzicht.

5.3 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

Tabel 28 Exploitatieoverzicht baten-lastenagentschap KNMI Eerste suppletoire begroting 2021 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

Baten

   

Omzet moederdepartement

53.953

5.684

59.637

Omzet overige departementen

3.005

‒ 54

2.951

Omzet derden

30.533

‒ 1.522

29.011

Rentebaten

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

Bijzondere baten

4.584

‒ 4.584

0

Totaal baten

92.075

‒ 476

91.599

    

Lasten

   

Apparaatskosten

72.129

‒ 157

71.972

Personele kosten

40.879

757

41.636

Waarvan eigen personeel

37.034

1.596

38.630

Waarvan inhuur externen

3.641

‒ 839

2.802

Waarvan overige personele kosten

166

0

166

Materiële kosten

31.250

‒ 914

30.336

Waarvan apparaat ICT

5.465

833

6.298

Waarvan bijdrage aan SSO's

4.439

299

4.738

Waarvan overige materiële kosten

21.346

‒ 2.046

19.300

Rentelasten

0

0

0

Afschrijvingskosten

3.201

‒ 319

2.882

Materieel

2.816

‒ 184

2.632

Waarvan apparaat ICT

1.051

‒ 173

878

Waarvan overige materiele afschrijvingskosten

1.765

‒ 11

1.754

Immaterieel

385

‒ 135

250

Overige lasten

16.720

0

16.720

Dotaties voorzieningen

16.720

0

16.720

Bijzondere lasten

0

0

0

    

Totaal lasten

92.050

‒ 476

91.574

Saldo van baten en lasten uit gewone bedrijfsvoering

25

0

25

Agentschapsdeel Vpb-lasten

25

0

25

Saldo van baten en lasten

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

In afstemming met de ADR is besloten om de bijzondere projecten IT-Migratie (€ 2,5 miljoen) en Implementatie I-Strategie (€ 2,1 miljoen) bij de «bijzondere baten» onder de «omzet moederdepartement» te verantwoorden. Deze verschuiving verklaart een groot deel van de mutatie. Verder is er € 0,5 miljoen aan omzet van IT-Migratie verschoven van 2020 naar 2021 en waren de loon- en prijsbijstelling 2021 (€ 0,3 miljoen) en omzet voor de aanvullende maatwerkopdracht (Zeespiegelstijging) van € 0,3 miljoen nog niet bekend.

Omzet derden

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is de subsidieportefeuille met € 1,5 miljoen afgenomen, dit komt voornamelijk doordat een aantal grote EU-projecten (o.a. «Sesar» en "Primavera") zijn afgelopen.

Bijzondere baten

De bijzondere baten zijn verschoven naar de categorie "omzet moederdepartement".

Lasten

Personele kosten

Ten opzichte van de vastgestelde begroting wordt er meer eigen personeel aangenomen om invulling te geven aan de strategische projecten «Implementatie I-Strategie» en "EWC". De inhuur daalt, doordat er meer eigen personeel wordt geworven. Tegelijkertijd bevat het nieuwe geraamde bedrag een begrote indexatie van 2% op het brutoloon (€ 0,5 miljoen).

Materiële kosten - apparaat ICT

De toename van de apparaat ICT kosten wordt voornamelijk veroorzaakt door meer begrote kosten op AWS (€ 0,4 miljoen) en MOS-Migratie (€ 0,3 miljoen). Het restant (€ 0,1 miljoen) is toe te wijzen aan diverse projecten.

Materiële kosten – bijdrage aan SSO’s

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is de huur vanuit het Rijksvastgoedbedrijf (RvB) hoger (€ 0,1 miljoen). Verder wordt Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) ingezet voor het verder ontwikkelen van de dienstverlening (€ 0,2 miljoen).

Materiële kosten - overige materiële kosten

De daling in de materiële kosten hangt nauw samen met minder uitbestedingen op subsidieprojecten. Er zijn minder uitbestedingskosten begroot op OMI level 1B Operations (€ 0,6 miljoen), Cams84 phase 2 (€ 0,4 miljoen) Cams42 phase 2 (€ 0,3 miljoen) en diverse projecten (€ 0,3 miljoen). Verder wordt er € 0,4 miljoen minder kosten op Service Management Facilitair verwacht.

Afschrijvingskosten

De aanschaf van nieuwe apparatuur heeft vertraging opgelopen waardoor de afschrijvingskosten die hieruit voortvloeien € 0,3 miljoen lager uitvallen.

Tabel 29 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3)=(1)+(2) Totaal geraamd

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2021

5.430

5.109

10.539

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

5.702

362

6.064

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 4.058

‒ 4.881

‒ 8.939

2.

Totaal operationele kasstroom

1.644

‒ 4.519

‒ 2.876

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 2.500

‒ 930

‒ 3.430

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringkasstroom

‒ 2.500

‒ 930

‒ 3.430

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

300

0

300

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 2.528

469

‒ 2.059

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

2.500

930

3.430

4.

Totaal financieringskasstroom

272

1.399

1.671

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2021 (=1+2+3)

4.846

1.059

5.905

Toelichting

Rekening-courant RHB 1 januari 2021

Dit is de mutatie naar de werkelijke stand per 1-1-2021. Voor een uitgebreide toelichting zie het jaarverslag 2020. Voornaamste oorzaak van de stijging betreft een toename in plaats van een verwachte afname van de vooruitontvangen bedragen projecten (€ 4,6 miljoen).

Operationele kasstroom

Op de ontvangsten operationele kasstroom vinden een aantal mutaties plaats. De afschrijvingskosten dalen met circa € 0,3 miljoen, waardoor de ontvangsten operationele kasstroom ook dalen. Daarnaast zullen de ontvangsten luchtvaart lager zijn dan eerder verwacht (€ 2,0 miljoen) en moeten de contributie uitgaven 2020 aan het ECMWF nog worden verrekend (€ 2,3 miljoen). Tenslotte worden voor een aantal projecten meer ontvangsten dan uitgaven verwacht (€ 0,4 miljoen).

Voor de uitgaven operationele kasstroom worden hogere uitgaven voor de contributie EUMETSAT verwacht (€ 2,8 miljoen). Daarnaast zijn de uitgaven verhoogd vanwege de betaling in 2021 van de dienstverlening SSC Campus 2020 (€ 1,8 miljoen). Tenslotte worden voor het project I-Strategie meer uitgaven dan ontvangsten verwacht (€ 0,3 miljoen).

Investeringen en financieringskasstroom

De investeringen en het beroep op de leenfaciliteit zijn aangepast conform de leenaanvraag 2021. De post «Aflossingen op leningen» is aangepast aan de daadwerkelijke afgesloten leningen in 2020.

5.3 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

Tabel 27 Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap KNMI Suppletoire begroting 2021 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
 

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

Baten

    

Omzet moederdepartement

53.953

5.684

3.322

62.959

Omzet overige departementen

3.005

‒ 54

423

3374

Omzet derden

30.533

‒ 1.522

‒ 1.707

27.304

Rentebaten

0

0

2

2

Vrijval voorzieningen

0

0

Bijzondere baten

4.584

‒ 4.584

Totaal baten

92.075

‒ 476

2040

93639

     

Lasten

    

Apparaatskosten

72.129

‒ 157

‒ 140

71831

Personele kosten

40.879

757

658

42294

waarvan eigen personeel

37.034

1.596

‒ 952

37.678

waarvan inhuur externen

3.679*

‒ 839

1.749

4.589

waarvan overige personele kosten

166

0

‒ 139

27

Materiële kosten

31.250

‒ 914

‒ 798

29.537

waarvan apparaat ICT

5.465

833

423

6.721

waarvan bijdrage aan SSO's

4.439

299

699

5.437

waarvan overige materiële kosten

21.346

‒ 2.046

‒ 1.921

17.379

Rentelasten

0

0

Afschrijvingskosten

3.202

‒ 319

‒ 182

2.700

Materieel

2.816

‒ 184

‒ 436

2.196

waarvan apparaat ICT

1.051

‒ 173

‒ 878

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

1.765

‒ 11

442

2.196

Immaterieel

385

‒ 135

254

504

Overige lasten

16.720

2.914

19.634

waarvan aardobservatie

16.720

2.914

19.634

waarvan dotaties voorzieningen

0

0

waarvan bijzondere lasten

0

0

Totaal lasten

92.051

‒ 476

2.592

94.166

     

Saldo van baten en lasten uit gewone bedrijfsvoering

24

‒ 552

‒ 527

Agentschapsdeel Vpb-lasten

24

25

Saldo van baten en lasten

‒ 552

‒ 552

Toelichting

Baten

Omzet Moederdepartement

De stijging wordt met name veroorzaakt door een hogere omzet EUMETSAT (€ 2,9 mln.) omdat de contributies hoger uitvallen, een opbrengsten voor vulkaanmonitoring (€ 0,5 mln.) en hybride werken (€ 0,4 mln.) en loon- en prijsbijstelling (€ 0,5 mln.). Daar staat een verlaging tegenover door vertraging in de uitvoering van de Strategische programma's I-strategie en EWC (€ 1,2 mln.) onder andere omdat het vullen van vacatures van deze specialistische rollen lastiger is dan verwacht in de huidige markt

Omzet overige departementen

De stijging komt met name door de bijdrage vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor extra projecten met betrekking tot effecten mijnbouw (€ 0,2 mln.) en hogere inzet voor bestaande werkzaamheden voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (€ 0,2 mln.).

Omzet derden

Verlaging van de baten komt met name door het achterblijven van het maatwerk. Als gevolg van COVID-19 is het Luchtvaart contract gereduceerd met 5% (baten en lasten), verwachte onderschrijding € 1,0 mln. De overige onderschrijding (€ 0,7 mln.) wordt vooral veroorzaakt doordat er minder nieuwe opdrachten worden verkregen dan eerder begroot.

Lasten

Personele kosten

Lagere personeelskosten door lagere bezetting (€ 0,7 mln.) en lagere reiskosten, opleidingskosten e.d. (€ 0,6 mln.) dan begroot. Dit wordt deels teniet gedaan door een dotatie verlofreservering (€ 0,35 mln.). Externe inhuur ligt € 1,8 mln. hoger dan begroot door achterstand bij werving van vast personeel, zowel voor vernieuwingsprojecten als voor de operationele activiteiten (continuïteit).

Materiële kosten

De kosten apparaat ICT nemen toe door een overschrijding op de IT-kosten SSC-Campus (€ 0,4 mln.). De kosten Bijdrage SSO’s stijgen met € 0,7 mln. Er zijn kosten gerealiseerd voor inhuur bij de Uitvoeringsorganisatie Rijk, deze waren begroot onder inhuur. De verwachte kosten zijn € 0,6 mln. De overige materiele kosten zijn € 2,9 mln. lager door diverse projecten en activiteiten met lagere kosten (onder andere EWC, I-strategie en luchtvaart). Dit wordt deels gecompenseerd door extra kosten voor HGIS 2022 (€ 0,4 mln.) en Hybride werken (€ 0,6 mln.).

Overige lasten

De overige kosten stijgen door een hogere contributie EUMETSAT (€ 2,9 mln.).

Tabel 28 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)
  

(1) Vastgestelde begroting

(2) Mutaties 1e suppletoire begroting

(3) Mutaties 2e suppletoire begroting

(4) = (1) + (2) + (3) Totaal geraamd

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

5.430

5.109

10.539

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

5.702

362

1.479

6.883

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 4.058

‒ 4.881

‒ 3.980

‒ 12.021

2.

Totaal operationele kasstroom

1.645

‒ 4.519

‒ 2.501

‒ 5.138

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 2.500

‒ 930

0

‒ 3430

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 2.500

‒ 930

0

‒ 3430

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

300

0

350

650

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 2.528

469

0

‒ 2059

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

2.500

930

0

3430

4.

Totaal financieringskasstroom

272

1.399

350

2.021

5.

Rekening courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

4.847

1.059

‒ 2.151

3.993

Toelichting

Operationele kasstroom

De ontvangsten operationele kasstroom stijgen met € 1,2 miljoen door achterblijven van de strategische programma's. Daarnaast een stijging van € 0,3 miljoen door vertragingen bij een tweetal andere kleine programma's. De uitgaven operationele kasstroom zijn vooral verhoogd door lagere betaling EUROCONTROL als gevolg van COVID-19. Er werd al rekening gehouden met € 2,3 miljoen, maar de verwachting is nu dat dat nog € 4,8 miljoen hoger zal worden. Daarnaast zijn de uitgaven operationele kasstroom voor aardobservatie € 1,4 miljoen lager. Tenslotte is er een uitgave operationele kasstroom als gevolg van het verwachtte verlies van € 0,6 miljoen.

Financieringskasstroom

Van het moederdepartement wordt een bijdrage ontvangen van € 0,35 miljoen voor de kosten van de ophoging van de reservering verlofdagen als gevolg van COVID-19. Dit wordt als eenmalige storting moederdepartement verantwoord.

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft drie begro-tingen:

  • 1. de beleidsbegroting (Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting),

  • 2. de begroting van het Infrastructuurfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • 3. de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

Voor u ligt de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

De twee fondsbegrotingen van IenW, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenW, waaronder beleidsonder-zoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investe-ringsprojecten en -programma’s geraamd, evenals de uitgaven voor beheer, onderhoud en vervangingen van de infrastructuur. De doelstelling van het Infrastructuurfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319): «het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Infrastructuurfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in de begrotingen van het Infrastructuurfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltapro-gramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijk financiële bron is.

De begrotingen van IenW zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksfinanciën.nl, het MIRT Overzicht 2020 is te vinden op www.mirtoverzicht.nl en het Deltaprogramma op www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma.

1. Leeswijzer

Structuur

De opzet en structuur van de begroting voor Hoofdstuk XII zijn gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. De begrotingstoelichting kent een opbouw waarbij afhankelijk van de informatievraag en -behoefte verder kan worden ingezoomd.

  • 1. Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2021 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramin-gen worden voorgesteld.

  • 2. In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van de prioriteiten voor 2021 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijziging van de begroting. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • 3. In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • 4. In de verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorge-stelde stand. Dit is een aanvulling op de «standen» die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

  • 5. De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op de rijksbegrotingsvoorschriften de onderstaande punten verwerkt:

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen Bijdrage aan het Infrastructuurfonds en Bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Infrastructuurfonds en Deltafonds tot en met 2034.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de desbetreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomp-tabel de betrokken bijdrage aan het Infrastructuurfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investerings-fondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid van IenW. Daarnaast worden de beleidsindicatoren die hieraan gekoppeld zijn verantwoord in de Hoofdstuk XII-begroting.

Groeiparagraaf

In deze begroting zijn de volgende verbeteringen ten opzichte van de begroting van het voorgaande jaar doorgevoerd:

Indicator hoogwaterbescherming (artikel 11)

In deze begroting is, zoals aangekondigd in de begroting 2019, een nieuwe indicator voor beleidsartikel 11 Integraal waterbeleid opgenomen die de groei van het percentage bescherming tegen overstroming (overstromingskans) beter weergeeft.

Indicatoren KNMI (artikel 23)

In tabel 59 binnen beleidsartikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie zijn de nieuwe indicatoren op het terrein van meteorologie, seismologie en aardoppervlak opgenomen, naar aanleiding van de beleidsdoorlichting van dit artikel in 2019. Voor de volledigheid zijn ook de realisaties op de vervangen indicatoren opgenomen, in tabel 60.

Strategische evaluatie agenda

In deze begroting is in bijlage 5 een eerste opzet opgenomen van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Deze agenda vervangt op termijn de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen als uitgangspunt voor de agendering van evaluaties en is een uitvloeisel van de operatie 'Inzicht in Kwaliteit'.

Verwerking moties

Motie Schouw c.s.

In juni 2011 is de motie-Schouw (Kamerstukken II 2011–2012, 21 501-20, nr. 537) aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor IenW heeft de Raad in 2020 een specifieke aanbeveling gedaan over duurzame infrastructuur (COM 2020; 519)1. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling onder het kopje 'duurzame mobiliteit'. Daarnaast is tegelijkertijd met de rijksbegroting 2021 een brief met de contouren van het investeringsfonds aan uw Kamer verstuurd.

Motie-Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie-Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012, 33 000 IV, nr. 28) aangenomen. Een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenW-begrotingen, is opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie-Leegte (Kamerstukken II 2014–2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Inmiddels is dit overzicht uitgebreid met maatregelen ten behoeve van het klimaatakkoord en CO2-reducerende maatregelen. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenW vallen opgenomen. Bij de desbetreffende beleidsartikelen 14 Wegen en Verkeersveiligheid, 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal en 21 Duurzaamheid worden de maatregelen genoemd.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Introductie

Het COVID-19 virus houdt ons land en de rest van de wereld in zijn greep. Het virus heeft allereerst enorme gevolgen voor de volksgezondheid. En door alle maatregelen die nodig zijn, heeft het tegelijkertijd indringende gevolgen voor onze manier van samenleven, werken en reizen. Niet alleen Nederland, maar ook de Caribische delen van het Koninkrijk zijn hard geraakt. Er is veel onzekerheid, sociaal en economisch. De volledige impact van deze crisis zal gedurende de komende maanden steeds zichtbaarder worden en zal zich ook vertalen in ons beleid. We blijven bijsturen om de juiste maatregelen te nemen. Waar nodig actualiseren we afspraken en passen we maatregelen en beleid aan conform nieuwe inzichten. We staan voor een grote opgave om uit deze crisis te komen. Cruciaal hierbij is dat we kunnen terugvallen op een uitstekende infrastructuur. Deze biedt een goede uitgangspositie voor herstel, zowel nationaal als internationaal.

De beleidsagenda laat zien welke stappen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) in 2021 samen met onze uitvoeringsorganisaties, kennisinstituten, medeoverheden, bedrijven en burgers zet. Veel opgezet beleid leidt het komende jaar tot resultaten. Daarnaast blijft ons vizier gericht op de lange termijn. Een veilig Nederland, zowel tegen overstromingen als tegen ongelukken, daar werken we aan. We pakken de opgaven op om Nederland bereikbaar te houden, waarbij niet alleen de verkeersveiligheid, maar ook de kwaliteit van de leefomgeving omhoog moet. Want we willen een aantrekkelijke leef- en werkomgeving. We ruimen bestaande vervuiling op en gaan toekomstige vervuiling tegen. Gezamenlijk zetten we ons in om ons land te laten herstellen van deze crisis en tegelijkertijd te werken aan de transities naar een veilig, slim en duurzaam mobiliteitssysteem, klimaatadaptatie en mitigatie en een circulaire economie. Dit alles binnen een veilige en schone leefomgeving. Net als tijdens de afgelopen jaren zijn veiligheid, bereikbaarheid, en leefbaarheid leidend bij onze keuzes, zowel nationaal als internationaal.

Bereikbaarheid

Ook in 2021 blijft IenW investeren in de bereikbaarheid van Nederland via de weg, het spoor, op het water en door de lucht. We bereiken verschillende mijlpalen.

Instandhouding Rijksinfrastructuur

De toekomstige instandhoudingsopgave van onze netwerken groeit, bijvoorbeeld door veroudering van het areaal en een zwaardere belasting. Hierdoor is eerder sprake van slijtage en storingen en nemen de kosten van het dagelijkse onderhoud toe. Investeren in instandhouding is voor ons een prioritaire opgave die, gezien de bijdrage aan de economie en de link met de Grond-, Weg- en Waterbouw (GWW)-sector, juist tijdens de COVID-19 crisis zeer relevant en actueel is. Bij de begroting 2020 is extra geld vrijgemaakt voor instandhouding. Door Rijkswaterstaat wordt in de jaren 2020 en 2021 voor €165 miljoen euro aan onderhoudswerkzaamheden versneld uitgevoerd en voor € 100 miljoen aan extra onderhoudsprojecten uitgevoerd. Bij ProRail gaat het om € 151 miljoen euro aan extra instandhoudingswerkzaamheden in de periode tot en met 2021. Aanvullend hierop wordt samen met de GWW-sector bekeken welke onderhoudsmaatregelen extra of versneld uitgevoerd kunnen. In het protocol ‘Samen veilig doorwerken’ zijn afspraken met de sector gemaakt om ook tijdens de COVID-19 crisis onze infrastructuurprojecten zoveel mogelijk te laten doorgaan en indien mogelijk zelfs te versnellen.

Daarnaast maakt het Kabinet ook in deze begroting meer budget vrij voor instandhouding. Uit de voorlopige resultaten van de externe audits2, blijkt dat substantieel meer budget nodig is voor instandhouding. De komende jaren zijn erop gericht om stapsgewijs toe te groeien naar de benodigde slagkracht om de forse opgave voor instandhouding langjarig aan te kunnen. De risicoreserveringen voor instandhouding in de periode 2022-2025 van € 1,5 miljard zijn aan de instandhoudingsbudgetten toegevoegd. Daarbovenop wordt aanvullend budget beschikbaar gesteld om extra instandhoudingswerkzaamheden uit te voeren (voor spoor € 340 miljoen en RWS-netwerken € 44 miljoen). Tevens is met extra budget voor gezorgd dat RWS beschikt over voldoende capaciteit om dit werk te kunnen uitvoeren. In totaal zijn de beheer-en onderhoudsbudgetten tot en met 2034 voor RWS toegenomen met € 950 mln. (exclusief overige netwerkgebonden kosten).

Weginfrastructuur

Tijdens de COVID-19-crisis is de drukte op de weg afgenomen. Inmiddels zit het autoverkeer al weer bijna op hetzelfde niveau als voor de crisis. Investeringen in het wegennet zijn echter gericht op de lange termijn. Ondanks mobiliteitsmaatregelen, zoals spreiden van verkeer over de dag, blijft de verwachting dat het wegverkeer in de toekomst toch substantieel zal toenemen. Het blijft dan ook belangrijk om het MIRT onverkort uit te voeren. In 2021 bereiken we o.a. de volgende mijlpalen in projecten:

  • Voor de A1/A30 en de A2 Deil – ’s Hertogenbosch – Vught zijn eind 2020 de voorkeursbesluiten vastgesteld. In 2021 starten de planuitwerkingen en werken we toe naar een Tracébesluit.

  • Voor het project A15 Papendrecht Gorinchem wordt in 2021 een voorkeursbeslissing vastgesteld.

  • Ook voor het project A58 Tilburg Breda wordt in 2021 de voorkeursbeslissing vastgesteld.

  • Onder meer de projecten A16 Rotterdam, A1 Apeldoorn – Azelo, A9 Badhoevedorp - Holendrecht en Blankenburgverbinding zijn in realisatie in 2021.

Goederenvervoer

Voor goederenvervoer wordt steeds vaker gezocht naar multimodale oplossingen om de druk op overbelaste netwerken te beperken en de ruimte op andere netwerken beter te benutten. In 2021 gaan we door met het stimuleren van extra vervoer van goederen via het spoor via het Maatregelpakket Spoorgoederenvervoer. Met een stimuleringsregeling voor het verplaatsen van containervervoer van de weg naar de binnenvaart, en het verbeteren van de bereikbaarheid van multimodale knooppunten, zetten we in op een substantiële reductie van het aantal vrachtwagen op de weg. De focus ligt daarbij op de grote transportstromen op de belangrijke nationale en internationale goederenvervoercorridors. Hierbij wordt een koppeling gelegd met de grote vervangings- en renovatieprojecten die zich daar de komende jaren voordoen.

Vaarweginfrastructuur

Vaarwegen zijn van groot belang voor een efficiënt en duurzaam goederenvervoersysteem. Betrouwbaarheid is daarbij een belangrijke eigenschap. Daarom wordt allereerst gewerkt aan adequaat onderhoud en tijdige vervanging van kunstwerken op de vaarwegen. Het betreft onder andere het Vervanging- en Renovatieproject Damwanden Eemskanaal. Ook wordt de capaciteits-uitbreiding overnachtingplaatsen Merwedes afgerond. In 2021 wordt opvolging gegeven aan de stresstesten die conform het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie zijn uitgevoerd op het hoofdvaarwegennetwerk en de uitkomsten van het onderzoek naar het klimaatbestendig en robuust maken van de vaarwegen op de goederencorridors.

Investeren in OV-verbindingen en stations

Het ministerie van IenW werkt samen met de decentrale overheden en OV-sector aan de uitwerking van het Toekomstbeeld OV. De eind 2020 vast te stellen ontwikkelagenda Toekomstbeeld OV 2040 geeft een nadere uitwerking aan de vastgestelde contouren3 en bevat keuzes en ambities voor het openbaar vervoer richting 2040. In 2021 worden stappen gezet in de doorvertaling van deze agenda in projectvoorstellen. Dit doen we door met ProRail, vervoerders, provincies en gemeenten afspraken te maken over de ontwikkeling van OV-knooppunten. Het ministerie van IenW borgt hierbij de landelijke samenhang en een zorgvuldige afweging.

Ook voor de internationale reiziger zetten we in 2021 samen met onze partners in op het stimuleren van treinvervoer als duurzaam alternatief. Eind 2020 gaat de nachttrein naar Wenen rijden. Dit najaar start Eurostar met de directe dienst van Nederland naar Londen en zal dit, afhankelijk van de situatie, uitbreiden naar vier diensten per dag in 2021. De vijfde service is reeds aangevraagd bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) per mei 2021. In 2021 vindt besluitvorming plaats over de aanbesteding van de directe verbinding Eindhoven-Düsseldorf en dragen we bij aan de totstandkoming van de volgende fases van de Drielandentrein en de Wunderline. Ook werken we afspraken met NS, ProRail, regionale en Duitse partners verder uit om te komen tot versnelling van de verbinding Amsterdam-Berlijn op de korte, middellange en lange termijn. Daarnaast zoeken we in Europees verband naar mogelijkheden om andere verbindingen en services voor internationale reizigers te versterken.

Om de doelstellingen uit de Green Deal uit 2019 te ondersteunen, heeft de EC 2021 aangewezen als 'Europees Jaar van het Spoor’. In vervolg op de Green Deal ambities vindt in 2021 besluitvorming plaats om een modal shift van weg naar binnenvaart en spoor te realiseren.

Structurele aanpak stikstof

De uitvoering van de projecten uit het MIRT moet zorgvuldig gebeuren, zeker ook om recht te doen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden. Uit de uitspraak van De Raad van State van 29 mei 2019 volgt dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet langer als onderbouwing kan worden gebruikt bij tracébesluiten en natuurvergunningen. Ik heb uw Kamer op 20 november 2019 geïnformeerd4 over de gevolgen voor de MIRT-projecten. Samen met LNV, EZK, Defensie en BZK zal worden ingezet op behoud, herstel en versterking van de natuur en stikstof reducerende maatregelen waardoor op termijn meer ruimte ontstaat voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder IenW-projecten.

Luchtvaartnota

Conform het regeerakkoord werken we aan een Luchtvaartnota 2020–2050. De definitieve Luchtvaartnota inclusief de uitvoeringsagenda wordt naar verwachting eind 2020 opgeleverd. De Ontwerp-Luchtvaartnota is op 15 mei 2020 gepubliceerd voor zienswijzen. In 2021 wordt gestart met de implementatie van de Luchtvaartnota op basis van de uitvoeringsagenda. De nota zet een nieuwe koers uit naar een duurzame luchtvaartsector die Nederland goed blijft verbinden met de rest van de wereld. Centraal in de Luchtvaartnota 2020-2050 staan de vier publieke belangen: 1) Nederland veilig in de lucht en op de grond, 2) Nederland goed verbinden, 3) Aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en 4) Nederland duurzaam.

Ontwikkeling Schiphol en Lelystad

Het nieuwe normen- en handhavingsstelsel (NNHS) wordt op korte termijn in het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol (LVB1) verankerd. Het doel van dit stelsel is om het verkeer op Schiphol zo af te handelen dat dit de minste hinder voor de omgeving oplevert. De wettelijke verankering van het stelsel beëindigt de huidige situatie waarin de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) anticiperend handhaaft op het vliegen volgens het NNHS.

In 2020 is de evaluatie van de implementatie van de OVV-aanbevelingen over veiligheid op Schiphol afgerond en is met een integrale veiligheidsanalyse onderzocht of ontwikkeling van Schiphol in de komende jaren aantoonbaar veilig kan plaatsvinden. Medio 2021 wordt een onafhankelijke partij gevraagd een vervolgonderzoek uit te voeren om de opvolging van alle OVV-aanbevelingen opnieuw te beoordelen.

Voor de verdere ontwikkeling van Schiphol wordt er gewerkt aan een Notitie Reikwijdte en Detailniveau wat een eerste stap in het proces is om te komen tot een tweede wijziging van het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol (LVB2). Hierover moet een volgend kabinet een definitieve keuze maken. Het LVB2 regelt de verdere ontwikkeling voor Schiphol.

Schiphol is aangewezen als gecoördineerde luchthaven. Op gecoördineerde luchthavens hebben luchtvaartmaatschappijen een slot nodig om te kunnen landen en opstijgen. De slots worden verdeeld door een onafhankelijk slotcoördinator. Airport Coordination Netherlands (ACNL) is aangewezen als slotcoördinator voor alle gecoördineerde luchthavens in Nederland. In 2021 werkt IenW met ACNL verder aan het toekomstbestendig maken en houden van de slotsystematiek. De nadruk ligt in 2021 op de herziening van de Europese Slotverordening en het verder verbeteren van de slot compliance zodat de schaarse capaciteit zo optimaal mogelijk wordt benut. Bij de herziening van de Europese Slotverordening wil Nederland zich inzetten voor meer ruimte voor nationaal beleid zodat bij de slotallocatie ook rekening kan worden gehouden met duurzaamheid, netwerkkwaliteit en behoud van de vrachtsector.

In het Regeerakkoord is opgenomen dat Lelystad Airport zal fungeren als overloopluchthaven voor Schiphol opdat Schiphol meer ruimte krijgt voor mainportgebonden verkeer. Door de gevolgen van de COVID-19 crisis heeft het kabinet in maart 2020 besloten om de opening van Lelystad Airport uit te stellen naar november 20215. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het economisch herstel worden de voorbereidingen voor openstelling van Lelystad Airport voortvarend voortgezet. Daarbij gaat het om afronding van de voorhang van de wijziging van het Luchthavenbesluit uit 2015 en om een stikstofaanpak die na het wegvallen van de PAS voldoet aan de Natuurbeschermingswet.

Regionale luchthavens

De Luchtvaartnota 2020-2050 schetst de beleidsinzet voor regionale luchthavens. De luchthavens worden meer gekoppeld met de regio waarin ze liggen en van de luchthavens en betrokken partijen wordt verwacht dat zij maatregelen nemen om de geluidbelasting te verminderen en de veiligheid, luchtkwaliteit en duurzaamheid verder te verbeteren. Vanuit die context vindt besluitvorming over de Luchthavenbesluiten plaats. Ook werkt IenW in 2021 de kabinetsreactie bij het advies over de toekomst van Eindhoven Airport nader uit.6

Beter meten en berekenen

De uitwerking en uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport ‘Vliegtuiggeluid: meten, rekenen en beleven’ van het RIVM, KNMI en NLR vindt plaats in 2020, 2021 en 2022.7 Het doel is de metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid te verbeteren. Metingen zullen gebruikt worden voor informatievoorziening en om berekeningen te valideren. Ook wordt hinder structureel gemonitord en wordt nader onderzoek gedaan naar aspecten die hinder bepalen.

Programma Luchtruimherziening

Het programma Luchtruimherziening werkt aan een duurzaam, toekomstgericht luchtruim dat vanaf 2023 structureel meer capaciteit biedt voor civiel (commercieel) vliegverkeer, militaire inzet en oefenbehoefte en de ontwikkeling van Lelystad Airport. Klimaat- en leefbaarheidsdoelstellingen worden expliciet meegewogen, naast veiligheid en capaciteit. Ook houdt het programma rekening met de komst van onbemande luchtvaart en internationale afspraken zoals in FABEC-verband en de Single European Sky. De modernisering van het luchtruim volgt drie sporen. Spoor 1 betreft verbeteringen van de aansluitroutes op Lelystad (gerealiseerd in november 2022). Spoor 2 betreft een nieuwe hoofdstructuur voor het Nederlandse luchtruim met als belangrijkste onderdelen de structurele uitbreiding van het militair oefengebied (met name voor de F35) in het noorden van Nederland en de herinrichting van het zuidoostelijk luchtruim met name voor civiel verkeer. Spoor 3 betreft de ontwikkeling van een roadmap met nieuwe ontwikkelingen voor de periode 2023–2035. In 2020 wordt gewerkt aan een voorkeursbeslissing en een ontwerp-Voorkeursbesluit. Mede door COVID-19 is dat besluit vertraagd. In 2021 start de planuitwerkingsfase en wordt het voorkeursalternatief uitgewerkt tot een concreet ontwerp.

Onbemande luchtvaart (drones)

De ontwikkeling van onbemande luchtvaartuigen (drones) gaat razendsnel. Deze ontwikkeling biedt economische kansen voor bedrijven en leidt tot nuttige maatschappelijke toepassingen. De overheid wil deze ontwikkeling de ruimte geven en innovatie in technologie en diensten mogelijk maken. Uiteraard moet dit veilig gebeuren. Door drones ontstaan ook nieuwe risico’s. Zoals het misbruik van drones voor terroristische doeleinden. Daarom laat de Rijksoverheid onderzoek doen naar mogelijkheden om drones te detecteren en te neutraliseren. De komende jaren komen er stapsgewijs meer Europese regels gericht op een veilige operatie van drones en een veilige integratie in het luchtruim. Vanaf 2020 gelden nieuwe Europese regels voor drones. Rond 2030 is er een volledige set van Europese regels voor drones. U-space is het automatische systeem dat zorgt dat bemande en onbemande luchtvaartuigen veilig samen kunnen vliegen. De Rijksoverheid werkt hiervoor nauw samen met Europese partners. Met het oog op de ontwikkeling van drones, en de mogelijke toepassingen daarvan, werken we met een adaptieve beleidsagenda.

Luchtverkeer

In 2021 worden verdere stappen gezet in de integratie van de civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties LVNL en CLSK tot één organisatie.

Omvorming Infrastructuurfonds tot Mobiliteitsfonds

Het kabinet vormt het Infrastructuurfonds om tot een Mobiliteitsfonds. Uw Kamer is hierover per brief geïnformeerd.8 Op 31 maart 2020 is het wetsvoorstel Mobiliteitsfonds ingediend bij de Tweede Kamer.9 Niet de modaliteit maar de mobiliteit staat voortaan centraal. In plaats van per modaliteit af te wegen, is een samenhangende afweging over de modaliteiten heen nodig. Daarbij wordt ook samenhang gezocht met andere opgaven in het ruimtelijk domein, zoals woningbouw. Aangezien dit een proces is van ‘learning by doing’, moeten in 2021 (en volgende jaren) verdere stappen gezet worden om deze aangepaste werkwijze te optimaliseren en te verankeren. We verkennen dan ook hoe het instrumentarium, zoals de NMCA, optimaler kan aansluiten bij de beoogde werkwijze en uitgangspunten bij het Mobiliteitsfonds.

Marktordening op het spoor

In het voorgenomen integrale besluit over de marktordening op het spoor na 2024 staat dat de volgende vervoerconcessie voor het hoofdrailnet (vanaf 2025) onderhands wordt gegund aan NS en dat de binnenlandse vervoerdiensten over de HSL-Zuid onderdeel blijven van de HRN-concessie.10 Voor de vervoerconcessie wordt een beleidsvoornemen tot concessieverlening opgesteld dat aan de consumentenorganisaties wordt voorgelegd alvorens het aan de Tweede Kamer wordt gestuurd. De intentie is om per 2025 de sprinterdienst op het traject Zwolle-Leeuwarden te decentraliseren. Later volgen mogelijk de sprinterdiensten Zwolle-Groningen en Apeldoorn-Enschede. Voor mogelijke toekomstige decentralisaties komt er een uitgangspuntenkader. De internationale verbindingen, waaronder de HSL-Zuid, worden versterkt door in deze groeiende markt meer ruimte te geven aan andere vervoerders op basis van open toegang. Voor de internationale reiziger biedt dit kansen voor een betere kwaliteit en hogere frequenties tegen een concurrerende prijs. Met een Stationsagenda wordt toegewerkt naar een meer integrale afweging van publieke (en andere) belangen op stations. Daarmee kan beter worden ingespeeld op het toenemende maatschappelijke belang van stations als knooppunten (hubs) en komt er meer ruimte voor andere vervoerders, aanbieders van deelmodaliteiten en bewonersgroepen om activiteiten te ontplooien. Ook wordt de samenwerking tussen de verschillende partijen op stations verbeterd. De Stationsagenda bevat zowel de ambities voor de lange termijn ontwikkeling van stations als operationele prestatie-indicatoren aan de hand waarvan de vooruitgang afgemeten kan worden.

Omvorming ProRail

In 2020 is het wetsvoorstel dat ProRail omvormt tot een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) met eigen rechtspersoonlijkheid aangeboden aan de Tweede Kamer11. Deze omvorming realiseert IenW gezamenlijk met ProRail. De omvorming bouwt voort op de door ProRail ingezette verbeteringen. Tegelijkertijd biedt de omvorming nieuwe kansen om de aansturing te vereenvoudigen en de publieke verantwoording te versterken. Een publieke positionering van ProRail ondersteunt de benodigde samenwerking tussen beleid en uitvoering die nodig is om de uitdagingen op het terrein van spoor en mobiliteit het hoofd te bieden. We werken toe naar 1 juli 2021 als beoogde inwerkingtredingsdatum.

Vrachtwagenheffing

Wanneer in 2021 de Wet vrachtwagenheffing wordt aangenomen, volgt de realisatiefase. De betrokken uitvoerende diensten en private partijen zullen starten met de realisatie van het heffingssysteem. Voor het terugsluizen van de netto-opbrengsten naar verduurzaming en innovatie van de vervoerssector, wordt in deze fase het uitvoeringsplan vastgesteld. Tevens wordt een BIT toets uitgevoerd. De start van de vrachtwagenheffing zal niet eerder dan in 2024 plaats kunnen vinden.

Havennota

Met de ontwerp Havennota 2020-203012 spelen we in op de economische, geopolitieke, technologische en maatschappelijke veranderingen waardoor de positie van de Nederlandse havens als koploper in Europa niet langer vanzelfsprekend is. Hierbij zetten we in op vijf havens van nationaal belang en kijken meer dan voorheen naar het gehele logistieke systeem van zee- en binnenhavens en goederenvervoercorridors. Onze ambitie is om stapsgewijs toe te groeien naar een geïntegreerd systeem van samenwerkende havenbedrijven. Zo is het mogelijk dat Nederlandse havens een joint venture aangaan om voor gezamenlijke rekening en risico projecten te ontwikkelen. Met een dialoog tussen overheid, wetenschap en havens wil IenW inzichtelijk maken hoe de overgang naar een duurzame en digitale haveneconomie effectief kan worden ingericht. Als uit verkenningen en evaluaties nut en noodzaak van verdere stimulering blijkt, kan een innovatie- en/of transitieregeling worden overwogen. Mogelijke voorbeelden van projecten zijn buisleidingen voor waterstof en/of CO2-transport en digitale logistieke systeemtoepassingen.

Loodsplicht

De loodsplicht is een van de instrumenten die bijdraagt aan een vlotte en veilige haventoegang. Op 1 januari 2021 treedt de nieuwe loodsplichtregelgeving in werking en kan ook de experimenteerruimte voor de loodsplicht in de zeehavens worden benut. Met deze experimenteerruimte kan voor bepaalde typen schepen, in een havengebied of een bepaald deel daarvan, al dan niet met van nieuwe technieken onder voorwaarden worden afgeweken van de gestelde verplichtingen. Hiermee is het loodspichtenstelsel gemoderniseerd en toekomstbestendig.

IMO Member State Audit

Met de IMO Member State Audit voor zeescheepvaart wordt vastgesteld of het Koninkrijk de verplichte IMO-regels effectief heeft geïmplementeerd. Als gevolg van COVID-19 crisis verschuift de jaarplanning van het hele IMO Audit programma, waardoor de Nederlandse audit waarschijnlijk niet zoals gepland in 2021, maar in 2022 uitgevoerd wordt.

Veilige, slimme en duurzame mobiliteit

De coronacrisis heeft grote invloed op onze mobiliteit. Hoe zich dit precies ontwikkelt, is nog onzeker, maar ons beleid is er op de korte termijn vooral op gericht om Nederland draaiende te houden op een veilige en duurzame manier. COVID-19 stelt nieuwe eisen aan mobiliteit. Het goed inrichten van mobiliteit is essentieel voor het weer op gang brengen van de maatschappij. Dit geldt zowel voor het personenvervoer als het goederenvervoer. Zo moeten stations, luchthavens, overslagterminals en voertuigen veilig worden gebruikt. We blijven constant monitoren wat nodig is en nemen indien nodig maatregelen. We doen dit in goede samenwerking met de sector.

Tegelijkertijd blijven we kijken naar de lange termijn. In de investeringsaanbevelingen in het kader van het Europees Semester raadt de Europese Commissie aan investeringen toe te spitsen op de groene en digitale transitie, onder andere op de ontwikkeling van duurzame infrastructuur. Het kabinet onderschrijft het belang van deze investeringen.13Verder bouwen we voort op de uitgangspunten van de Schets Mobiliteit naar 204014. Hierin schetsen we hoe de reiziger zich richting 2040 wil verplaatsen over de korte, middellange en lange afstand en wat we moeten doen om dit te realiseren. Ook geven we een schets voor het efficiënt en duurzaam vervoeren van goederen in de toekomst. Daarnaast werkt IenW in 2021 samen met andere overheden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) aan de verdere uitwerking van maatregelen voor veilige, slimme en duurzame mobiliteit.

Verkeersveiligheid

Een betere verkeersveiligheid blijft prioriteit. Voor de uitvoering van de ambities uit het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 203015 is vanaf 2020 tot 2030 een extra investeringsimpuls van € 500 miljoen beschikbaar voor een rijksbijdrage van maximaal 50% voor maatregelen die de verkeersveiligheid vergroten (cofinanciering). Deze middelen worden ingezet voor projecten van medeoverheden om de meest verkeersonveilige locaties en grootste risico’s op het onderliggend wegennet aan te pakken16. Bovendien blijven we inzetten op het veiliger maken van het hoofdwegennet, o.a. door het vergevingsgezind inrichten van bermen. In 2021 wordt het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2022-2024 opgesteld als opvolger van het huidige plan17. Daarnaast wordt geïnvesteerd in verkeersveiligheidsprojecten gericht op technologische ontwikkelingen, data en gedrag. Het kennisnetwerk Strategisch Plan Verkeersveiligheid (SPV) ondersteunt medeoverheden met kennis, data en praktische instrumenten bij het vaststellen van regionale uitvoeringsagenda’s en de uitvoering van concrete verkeersveiligheidsmaatregelen. Tot slot worden de contouren voor een nieuw toelatingskader voor licht elektrische voertuigen nader uitgewerkt in wet- en regelgeving.

Slimme mobiliteit

Slimme mobiliteit heeft een toenemende impact op het mobiliteitssysteem. Het ministerie verwerkt de impact op mobiliteit en overheid volgens vier actielijnen, waarbij we de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) over automatisering in het wegverkeer opvolgen: (1) slimme toelating en gebruik, (2) digitaal op orde, (3) smart infrastructuur en wegbeheer, en (4) impact met partners. Smart mobility heeft een internationale en lokale dimensie. Het ministerie van IenW bundelt daarom de krachten met zowel Nederlandse steden, regio’s en instellingen, als met internationale (markt) partijen en overheden. Ook in 2021 zullen de gemaakte meerjarige afspraken met medeoverheden over verdergaande digitalisering in mobiliteit verder worden geïmplementeerd, zodat data en data-intensieve diensten bijdragen aan bevordering van verschillende beleidsdoelen en een efficiënte overheid. Mobility as a Service (MaaS) biedt reizigers de mogelijkheid om via geïntegreerde apps multimodale ketenreizen te maken. Plannen, boeken, betalen vindt allemaal plaats via de MaaS-apps. Er zijn geen losse tickets meer nodig. Zeven nationale MaaS-pilots leiden ertoe dat er dankzij beschikbaarheid van data veel directer kan worden gestuurd op bijvoorbeeld spreiding van reizigers over de dag, reductie van files en meer aanbod van vervoer in de regio. In relatie tot COVID-19 is vooral de sturing op bezettingsgraad in OV en files waardevol.

Met de uitvoering van de Digitale transportstrategie zetten we stevige stappen naar de totstandkoming van een meer duurzaam en efficiënt transport van goederen via weg, water, spoor, lucht en buisleidingen over de gehele keten. We werken daarbij aan de implementatie van Europese verordeningen om te komen tot papierloos transport, de ontwikkeling van een Single window voor de maritieme sector en de totstandkoming van een infrastructuur waarin publieke en private verkeers- en vervoersdata aan elkaar gekoppeld worden. In 2021 wordt met de Douane, de mainports Rotterdam en Schiphol en hun Port Community Systemen de basis gelegd voor deze datadeel-infrastructuur.

Duurzame mobiliteit

In 2021 gaan we samen met de mobiliteitssector, overheden en maatschappelijke organisaties door met het uitvoeren van het Klimaatakkoord. Ons doel is dat in 2030 alle nieuwe personenauto’s emissieloos zijn. De aanschafsubsidie voor gebruikte en nieuwe elektrische auto’s wordt voortgezet (totale omvang 2020 ‒ 2025: € 252 miljoen). Halverwege 2021 bezien we of de ingroei van elektrisch vervoer nog op het beoogde ingroeipad zit. Daarbij ondersteunt het Rijk middels innovatie, financiering, samenwerking en regelgeving dat de benodigde laadinfrastructuur en de toegankelijkheid daarvan verder worden uitgerold. We werken, conform de batterijstrategie, verder aan de verantwoorde inzet van batterijen en het slim benutten van bijkomende economische kansen. In 2021 gaan we verder om via een geleidelijk en zorgvuldig proces in 30 tot 40 steden in Nederland zero-emissie stadslogistiek in te voeren. Door de COVID-19 crisis zijn veel bedrijven (financieel) hard getroffen. Dit betekent ook een extra uitdaging voor het behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord. We bekijken samen met bedrijven en medeoverheden wat we kunnen doen om zo goed mogelijk op koers te blijven, zodat we de doelen uit het Klimaatakkoord kunnen behalen. Daarbij is het van belang om bij de overstap naar een zero-emissie bedrijfsvoertuig zo veel mogelijk aan te sluiten bij natuurlijke investeringsmomenten. Decentrale overheden en OV-autoriteiten gaan door met de uitrol en opschaling van zero-emissie OV-bussen, doelgroepenvervoer en reinigingsvoertuigen. Het materieel voor bouwverkeer, mobiele werktuigen en grond-, weg- en waterbouwwerkzaamheden wordt verder verduurzaamd. Daarnaast wordt de implementatie van de herziene Richtlijn hernieuwbare energie (RED II) in 2021 afgerond. De strategie waterstof in mobiliteit voeren we in 2021 uit. IenW stimuleert innovaties, toepassingen en stations voor 0-emissie mobiliteit op waterstof en het veilig gebruik van waterstof in mobiliteit.

In 2021 richten we ons zowel op het vergroten van het aantal werkgevers dat zich inspant voor minder uitstoot van het verkeer, als op opschaling en uitrol van best practices. In de eerste helft van 2021 bieden we een voorstel voor een normerende regeling voor werkgebonden personenmobiliteit aan de Kamer aan om duurzame mobiliteit wettelijk te verankeren. Met behulp van fietsambassadeurs en mobiliteitsmakelaars stimuleren we dat mensen afstanden tot 2,5 km lopen, tot 7,5 km fietsen en tot 15 km reizen per e-bike. Juist tijdens de COVID-19 crisis lopen en fietsen veel mensen. Dit willen we vasthouden. In 2021 presenteren we het resultaat van de ambitie om 200.000 extra mensen op de fiets te krijgen voor woon-werkverkeer. Dit resultaat zal naar alle waarschijnlijkheid beïnvloed worden door de COVID-19 crisis. Ook is dan duidelijk welke snelfietsroutes en fietsenstallingen uitgewerkt en ingediend zijn voor cofinanciering in het kader van de € 100 miljoen investering uit het regeerakkoord en de € 75 miljoen voor fietsenstallingen uit het Klimaatakkoord. In 2021 gaan we verder aan de slag met de acties uit de Uitvoeringsagenda van de Nationale Fietsagenda om 20% meer fietskilometers in 2027 dan in 2017 te behalen.

Met de Green Deal voor de verduurzaming van de zeevaart, binnenvaart en havens is de eerste stap gezet naar een klimaatneutrale en emissieloze scheepvaart. Zo wordt uitvoering gegeven aan het CCR-onderzoek naar een Europees vergroeningsfonds voor de binnenvaart en wordt een zeer sterk verlaagd tarief in de energiebelasting, en een nihiltarief in de ODE geïntroduceerd voor walstroom. Tevens is het doel dat medio 2021 het verbod op varend ontgassen in de binnenvaart gefaseerd in werking treedt. Voor de zeevaart is het streven erop gericht om in 2021 de opgelopen vertragingen in het internationale overleg in te halen. Dit heeft gevolgen voor alle International Maritime Organization (IMO-)dossiers, waaronder de definitieve IMO-strategie om de uitstoot van broeikasgassen door de zeescheepvaart verder te verminderen. In 2021 komt een subsidie beschikbaar om de aanleg van walstroomvoorzieningen in zeehavens voor zeeschepen te stimuleren. Dit leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit, daling van stikstofdepositie en afname van geluidsemissies.

Op het gebied van duurzame luchtvaart wordt ingezet op de verdere uitvoering van het (ontwerp)akkoord van de Duurzame Luchtvaarttafel. Om het gebruik en de productie van duurzame brandstoffen – zoals biokerosine en synthetische kerosine – te stimuleren wordt primair ingezet op een Europese bijmengverplichting. Indien dit niet (tijdig) kan worden gerealiseerd, streeft Nederland naar invoering van een nationale bijmengverplichting per 2023. Nederland pleit daarnaast met een kopgroep van andere EU-landen voor meer ruimte voor en ondersteuning van disruptieve innovaties voor de verduurzaming van de luchtvaart. Ook zal Europese besluitvorming plaatsvinden over de vormgeving van het EU Emission Trading System voor de luchtvaart na 2023. In de International Civil Aviation Organization (ICAO) zet Nederland in op de verdere implementatie van het mondiale CO2 compensatie- en reductiesysteem (CORSIA) en een lange-termijn doelstelling voor CO2-reductie in de luchtvaart. Schiphol Group en de vliegtuigmaatschappijen werken aan een Actieprogramma emissiereductie luchtvaartsector. Het Actieprogramma zet in op maatregelen door de luchtvaartpartijen om emissies als gevolg van verkeer van en naar de luchthavens verder terug te dringen. Tevens omvat het programma een pakket aan maatregelen om alle grondgebonden activiteiten op de luchthavens («airside») in 2030 tot zero-emission te leiden en worden in het Actieprogramma maatregelen genomen die emissies door vliegtuigen zelf beperken.

Ook internationaal wordt ingezet op de transformatie naar een duurzaam systeem van mobiliteit en transport en waar mogelijk te versnellen. Dit gebeurt onder meer via de EU, in de European Green Deal, en mondiaal in het International Transport Forum (ITF) en de United Nations Economic Commission for Europe-Inland Transport Committee (UNECE-ITC). Door middel van alliantievorming wordt het ambitieniveau en de actiegerichtheid ook informeel versterkt. Een voorbeeld hiervan is de Zero Emissie Alliantie (ZEV) met gelijkgestemde ambitieuze landen en staten als China en Californië. Als voorzitter van de Transport Decarbonisation Alliance werkt Nederland samen met landen, steden en bedrijven die ook voor een voorhoederol in de transformatie kiezen aan het terugdringen van CO2 uitstoot in de transportsector. Door beleidsopties, kennis en onderzoek actief uit te dragen, en tevens door positieve ervaringen te delen op elektrische vervoer, groene vracht en fietsen.

We werken aan klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. De gevolgen worden steeds duidelijker merkbaar, zowel in Nederland als daarbuiten. Extreme droogte, temperatuurrecords die verbroken werden en wateroverlast door zware hoosbuiten zijn het begin van wat er aan effecten te verwachten zijn, zelfs als we er in slagen de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graad Celsius.

Het klimaatadaptatiebeleid in Nederland wordt medebepaald door afspraken op mondiaal en Europees niveau. De Europese Commissie heeft in de Green Deal aangekondigd dat er een nieuwe EU Klimaatadaptatie Strategie komt. De strategie wordt naar verwachting in 2021 vastgesteld. Hierin staan zowel de eigen beleidsambities van de Commissie als voorstellen over rapportageverplichtingen voor lidstaten voor de komende jaren.

De Nationale Klimaatadaptatie Strategieën en het bijbehorende uitvoeringsprogramma hebben tot doel dat Nederland uiterlijk in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Jaarlijks wordt in de Deltaplannen voor Waterveiligheid, Zoetwatervoorziening en Ruimtelijke Adaptatie door de overheden gezamenlijk gerapporteerd over nieuwe inzichten en afspraken. Daarnaast start in januari 2021 een impulsregeling klimaatadaptatie om decentrale overheden te helpen bij het werken aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.

Omgaan met droogte en voldoende zoetwater

De droge zomers van de afgelopen jaren laten zien dat ook in Nederland droogte voorkomt. Vanwege de klimaatverandering moeten we ons land voor de toekomst beter weerbaar maken tegen watertekort. Met de in 2020 afgeronde herijking van het Deltaprogramma Zoetwater intensiveren en versnellen we de ingezette koers:

  • Toepassen van de voorkeursvolgorde zoetwater: bij de ruimtelijke inrichting beter rekening houden met de waterbeschikbaarheid, zuiniger zijn met water, water beter vasthouden, water slimmer verdelen, en waar het niet anders kan droogteschade accepteren.

  • Het vergroten van de grondwatervoorraden door intensiever in te zetten op voorraadbeheer, met name op de hoge zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland.

  • Het verder doorvoeren van Slim Watermanagement door RWS en de waterschappen, zodat we het beschikbare water via gezamenlijke informatie-uitwisseling zo goed mogelijk benutten.

Het Deltaprogramma Zoetwater zorgt ervoor dat ons land ook in de toekomst een betrouwbare zoetwatervoorziening heeft. Het lopende programma tot en met 2023 bevat voor ruim € 400 miljoen aan maatregelen. Begin 2021 worden op basis van een zorgvuldige inhoudelijke afweging de voorkeursmaatregelen voor de periode 2022-2027 vastgesteld. Daarvoor is € 150 miljoen in het Deltafonds gereserveerd. De middelen uit het Deltafonds worden aangevuld met regionale cofinanciering, voor regionale maatregelen draagt de regio 75% bij. Ook voor de periode na 2027 wordt met deze begroting geld in het Deltafonds gereserveerd voor zoetwatermaatregelen.

Nationaal Water Programma

In december 2021 is publicatie van het Definitieve Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) voorzien. Voorafgaand aan publicatie vindt een zienswijzeprocedure van het Ontwerp-NWP plaats. De exacte planning is afhankelijk van de COVID-19-maatregelen. Het NWP beschrijft de nationale beleidsdoelen op het gebied van waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, klimaatadaptatie, scheepvaart alsook het beheer en de functies van de rijkswateren. Het brengt samenhang in het waterbeleid aan en laat de raakvlakken zien tussen het waterbeleid en andere thema’s als landbouw, natuur, bodem en ondergrond, energie en woningbouw.

Grote wateren

Door klimaatverandering en toenemend maatschappelijk gebruik staan de natuur en ecologische waterkwaliteit en daarmee de biodiversiteit van de grote wateren onder druk. Het Rijk wil in 2050 toekomstbestendige grote wateren met hoogwaardige natuur die goed samengaat met een krachtige economie. Via de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) werken LNV en IenW samen met regionale overheden, maatschappelijke organisaties en marktpartijen aan deze ambitie. In 2021 wordt de concrete uitvoering van een aantal projecten in de eerste en tweede tranche van de PAGW voorbereid via verkenningen en planuitwerkingen.

Beleidsontwikkeling Integraal Riviermanagement 

In het programma Integraal Riviermanagement wordt in samenwerking met betrokken overheden beleid ontwikkeld voor de omgang met de rivieren tot 2050. Dit beleid zal in ieder geval keuzes bevatten ten aanzien van afvoercapaciteit en de bodemligging met als doel opgaven voor waterveiligheid, scheepvaart, ecologische waterkwaliteit, natuur, zoetwater en regionaal-economische in samenhang op te pakken. De herijking van de voorkeurstrategie Rivieren van het Deltaprogramma wordt hierin meegenomen. Tevens komen concrete projecten in uitvoering.

Noordzee

Om de windenergieopgave en de afspraken uit het Klimaatakkoord van Parijs in balans te brengen met de opgaven voor natuurherstel en ruimte voor visserij, zeevaart, zandwinning, recreatie en ander gebruik, wordt een lange termijnstrategie voor de Noordzee opgesteld. Eind 2021 stelt het Kabinet hiertoe het nieuwe Programma Noordzee 2022-2027 vast, als onderdeel van het Nationaal Waterprogramma. Het Programma Noordzee 2022-2027 integreert verplichtingen uit diverse richtlijnen en geeft nadere invulling aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het Noordzeeakkoord dat de ministers van IenW, LNV en EZK in juni 2020 hebben gesloten met de meest betrokken stakeholderpartijen legt hieronder de bestuurlijke basis. Voorts wordt in 2021 de nieuwe strategie tot en met 2030 van het OSPAR-verdrag ter bescherming van het mariene milieu van de noordoost Atlantische Oceaan vastgesteld. Deze geeft samen met de Kaderrichtlijn Mariene Strategie richting aan de kaders voor een gezonde Noordzee met een duurzaam gebruik.

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

Hoe de zeespiegelstijging zich na 2050 ontwikkelt en welke maatregelen we kunnen nemen, is nog met grote onzekerheden omgeven. Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging heeft tot doel die onzekerheid te reduceren. Het Kennisprogramma zet in op het beter begrijpen van de mechanismen die leiden tot smelt van landijs op Antarctica en systeemverkenningen die de houdbaarheid en «oprekbaarheid» van onze huidige strategie van zandsuppleties en waterkeringen in beeld brengen. Dit heeft consequenties voor watermanagement, landbouw, natuur, havens en scheepvaart. Het Kennisprogramma loopt tot 2025 en wordt ontwikkeld in samenwerking met de Deltacommissaris, de partners in het Deltaprogramma, kennisinstellingen en het bedrijfsleven.

Climate Adaptation Summit

Op 25 januari 2021 zal de Climate Adaptation Summit (CAS Online) grotendeels online plaatsvinden met een beperkte fysieke component in Nederland. Deze klimaatconferentie draagt bij aan het versnellen van klimaatadaptatie wereldwijd door adaptatie-activiteiten en best practices wereldwijd te delen, alsook momentum te genereren voor wereldwijde actie in het komende decenium. De top draagt bij aan het kennisniveau ten aanzien van klimaatadaptatie en vergroot betrokkenheid en draagvlak voor actie op dit terrein. Tijdens de ‘CAS Online’ zullen o.a. de resultaten van de Global Commission on Adaptation (GCA) worden gepresenteerd. Daarnaast zullen de plannen voor de komende jaren worden gepresenteerd in de vorm van een Adaptation Action Agenda. Nederland heeft internationaal een leidende rol op het gebied van klimaatadaptatie. Een sterke profilering van Nederland draagt bij aan de internationale positionering van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen.

Naar een circulaire economie

De ambitie van dit kabinet is dat Nederland in 2050 circulair is. In 2030 wordt een reductie van 50% nagestreefd van primaire abiotische grondstoffen. Veel sectoren betrokken bij de transitie naar een circulaire economie worden door COVID-19 geraakt in hun bedrijfsvoering. De coronacrisis heeft een dalende vraag en afzet van recyclaat tot gevolg, met name voor de kunststof- en textielrecyclingsector. Het legt ook de tekortkomingen in het – nog grotendeels lineaire – systeem bloot. Er is niet één (snelle) oplossing voor de problemen waar de kunststof- en textielsectoren mee worden geconfronteerd. Daarom zal dit ook in 2021 aandacht krijgen. Bij het weer groeien van onze economie na deze crisis is het van belang om dit op een robuuste en duurzame wijze te doen. Circulaire maatregelen richten zich bij uitstek op groen herstel. 

Om de doelstellingen voor 2030 en 2050 daadwerkelijk te realiseren, is het noodzakelijk om de opbouw van de circulaire economie te stimuleren. Zo blijft een subsidieregeling voor mkb-ondernemers in een circulair ketensamenwerkingsverband ook in 2021 en 2022 open. Om de transitie te versnellen, is het belangrijk dat samen gewerkt wordt met en kennis gedeeld wordt tussen alle betrokken partijen. Nederland zet zich, ook internationaal, in om een gedegen monitoringskader te scheppen. De derde conferentie Circulaire economie in februari 2021 fungeert opnieuw als platform om de transitie te versnellen, kennisuitwisseling te faciliteren en nieuwe ketens te smeden. Op internationale schaal gebeurt dat tijdens het World Circular Economy Forum, dat in april 2021 in Nederland wordt gehouden.

Inspanningen vinden niet alleen op (inter)nationaal niveau plaats, maar ook regionaal. Mede met behulp van de regio-enveloppe kunnen regio’s projecten in 2021 en verdere jaren uitvoeren. In een aantal gevallen betreft dit ook circulaire projecten waarbij het Rijk samenwerkt met regionale publieke en private partijen om te komen tot een circulaire economie-strategie. Daarnaast wordt, in navolging van de motie Moorlag18, de ondersteuning van circulaire wijken verkend. Ondersteuning van projecten op het gebied van circulaire economie die bijdragen aan nationale CO2-reductie gebeurt ook met middelen die zijn vrijgemaakt voor de klimaatopgave.

Programma Nederland circulair: transitieagenda’s

Het Rijk zet zich samen met andere maatschappelijke partijen in om de transitie naar een circulaire economie te versnellen en op te schalen. In het kader van het Rijksbrede Programma Nederland Circulair is deze ambitie verder geoperationaliseerd per transitieagenda: biomassa en voedsel, bouw, consumptiegoederen, kunststoffen en maakindustrie.

In 2020 heeft het kabinet conform de aankondiging in het Klimaatakkoord en het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023 de hoofdlijnen van het duurzaamheidskader voor biomassa vastgesteld. In 2021 zal dit kader worden geïmplementeerd.

Het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023 wordt ook in 2021 geactualiseerd. Het programma bevat activiteiten binnen de vijf transitieagenda’s en de dwarsdoorsnijdende thema’s. Om uitvoering te geven aan het Uitvoeringsprogramma is op de IenW begroting in totaal voor de jaren 2021-2024 € 40 miljoen vrijgemaakt voor stimulering van sociale en productinnovaties, stimulering van kennisontwikkeling, opschaling van (bijna-)marktrijpe technieken en voor uitvoeringskosten van de onderdelen van IenW binnen het programma Circulaire Economie, waaronder het Versnellingshuis, monitoring en communicatie. In het kader van Urgenda is in 2021 op de begroting € 7,5 miljoen beschikbaar voor circulaire maatregelen in de GWW-sector en € 1 miljoen voor (de communicatie rond) een retourpremie op koel- en vrieskasten. Daarnaast wordt in 2021 via de Klimaatenveloppe van het kabinet € 10 miljoen beschikbaar gesteld voor het realiseren van circulaire projecten die tegelijk tot reductie van de CO2-uitstoot leiden. Voor het tegengaan van microplastics is € 10 miljoen beschikbaar gesteld uit de Enveloppe Natuur en waterkwaliteit voor de periode 2018-2021. Het PBL zal in samenwerking met een groot aantal kennisinstellingen de komende jaren de resultaten monitoren. Begin 2021 wordt de eerste integrale CE-rapportage (ICER) verwacht.

Duurzaam IenW

Het ministerie van IenW werkt in 2021 ook aan de verduurzaming van zijn eigen beleid, uitvoering en bedrijfsvoering en geeft zo invulling aan de voorbeeldrol van het Rijk uit het Klimaatakkoord. IenW publiceert jaarlijks een duurzaamheidsverslag op verantwoordingsdag en is op weg naar certificering op niveau 5 op de CO2-Prestatieladder in 2021. Ook heeft IenW een eigen Actieplan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). In 2021 wordt in de uitvoering verder gewerkt op weg naar klimaatneutrale en circulaire Rijksinfrastructuurprojecten (grond, weg, waterbouw en spoor), samen met Rijkswaterstaat en ProRail. Het IenW-doel voor vermindering van de eigen CO2-uitstoot als gevolg van gebruik van energie en brandstoffen met 30% in 2020 ten opzichte van 2009 wordt naar verwachting ruimschoots gehaald. In 2021 wordt nader invulling gegeven aan een energie- en klimaatneutraal IenW in 2030.

Verpakkingen en plastic

Nederland wil de verspreiding van kleine plastic deeltjes in het oppervlaktewater en/of de zee (plastic soep) tegengaan en de aanwezigheid van kleine plastic flesjes in zwerfafval voorkomen. Daarom wordt per 1 juli 2021 statiegeld ingevoerd voor kleine plastic flesjes. Voor blikjes wordt een vergelijkbare aanpak gevolgd zoals eerder bij de kleine plastic flesjes. Als de doelen van 70-90% minder blikjes in het zwerfafval en 90% recycling van blikjes in het najaar van 2021 niet zijn gerealiseerd, wordt medio 2022 ook op blikjes statiegeld ingevoerd. Als aanvulling op en deels als nadere invulling van de implementatie van de Europese Single Use Plastics (SUP) richtlijn is het Plastic Pact gesloten. Jaarlijks worden de resultaten gemonitord.19 In 2021 volgen ook de eerste resultaten van zowel het Nederlandse Plastic Pact als het mede op Nederlands initiatief afgesloten Europees Plastic Pact. Samen met een groot aantal landen en koplopende bedrijven wordt in dit kader gewerkt aan het vergroten van plasticrecycling en plastic-hergebruik en het gebruik van gerecycled materiaal.

Ter implementatie van de SUP-richtlijn treedt op 1 juli 2021 het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik in werking. Het besluit legt verboden en gebruiksbeperkingen op voor bepaalde kunststofproducten om schadelijke effecten op het milieu te verminderen. Voor verpakkingen worden per 2021 nieuwe doelstellingen van kracht voor hergebruik en recycling voor de periode tot en met 2025. IenW ondersteunt het initiatief van Nederlandse en Europese festivalorganisatoren om zich te ontwikkelen tot circulaire festivals als vervolg op de lopende Green Deal Afvalvrije Festivals en wil ook met andere sectoren tot soortgelijke afspraken komen. Voorts worden met de e-commerce sector afspraken gemaakt over het verduurzamen van verpakkingen en wordt onderzocht hoe vernietiging van retourgoederen te voorkomen.

Kleding en textiel

Met het beleidsprogramma circulair textiel20 is meerjarig beleid aangekondigd om de textielketen sluitend te maken. In het programma worden doelstellingen gesteld om toe te werken naar een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector, meer toepassing van recyclaat in nieuwe kleding en meer hergebruik en recycling. In het voorjaar van 2021 wordt een voorstel voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel gedaan. Daarnaast worden effectieve gedragsinterventies onderzocht en wordt er gewerkt aan een Denim Deal. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2021 de eerste voortgangsrapportage.

Een veilige, schone en gezonde leefomgeving

Waterkwaliteit

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft een goede chemische en ecologische toestand van het water als doel. De maatregelen hiertoe dienen uiterlijk in 2027 te zijn uitgevoerd. In 2021 wordt de tweede tranche van het KRW Verbeterprogramma (2016-2021) afgerond en de voorbereidingen voor de 3e tranche (2022-2027) zijn gestart. Met de uitvoering van dit programma moet de inrichting van de Rijkswateren voldoen aan de eisen van de richtlijn.

Vanwege COVID-19 is de regionale besluitvorming vertraagd. In maart 2021, drie maanden later dan eerder gepland, start zes maanden inspraak op de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen als onderdeel van het Nationaal Waterprogramma. De definitieve plannen worden in het eerste kwartaal van 2022 vastgesteld. In de plannen staat hoe de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater nu is, waarom en waar doelen nog niet worden gehaald en wat daaraan de komende zes jaren gedaan wordt. Tijdens de inspraakperiode wordt een ex-ante evaluatie uitgevoerd om te bepalen welke resultaten de voorgestelde maatregelen hebben in 2027.

Met de Delta-aanpak Waterkwaliteit wordt een extra impuls gegeven aan het realiseren van de doelen van de KRW. De prioriteiten daarbij zijn nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, opkomende stoffen en medicijnresten in water. Op basis van de evaluatie van de aansturing via de bestuurlijke versnellingstafels wordt het vervolg in 2021 bepaald.

Vanuit de Delta-aanpak wordt ingezet op de impuls van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. De eerste stap is de uitwerking van de wateropgave (waterkwaliteit, -kwantiteit en zoetwater). In 2021 wordt de vertaalslag gemaakt naar gebieds-en sectorgerichte maatregelpakketten. Voor het stimuleren van de toepassing van maatregelen bij agrariërs is 38,8 miljoen euro extra gereserveerd voor de periode 2020 tot en met 2027.

De aanpak van opkomende stoffen en medicijnresten in water richt zich in 2021 op een impuls voor vergunningverlening, en verbeteren zuivering. Onder de ketenaanpak ‘medicijnresten uit water’ wordt vergaande zuivering van rioolwater gestimuleerd, om zo medicijnresten en andere nieuwe stoffen uit het stedelijk afvalwater te verwijderen op geïdentificeerde hotspots.

Zeer Zorgwekkende Stoffen

Voorkomen is beter dan genezen blijft ook in 2021 het uitgangspunt. De inspanningen om beter zicht te krijgen op emissies van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en deze gericht in te perken gaan dan ook door. Begin 2021 worden de eerste resultaten verwacht van de ZZS-uitvraag voor alle relevante emissies bij de verschillende bevoegde gezagen. Dit overzicht moet het mogelijk maken om adequater te prioriteren in de aanpak van ZZS, op lokaal, nationaal en Europees niveau. Na intensief voorwerk wordt in 2021 een belangrijke stap gezet om PFAS in producten te beperken. De restrictieprocedure wordt formeel gestart met de indiening van het brede restrictiedossier bij de Europese Commissie. Hiertoe werkt Nederland nauw samen met enkele andere lidstaten.

Stoffen in de bodem

In 2021 zullen nieuwe regels voor stoffen in bodem en bagger in werking treden. Hiervoor zijn normen voor PFAS in de bodemregelgeving en een algemene methodiek voor het omgaan met niet-genormeerde (nieuw opkomende) stoffen in bodem en bagger ontwikkeld. Naast het vroegtijdig signaleren van mogelijk relevante stoffen, wordt een werkwijze geformuleerd waarmee het bodeminstrumentarium tijdig voor de nieuwe stof gereed is en tegelijkertijd de noodzakelijke uitvoeringspraktijk door kan gaan. Hierdoor moet voorkomen worden dat in een dergelijke situatie onnodig stagnatie optreedt en grondverzet zoveel mogelijk doorgang kan vinden. In 2021 wordt daarnaast extra ingezet op het verder opbouwen van kennis over bodem en ondergrond, zowel bij de Rijksoverheid als in afstemming met de medeoverheden en de omgeving. Ook zal er een vaste overlegstructuur worden ingericht om bodemgerelateerde kwesties interbestuurlijk te bespreken. De samenhang op het gebied van nieuwe stoffen tussen de verschillende milieudomeinen wordt daarnaast versterkt om zo de keten beter in beeld te krijgen.

Asbest

Voor asbest blijft het streven om de grootste resterende bron in de leefomgeving weg te nemen. Daartoe staat 2021 in het teken van het faciliteren van eigenaren van asbesthoudende daken bij het verwijderen hiervan. Het beleid is erop gericht om samen met de partners een fonds voor particuliere eigenaren op te richten en worden financiële instrumenten voor zakelijke eigenaren in de tweede helft van 2020 verkend21. Daarnaast worden (innovatieve) kansen voor het zo effectief mogelijk saneren aangegrepen.

Geluid

De Aanvullingswet geluid waarmee geluidregels ondergebracht worden in de Omgevingswet is in 2020 aangenomen in de Eerste Kamer. De feitelijke geluidnormering wordt opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). De nieuwe geluidregels treden in 2022 in werking. Daarnaast heeft de WHO een belangrijk advies uitgebracht over geluid. In 2020 wordt verder onderzocht hoe het WHO-advies zich verhoudt tot de huidige (inter)nationale wet- en regelgeving en naar de mogelijkheden om het WHO advies te gebruiken ter versterking van het (inter)nationaal beleid en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse situatie. In 2020 en latere jaren vindt de verdere uitwerking daarvan plaats.

Luchtkwaliteit

Schone lucht is van levensbelang. De afgelopen jaren is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd, maar om de resterende hardnekkige EU-normoverschrijdingen op te kunnen lossen, is de aanpak uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) voortgezet tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het gaat met name om een aantal gebieden met veel intensieve veehouderij (fijnstof) en om enkele binnenstedelijke gebieden (stikstofdioxide). Op basis van het advies van de Taskforce versnelling innovatieproces zullen stappen worden gezet om de resultaten van maatregelen die veehouderijbedrijven nemen om de emissies van ammoniak, geur en fijnstof te reduceren te kunnen borgen met metingen op bedrijfsniveau.22

De EU-normen zijn maximale toegestane waarden. Ookwaar aan de normen wordt voldaan, is verdere verbetering van de luchtkwaliteit van belang om gezondheidswinst te realiseren. Daarom werkt het kabinet samen met medeoverheden aan de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord23. Ook de COVID-19 pandemie versterkt de aandacht voor verbetering van de luchtkwaliteit. Het Schone Luchtakkoord is gericht op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland. Hiermee werkt het kabinet - zoals geadviseerd door de Gezondheidsraad24 - toe naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030. Inzet van het kabinet is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te behalen, voor de gezondheidseffecten afkomstig van Nederlandse bronnen. De aanbevelingen van het IBO Luchtkwaliteit en de beleidsdoorlichting van het NSL zijn bij het Schone Lucht Akkoord betrokken. Eind 2020 wordt de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord gepresenteerd en in 2021 vindt monitoring plaats met de gezondheidsindicator.

Geurhinder veehouderijsector

Geurhinder vormt een probleem in een aantal gebieden waar veel veehouderij geconcentreerd is. In reactie op het rapport van de Commissie Geurhinder Veehouderij wordt het geurbeleid opnieuw vormgegeven om een balans te bereiken tussen een prettige leefomgeving en duurzame veehouderij. In 2021 verwachten we de chemisch-analytische methode om geur te meten praktisch toepasbaar te hebben gemaakt en daarmee bij te dragen aan het ontwikkelen van sensoren voor het meten van geur.

Omgevingsveiligheid

De samenwerking met bedrijfsleven en wetenschap in het programma Duurzame Veiligheid 2030 wordt voortgezet in de Safety Delta Nederland (SDN): een nieuwe stichting met als doel om samen te werken aan de veiligste (petro)chemische industrie ter wereld. SDN moet een toonaangevende organisatie worden, de spil in een netwerk van overheden, bedrijven, universiteiten en kennis-onderwijsinstellingen. Binnen dit netwerk werken we aan innovatie, kennisontwikkeling en kennisopbouw rondom vraagstukken op het gebied van veiligheid. Naast milieurisico’s richt IenW zich ook op financiële risico’s die samenhangen met saneringsopgaven. Bedrijven moeten op voorhand laten zien hoe zij invulling geven aan het uitgangspunt ‘de vervuiler betaalt’.

Elke twee jaar vindt een onderzoek plaats naar de kwaliteit van de uitvoeringstaken Vergunningverlening, Toezicht en Handhandhaving (VTH), om structureel het proces van VTH te verbeteren en knelpunten te ondervangen. De uitwerking van de aanbevelingen is geland in de uitvoeringsagenda VTH. Gelijktijdig wordt gewerkt aan de aanpak van milieucriminaliteit (Actieplan Milieucriminaliteit), in vervolg op de aanbevelingen uit het onderzoek van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid in 2019. De uitvoeringsagenda VTH en het Actieplan Milieucriminaliteit zijn onderling sterk verbonden en kennen een hoge mate van samenwerking. In 2021 gaan in dat kader 13 projecten van start of worden voortgezet, zoals in de brief van 5 juni 2020 aangegeven (Kamerstuk 33118 nr. 147). Ook levert begin 2021 de adviescommissie VTH, onder voorzitterschap van de heer Van Aartsen, haar rapport op. De commissie is gevraagd te kijken naar de toekomstbestendigheid van het stelsel.

Ook in 2021 is de beleidsinzet voor vuurwerk gericht op het realiseren van een veilige en feestelijke jaarwisseling. Begin 2021 worden de uitkomsten van het onderzoek naar het verbeteren van de vuurwerkveiligheid verwacht. Samen met de evaluatie van de jaarwisseling 2020-2021 biedt dat nader inzicht in realisatie van genoemde beleidsinzet. Verder is door technische wijzigingen en synchronisatie van de Omgevingswet aanpassing van het Vuurwerkbesluit voorzien.

Om het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor veiliger te maken, werkt IenW in 2021 verder aan het robuust maken van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit doet IenW in samenwerking met de medeoverheden, de (chemische) industrie en de verladers en vervoerders.

Biotechnologie

Het beleid voor biotechnologie kenmerkt zich zowel door het veilig toepassen van biotechnologie als ruimte voor innovatie. In 2020 zijn samen het RIVM, de COGEM en de sector verbeteringen doorgevoerd in de vergunningverlening ten aanzien van gentherapie. In 2021 worden de resultaten en effecten daarvan zichtbaar en worden verbeteringen geïmplementeerd.

Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

In 2021 vindt de achtste conferentie Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval plaats bij het Internationaal Atoomenergieagentschap. Deze driejaarlijkse conferentie toetst de nationale rapportages over de nakoming van de verdragsverplichtingen en geeft aanbevelingen voor verdere beleidsontwikkeling. De vergelijkbare conventie Verdrag Nucleaire Veiligheid van de VN is uitgesteld in verband met de COVID-19-maatregelen en zal naar verwachting in 2021 plaatsvinden. Om de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming ook voor de lange termijn te borgen, is voldoende kennis van hoog niveau van groot belang. In 2021 zal het Rijk samen met de betrokken partijen een aanpak opstellen voor verdere versterking van deze kennisinfrastructuur. In 2021 start een update van het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen. In 2025 dient dit bij de Europese Commissie te worden aangeleverd.

Safe-by-design

IenW zet stappen door het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe of alternatieve, veilige materialen, producten, processen en toepassingen. Het concept Safe-by-design speelt bij het voorkomen van risico’s een belangrijke rol. Dit concept neemt bij elke ontwikkeling vanaf het prille begin veiligheidsoverwegingen mee. Safe-by-design is in EU- en OESO-verband geagendeerd. Bijvoorbeeld voor de gezamenlijke aanpak van nanomaterialen en gevaarlijke stoffen, maar ook voor het vroegtijdig stimuleren van veilige innovaties bij de energietransitie.

Cybersecurity

In 2021 werken we verder aan wet- en regelgeving op het gebied van (cyber)security en continuïteitsmanagement, bijvoorbeeld naar aanleiding van de review van Europese richtlijn netwerk en informatie beveiliging en de review van de Europese richtlijn Vitaal. Er wordt gewerkt aan een wijziging van het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni), op basis waarvan via een ministerieel besluit ook binnen de deelsectoren spoor en weg in 2021 aanbieders van essentiële diensten worden aangewezen waarvoor de zorgplicht en meldplicht gaan gelden. IenW is voornemens een ministeriele regeling (MR) cybersecurity op te stellen met sectoroverstijgende nadere regels voor de invulling van de zorgplicht uit de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en Bbni. Zowel het gewijzigde Bbni als de MR treden 1 januari 2021 in werking. Door de ILT worden voorbereidingen getroffen voor de inrichting en implementatie van het toezicht en handhaving van de Wbni. Rijkswaterstaat werkt aan een versterkingsprogramma. Daarnaast werkt IenW samen met EZK en JenV aan de implementatie de investeringstoets en de borging van het Defensie aanbestedingstoetsingskader in sectorale wetgeving. Ook de uitrol van het bestaande programma Versterking cyberweerbaarheid in de watersector (BAW+) is in een versnelling terechtgekomen en gaat in 2021 verder.

IenW in het Caribisch deel van het Koninkrijk

COVID-19 heeft de eilanden hard geraakt. Het toerisme en daarmee de economie zijn deels ingestort. IenW-projecten hebben vertraging opgelopen. Op Bonaire, Saba en Sint Eustatius zet men de structurele infrastructuurmiddelen uit het regeerakkoord vooral in voor de aanpak van de wegen. De middelen uit de Kabinetsreactie van oktober 2019 geven de drie eilanden tevens de mogelijkheid te werken aan concrete projecten die op basis van good governance tot snelle en zichtbare resultaten met meerwaarde voor de inwoners moeten leiden.25

Op Saba wordt verder gewerkt aan een nieuwe toekomstbestendige haven en de ontwikkeling van het omliggende gebied. Op Sint-Eustatius worden plannen gemaakt voor de doorontwikkeling van de haven en het stoppen van erosie. De bouw van de nieuwe verkeerstoren en passagiersterminal op de luchthaven op Sint-Eustatius wordt in 2021 afgerond. Op Bonaire wordt gewerkt aan de platformen van de luchthaven.

IenW is systeemverantwoordelijk voor de luchtvaart en de scheepvaart in het gehele Koninkrijk. Met een extra impuls naar aanleiding van COVID-19 vaart in 2021 een verbeterde ferry tegen een gereduceerd tarief voor twee jaar tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Daarnaast werken we aan het verbeteren van de governance in de luchtvaart en het op orde brengen van veiligheidsstandaarden, Search & Rescue en regelgeving. Het KNMI ontwikkelt een automatisch systeem voor meteorologisch waarnemingen voor de luchtvaart. Tevens ontwikkelt het KNMI de vulkaanmonitoring verder gelet op internationale standaarden.

IenW werkt verder aan betrouwbaar en betaalbaar drinkwater op Caribisch Nederland. Met Saba, Sint Eustatius en Bonaire wordt in nauwe samenwerking een intensief milieuprogramma ontwikkeld. Op alle drie de eilanden wordt geïnvesteerd in de professionalisering van het afvalbeheer en efficiëntere installaties. Ook werkt men aan uitfasering van plastics. Op Bonaire wordt wet- en regelgeving voor bedrijven ontwikkeld, een kruithuis voor de veilige opslag van vuurwerk gebouwd en wordt asbest verder gesaneerd. De interdepartementale Taskforce onder voorzitterschap van IenW werkt aan de brandstoffenproblematiek op Bonaire. In 2021 bouwt Bonaire met financiële hulp van het Rijk een veilige en toekomstbestendige infrastructuur voor brandstof. Samen met de ministeries van LNV en BZK werkt IenW aan de uitwerking van het Koraalactieplan om de snelle achteruitgang van het koraal aan te pakken.

IenW en de EU

De inspanningen op Europees vlak richten zich met name op de gevolgen van de COVID-19 crisis op Europees niveau, inclusief (de vergroening van) de financiële en economische herstelmaatregelen, de voortgang van de onderhandelingen over de nieuwe relatie met het Verenigd Koninkrijk, (de uitkomsten van) de onderhandelingen over de nieuwe Europese begroting die doorwerken in programma’s en fondsen en de Europese Green Deal. Deze ontwikkelingen zijn prioritair aan onze Europese inzet gezien de grote impact op het nationale beleid.

Daarnaast zal IenW in 2021 in interdepartementaal verband mede vormgeven aan (de uitvoering van) het nationale en Europese ruimtevaartbeleid. Dit volgt uit de Nederlandse inschrijving in de programma’s van het Europese ruimtevaartagentschap en uit de Europese programma’s voor satellietnavigatie. Het nationaal ruimtevaartbeleid richt zich op de uitbouw van de rol van het Galileo Reference Centre in het ruimtevaartcluster en de op te zetten Space Campus in Noordwijk.

IenW zal op verzoek van de Europese commissie een aanbod doen voor het huisvesten van een grondstation op Bonaire voor het Galileo systeem dat vanwege Brexit verplaatst moet worden.

Overzicht coronamaatregelen

De afgelopen maanden zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual.

Tabel 1 Maatregelen in verband met COVID-19 (bedragen x €1.000)

Maatregel

Bedrag 2020

Bedrag 2021

Relevante Kamerstukken

Beschikbaarheidsvergoeding OV

€ 1.488.000

€ 0

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20200612/voorstel_van_wet_3https://rijksbegroting.nl/binaries/onopgemaakt/2009/mn/kst281549.rtf

Pilot ferryverbinding tussen Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba

€ 2.000

€ 0

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/24/kamerbrief-extra-maatregelen-caribisch-nederland-in-verband-met-covid-19https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20200514/voorstel_van_wet_2

Aftrekpost voor drinkwater kosten Caribisch NL

€ 730

€ 3.352

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/24/kamerbrief-extra-maatregelen-caribisch-nederland-in-verband-met-covid-19https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20200514/voorstel_van_wet_2

Beschikbaarheidsvergoeding OV

Het kabinet heeft na overleg met de OV-partijen besloten tot een vergoeding om te komen tot een kostendekkingsgraad van 93% voor de periode 1 maart ‒ 31 december 2020. Ook de vervoerders leveren een passende bijdrage. Deze is vastgesteld op maximaal 7% van de kosten. Een vervoerder kan verzoeken om een verhoging van maximaal 2%-punt bovenop de gegarandeerde 93% afdekking van de vervoerskosten. Toekenning geschiedt enkel indien de vervoerder overtuigend kan aantonen dat er bedrijfseconomisch geen andere mogelijkheid is dan de dienstverlening af te schalen om continuïteit te borgen. Het doel is dat het aanbod van openbaar vervoer niet alsnog hoeft te worden afgeschaald.

In lijn met het doorbetalen van de decentrale overheden aan de regionale concessies, draagt het ministerie van IenW € 167 mln. bij door de concessievergoeding die zij ontvangt van NS hiervoor in te zetten. De overige € 1,321 miljard euro wordt door het kabinet additioneel beschikbaar gesteld. De vergoeding is bestemd voor al het openbaar vervoer onder een concessie (gebiedsconcessies, lijnconcessies en lijnovereenkomsten) in Nederland en loopt tot het einde van 2020. De vergoeding wordt ingericht op basis van nacalculatie.

Aan de vergoeding wordt een aantal voorwaarden gesteld ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. Vervoerders keren verder geen dividend uit, er worden geen bonussen voor Raad van Bestuur en hoger management of ontslagvergoedingen voor bestuurders verstrekt en geen eigen aandelen ingekocht. Bij de uitvoering van de vergoeding wordt daarnaast een monitor ingericht. In lijn met de comptabiliteitswet zal deze maatregel worden geëvalueerd. In het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) is afgesproken dat concessieverleners en concessiehouders tijdig het gesprek aangaan over het jaar 2021 (en verder).

Pilot ferryverbinding Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba

De bovenwindse eilanden worden door de crisis zwaar geraakt. De eilanden zijn voor een groot deel afhankelijk van toerisme. Met een goede en betaalbare ferry wordt verwacht dat na de lockdown toeristen uit de regio de eilanden vaker zullen aandoen, ook bewoners kunnen zich dan vaker en goedkoper verplaatsen. Om de ferryverbinding tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten te verbeteren, heeft het kabinet besloten tot een verbeterde en frequente ferry tegen gereduceerd tarief voor een periode van twee jaar. De uitvoering wordt door de eilanden opgepakt in samenwerking met de BZK, IenW en EZK.

Aftrekpost voor drinkwater kosten Caribisch Nederland

Door het wegblijven van toeristen lopen de eilanden veel inkomsten mis. Om de inwoners te steunen is besloten tot compensatie van vaste lasten van nutsdiensten. Deze zijn op de eilanden relatief hoog. Voor water is het vaste aansluittarief op 0 euro gebracht vanaf 1 mei 2020 tot aan het einde van het jaar 2021.

2

Kamerstukken II, 2019/2020, 35 300-A nr. 94

3

Bijlage bij Kamerstukken II, 2018/2019, 23 645 nr. 685

4

Kamerstukken II, 2019/2020, 35 300-A nr. 58

5

Kamerstukken II, 2019/2020, 31 936 nr. 732

6

Kamerstukken II, 2018/2019, 31 936, nr. 593 en 2019-2020, 31 936 nr. 659

7

Kamerstukken II, 2019/2020, 31 936 nr. 711

8

Kamerstukken II, 2018/2019, 35 000 nr. 94 en 2019/2020, 35 300 nr. 66

9

Kamerstukken II, 2019/2020, 35 426 nr. 1 en 2019/2020, 35 426 nr. 3

10

Kamerstukken II, 2019/2020, 29 984 nr. 899

11

Kamerstukken II, 2019/2020, 35 396 nr. 3

12

Kamerstukken II, 2019/2020, 31 409 nr. 274

13

Kamerstukken II, 2019/2020 21501-20 nr. 1558

14

Kamerstukken II, 2018/2029, 31 305 nr. 290

15

Kamerstukken II, 2018/2019, 29 398 nr. 639

16

Kamerstukken II, 2019/2020, 29 398 nr. 783

17

Kamerstukken II, 2018/2019, 29 398 nr. 639

18

Kamerstukken II, 2019/2020, 35 300 nr. 38

19

Kamerstukken II, 2019/2020, 30 872 nr. 244

20

Kamerstukken II, 2019/2020, 32 852 nr. 112

21

Kamerstukken II, 2019/2020 25 834, nr. 167 en 25 834, nr. 169

22

Kamerstukken II, 2019/2020, 29 383 nr. 345

23

Kamerstukken II, 2019/2020, 30 175 nr. 343

24

Bijlage bij Kamerstukken II, 2017-2018, 30 175 nr. 292

25

Kamerstukken II, 2019-2020, 35 300 nr. 11

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en ontvangsten aan ten opzichte van vorig jaar. Een meer gedetailleerd overzicht van de mutaties per artikel is in de verdiepingsbijlage (bijlage 2) te vinden.

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand begroting 2020 (incl. NvW)

 

8.911.581

9.319.980

9.433.270

9.957.451

9.867.774

9.311.300

Mutaties 1e suppletoire begroting 2020

 

‒ 104.786

‒ 184.737

‒ 274.904

306.651

199.593

759.618

Stand 1e suppletoire begroting 2020

 

8.806.795

9.135.243

9.158.366

10.264.102

10.067.367

10.070.918

Mutaties Incidentele suppletoire begroting 2020

 

1.323.854

0

0

0

0

0

Stand Incidentele suppletoire begroting 2020

 

10.130.649

9.135.243

9.158.366

10.264.102

10.067.367

10.070.918

Belangrijkste mutaties

 

4.745

7.333.222

442.980

590.610

69.545

65.555

1 Loon- en prijsbijstelling

99

‒ 141.369

‒ 98.255

‒ 106.113

‒ 136.818

‒ 138.073

‒ 137.255

- waarvan Infrastructuurfonds

26

128.218

82.824

90.247

118.583

123.678

120.784

- waarvan Deltafonds

26

13.151

15.431

15.866

18.235

14.395

16.471

2 Luchtvaart

17

9.570

18.446

7.655

2.092

1.814

872

 

Div.

‒ 9.570

‒ 18.446

‒ 7.655

‒ 2.092

‒ 1.814

‒ 872

3 Circulaire economie

21

0

15.000

15.000

5.000

5.000

0

 

Div.

0

‒ 15.000

‒ 15.000

‒ 5.000

‒ 5.000

0

4 Caribisch Nederland

Div.

9.759

13.302

5.330

580

0

0

 

Div.

‒ 9.759

‒ 13.302

‒ 5.330

‒ 580

0

0

5 Drinkwater Caribisch Nederland

13

 

3.352

    

6 Retrofit binnenvaart

18

4.000

12.000

14.000

16.000

16.000

5.000

7 Geluidsanering

20

0

0

0

0

0

7.010

8 ILT

24

3.867

1.788

600

600

600

851

 

Div.

‒ 3.867

‒ 1.788

‒ 600

‒ 600

‒ 600

‒ 851

9 KNMI huisvesting

23

1.453

1.210

1.221

908

832

925

 

Div.

‒ 1.453

‒ 1.210

‒ 1.221

‒ 908

‒ 832

‒ 925

10 Omvorming Prorail

26

 

7.130.300

‒ 40.000

‒ 40.000

‒ 40.000

‒ 40.000

11 Versnelling investeringen Infrastructuurfonds

26

 

174.325

423.235

578.865

57.800

57.800

12 Bestedingsplan innovatieregeling bouw GWW

26

5.000

10.000

10.000

   

13 Bijdrage Deltafonds t.b.v. Noordzeeakkoord

26

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

14 2e maatregelenpakket Urgenda

21

 

7.500

    

Overige mutaties

Div.

2.538

8.034

4.930

‒ 105

1.015

1.939

Stand ontwerpbegroting 2021

 

10.137.932

16.476.499

9.606.276

10.854.607

10.137.927

10.138.412

Toelichting

Ad 1. Dit betreft het restant van de loon- en prijsbijstelling tranche 2020 dat wordt herverdeeld over de IenW-begrotingen Infrastructuurfonds en Deltafonds. De herverdeling van het deel begroting Hoofdstuk XII heeft reeds bij Voorjaarsnota 2020 plaatsgevonden.

Ad 2. Deze middelen zijn vrijgemaakt om uitvoering te geven aan de ambities uit het Regeerakkoord en de Luchtvaartnota. Het gaat hierbij onder andere om de thema’s luchtruimherziening, Lelystad Airport, hybride en elektrisch vliegen, vliegtuiggeluid, versterking omgevingskwaliteit regionale luchthavens en inzet van de ILT.

Ad 3. Het werken naar een circulaire economie (CE) is een prioriteit in het regeerakkoord en het kabinet heeft zich gecommitteerd aan een Rijksbreed programma. Vanaf 2018 zijn structureel aanvullende middelen beschikbaar gekomen vanuit de klimaatenveloppe, echter, deze middelen zijn alleen beperkt beschikbaar voor gerichte circulaire investeringen met een CO2-besparing. Om de doelstellingen voor 2030 en 2050 daadwerkelijk te realiseren ‒ 50% minder gebruik van primaire grondstoffen in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050 - zijn deze aanvullende middelen vrijgemaakt. Hiermee kan onder andere invulling worden gegeven aan de transitieagenda's.

Ad 4. In Caribisch Nederland zijn extra investeringen in de infrastructuur, bereikbaarheid, drinkwatervoorziening, vulkaanmonitoring en het milieu- en afvalbeheer benodigd. Hiervoor is komende jaren ca. € 28 mln. vrijgemaakt.

Ad 5. Ter financiële ondersteuning van de inwoners van Caribisch Nederland in verband met Corona is de verlaging van de drinkwatertarieven verlengd tot en met 2021.

Ad 6. Vanuit de structurele aanpak stikstofproblematiek is € 79 miljoen (voor de periode 2020 tot 2030) toegevoegd aan het budget ter verduurzaming van de binnenvaart uit de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Dit extra budget zal worden ingezet voor het subsidiëren van Selectieve Catalytische Reductie (SCR-)katalysatoren voor binnenvaartschepen.

Ad 7. Het budget voor de geluidsanering bij rijks- en spoorwegen is in het verleden tot en met 2024 gevormd uit middelen van de toenmalig departementen van VROM en VenW. Met deze toevoeging wordt gewaarborgd dat dit budget ook in vanaf 2025 beschikbaar blijft voor het voortzetten van het huidige beleid

Ad 8. Er is budget vrijgemaakt voor de voor de uitvoering van nieuwe inspectietaken (zie art. 24).

Ad 9. Er is budget vrijgemaakt voor de aanpak van de gebouwen van het KNMI, die in slechte staat zijn.

Ad 10. Het kabinet is voornemens om 1 juli 2021 ProRail om te vormen tot ZBO. Dit heeft zowel incidentele als structurele gevolgen voor de begroting van het Infrastructuurfonds, als gevolg van de veranderde fiscale positie van ProRail. De incidentele gevolgen zijn verwerkt in 2021 met een mutatie van ruim € 7,1 miljard als gevolg van de dividendbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting die ProRail moet betalen aan de Belastingdienst. Daarnaast is er sprake van structurele fiscale gevolgen van € 40 miljoen per jaar die ProRail niet hoeft te betalen als gevolg van de omvorming.

Ad 11. Het kabinet haalt investeringen naar voren om de economie te ondersteunen. De komende jaren worden investeringen ter waarde van ruim 1,5 miljard euro naar voren gehaald, op het terrein van BZK en IenW. Voorbeelden hiervan zijn onderhoud aan het spoor en (vaar)wegen en maatregelen om de veiligheid van (fiets)infrastructuur te verbeteren. Deze versnellingen ondersteunen de economie op korte termijn en dragen bij aan beleidsdoelen voor de lange termijn, zoals duurzaamheid en bereikbaarheid. Deze investeringen voldoen daarmee aan de door het kabinet gehanteerde drieslag 'tijdig, tijdelijk en gericht'.

Ad 12. Dit betreft middelen voor de innovatieregeling bouw Grond-, Weg-, en Waterbouw (GWW).

Ad 13. Meerjarige bijdrage van IenW ten behoeve van het Noordzeeakkoord. Dit budget is bedoeld voor sanering en verduurzaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor het de veilige doorvaart van de aan te leggen windparken en voor extra handhaving door de Nederlandse Voedsel en Warenautotiteit (NVWA).

Ad 14. Dit betreft uitgaven in het kader van Urgenda voor circulaire maatregelen in de GWW.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt inzicht gegeven in de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel. Hiermee wordt de budgetflexibiliteit in de begroting beter inzichtelijk gemaakt en valt af te leiden welk deel van de geraamde uitgaven budgettair-technisch gezien beschikbaar is voor alternatieve besteding. Het percentage en het bedrag niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel worden bepaald op basis van het percentage «juridisch verplicht» uit de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen. In de kolom «Bestemming van de niet juridische verplichte uitgaven» wordt het niet verplichte bedrag opgesplitst naar de bestemming van de uitgaven.

Tabel 3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x €1.000)

Art.

Naam artikel (totale uitgaven artikel)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridische verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

11

Integraal waterbeleid

€ 55.320 (89%)

€6.744 (11%)

• €630 voor opdrachten algemeen waterbeleid (regie op uitvoering)• €287 voor opdrachtenvoor kennis en innovatie• €235 voor klimaatadaptatie• €622 voor opdrachten waterveiligheid• €461 voor opdrachten water internationaal• €486 voor opdrachten operationalisering resultaatgerichte aanpak (HGIS)• €872 voor opdrachten waterkwaliteit (kaderrichtlijn water, communicatie, glastuinbouw, waterstatistieken).• €287 voor opdrachten op het gebied van grote oppervlakte wateren (gebiedsagenda Wadden, Eems/Dollard, pilot Waddenslib).• €740 voor opdrachten Marien en Internationaal Waterbeleid• €2.124 voor overige opdrachten

13

Bodem en Ondergrond

€ 140.871 (99%)

€ 1.785 (1%)

• €223 Bodemonderzoek en structuurvisie ondergrond• €146 Drinkwater en waterketen (inclusief commissie van deskundigen)• €15 Caribisch Nederland• €1.401 Sanering EMK Stormpolderdijk Krimpen a/d IJssel

14

Wegen en verkeersveiligheid

€ 153.789 (75%)

€ 38.202 (25%)

• €25.241 opdrachten/bijdragen in het kader van klimaatakkoord voor Duurzame Mobiliteit• € 6.122 voor opdrachten Slimme en duurzame mobiliteit. Opdrachten bestaan uit diverse onderzoeken/bijdragen (waaronder monitoring beleid en stimulering werkgeversaanpak) en communicatieactiviteiten.• € 2.979 voor diverse onderzoeken verkeersveiligheid en verkeersveiligheid campagnes.• € 3.861 voor diverse opdrachten/onderzoeken t.b.v. Wegverkeersbeleid en programmering Rijkswegen

16

Spoor

€ 26.375 (93%)

€ 1.934 (7%)

• € 580 OV-begeleiderskaart, Continue screening taxi's, Evaluatierapport personeelsmonitor• € 51 Omvorming ProRail• € 133 Decentralisatie Waddenveren, opdracht KNMI, monitoring spoorstaafschade• € 136 BSV uitbesteding SWUNG-1 taken, beheer geluidkaarten PDOK END• € 307 Monitoring maatregelenpakket spoorgoederenvervoer personeelsmonitor• € 727 Bijdrage aan ODIN

17

Luchtvaart

€ 19.494 (72%)

€ 7.587 (28%)

• € 7.680 voor diverse opdrachten/onderzoeken voor de uitvoering van de luchtvaartnota en m.b.t. luchtvaartveiligheid, luchthavenontwikkeling, luchtverkeer, duurzaamheid en netwerkkwaliteit en de opgaven voor de herziening van het luchtruim, Schiphol en Lelystad.

18

Scheepvaart en Havens

€19.400 (92%)

€1.687 (8%)

• €1.687 voor divers beleidsonderzoek gericht op onder meer de binnenvaart, zeevaart, zeehavens en Caribisch Nederland.

19

Uitvoering Milieubeleid en Internationaal (€45.605)

€43.868 (96%)

€1.737 (4%)

• € 156 pilots Satelietdata data.• € 605 World Circular Economic Forum (WCEF)/ HGIS.• € 447 DGMI- brede projecten.• € 307 vrijwillige bijdragen aan internationale organisaties (HGIS)• € 222 DGMI- Algemeen, Organisatie ontwikkeling.

20

Lucht en Geluid (€27.254)

€26.851 (99%)

€403 (1%)

• € 399 opdrachten Uitvoering geluid.• € 4 Onderzoeksopdrachten lucht.

21

Duurzaamheid (€43.082)

€39.007 (91%)

€4.075 (9%)

• €1.251 Uitvoering duurzaamheidsinstrumentarium.• €2.144 Uitvoering duurzame productketens.• €366 uitvoering industriële emissies.• €314 Uitvoering Natuurlijk Kapitaal.

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico’s (€40.710)

€30.913 (76%)

€9.797 (24%)

• €1.189 Uitvoering veiligheid chemische stoffen en asbest.• €502 Uitvoering veiligheid inrichtingen en bedrijven.• €2.501 Uitvoering veiligheid bedrijven en transport.• €4.847 Uitvoering Omgevingsveiligheid.• €758 diverse subsidies en bijdragen.

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

€59.046 (100%)

€0 (0%)

24

Handhaving en toezicht

€129.642 (100%)

€0 (0%)

25

Brede doeluitreiking

€932.532 (100%)

€0 (0%)

26

Bijdrage investeringsfondsen

€14.366.592 (100%)

€0 (0%)

Totaal aan niet verplichte uitgaven

€ 74.656

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlich-tingen opgenomen.

Tabel 4 Planning beleidsdoorlichtingen
  

(realisatie)

 

(planning)

     

Art.

Naam artikel

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Geheel artikel?

11

Integraal waterbeleid

  

V

    

Ja

13

Bodem en Ondergrond

 

V

     

Ja

14

Wegen en verkeersveiligheid

    

V

  

Ja

16

Spoor

     

V

 

Ja

17

Luchtvaart

    

V

  

Ja

18

Scheepvaart en Havens

   

V

   

Ja

19

Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

     

V

 

Ja

20

Lucht

V

     

V

Nee

20

Geluid

   

V

   

Nee

21

Duurzaamheid

 

V

     

Ja

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico’s

     

V

 

Ja

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

V

     

V

Ja

24

Handhaving en toezicht

V

     

V

Ja

Artikel 20 omvat twee afzonderlijke beleidsterreinen. Doorlichtingen worden gepland voor zowel Lucht als Geluid, tenzij de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanleiding is om te besluiten tot een doorlichting over meerdere beleidsterreinen.

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen.

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link: status beleidsdoorlichtingen. Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering en inzicht in de Strategische Evaluatie Agenda, zie bijlage 5 Overzicht evaluaties- en overig onderzoek.

2.5 Overzicht risicoregelingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Bij het Ministerie van IenW is momenteel sprake van de garantieregeling Borgstellingskrediet Bodemsanering midden- en kleinbedrijf (MKB), waarvan de lopende regelingen worden beheerd tot einde looptijd (2027).

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen. Overeenkomstig de aankondiging in de Begroting 2016 heeft er in 2016 een evaluatie plaatsgevonden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling bijzondere financiering Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. De conclusie van de evaluatie, uitgevoerd door Ernst & Young (EY), is dat hoewel de regeling bodemsaneringsborgstellingskrediet complementair is aan andere regelingen op het gebied van bodemsaneringen, de relevantie van de regeling gering is. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2021 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 329.000.

Tabel 5 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2019

Geraamd te verlenen 2020

Geraamd te vervallen 2020

Uitstaande garanties 2020

Geraamd te verlenen 2021

Geraamd te vervallen 2021

Uitstaande Garanties 2021

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

MKB Krediet

329

0

0

329

0

0

329

0

0

 

Totaal

329

0

0

329

0

0

329

0

0

Tabel 6 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Uitgaven 2020

Ontvangsten 2020

Stand risicovoorziening 2020

Saldo 2020

Uitgaven 2021

Ontvangsten 2021

Stand risicovoorziening 2021

Saldo 2021

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, waterkwantiteit en internationaal:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn conform herziene basiskustlijn 2018 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid), het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (beiden waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

  • Internationaal. Kennisuitwisseling met buitenlandse partijen op het gebied van waterveiligheid, waterzekerheid en ‘governance’ ter bevordering van de Nederlandse positie en verdienvermogen in het buitenland. Het betreft bilaterale en multilaterale samenwerking en richt zich vooral op klimaatadaptatie en water. De samenwerking is beschreven in de Nederlandse Internationale Waterambitie (NIWA) en is ondertekend door de Ministeries van IenW, BZ, LNV en EZK. Deze beleidsnotitie is in 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden en is gericht op het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen van de Verenigde Naties per 2030.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie, exportbevordering en internationale samenwerking (m.b.t. de Noordzee).

  • Waterveiligheid. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van waterveiligheidsbeleid gericht op alle primaire waterkeringen in Nederland. Tevens het zorgdragen voor de waterveiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk.

    Het zorgen voor wettelijke kaders en instrumentarium voor het beoordelen en ontwerpen van primaire waterkeringen. Ontwikkelen van kaders voor het toetsen op veiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–20214.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 710, nr. 35) en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–2021. Hierbij worden maatregelpakketten geregisseerd voor waterbeschikbaarheid op de korte en lange termijn in het Deltaprogramma Zoetwater. Het betreft maatregelen voor het robuuster maken van het watersysteem (nationaal en regionaal) en om de gevolgen van langdurige droogte en lage rivierafvoeren ten gevolge van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en de Richtlijn voor Maritieme Ruimtelijke Planning (MSP). De coördinerende verantwoordelijkheid voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Richtlijn voor Maritieme Ruimtelijke Planning (MSP) ligt bij de Minister van IenW, tezamen met de Ministers van LNV, EZK en BZK voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot hun verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Conform de Waterschapswet stelt de Minister de vergoeding vast die de waterschappen verschuldigd zijn voor het organiseren van de waterschapsverkiezingen door de gemeenten. De vergoedingen worden jaarlijks rechtstreeks door BZK ontvangen en in het Gemeentefonds opgenomen.

Indicatoren en Kengetallen

Hoogwaterbescherming

Hieronder is de beleidsmatige indicator voor hoogwaterbescherming opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Doel van het waterveiligheidsbeleid is:

  • Iedereen in Nederland die achter een dijk woont, krijgt ten minste een basis beschermingsniveau van 1/100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat de kans voor een individu om te overlijden als gevolg een overstroming niet groter mag zijn dan 0,001% per jaar.

  • Daarnaast wordt extra bescherming geboden op plaatsen waar kans is op:

    • grote groepen slachtoffers;

    • en/of grote economische schade;

    • en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang.

Als basis voor het bereiken van de doelen van het waterveiligheidsbeleid geldt sinds 1 januari 2017 een nieuwe normering voor de primaire waterkeringen. In 2050 moeten al deze keringen aan de wettelijke normen voldoen.

Figuur 4 Basisbeschermingsniveau nog niet gehaald

Indicator 1: ontwikkeling in het halen van het basisbeschermingsniveau t.o.v de referentiesituatie. Bron: RWS

Figuur 5 Hoogte economisch risico

Indicator 2: ontwikkeling in het afnemen van het economisch risico t.o.v. de referentiesituatie. Bron: RWS

Toelichting

Het waterveiligheidsbeleid is er op gericht om het risico van overstromingen naar het aanvaard risiconiveau te krijgen in 2050. Dit betekent een basisbeschermingsniveau voor iedereen en een economisch risico waarbij de kosten en baten tegen elkaar opwegen. Daarvoor zijn in 2017 nieuwe normen in de wet vastgelegd waaraan alle primaire keringen in 2050 moeten voldoen. In de periode tot aan 2050 worden primaire keringen die niet aan die nieuwe normen voldoen versterkt via het HWBP.

De keringen voldoen nog niet allemaal aan die nieuwe norm. Er is berekend hoe groot het economische risico is en hoeveel mensen wonen in een gebied waar het basisbeschermingsniveau nog niet wordt gehaald op het moment dat het nieuwe beleid (2014) is vastgelegd. Dit wordt de referentiesituatie genoemd en de waarden zijn op 100% gesteld. Ten opzichte van deze referentie wordt de ontwikkeling van het overstromingsrisico in de tijd afgezet. Doordat keringen versterkt gaan worden, zal het aantal mensen waarvoor het basisbeschermingsniveau nog niet is gehaald en het economisch risico de komende 30 jaar afnemen tot het niveau dat volgens het beleid in 2050 bereikt moet zijn.

Het (actuele) risico in 2020 is gebaseerd op de gerealiseerde versterking t/m 2019 in het HWBP; tot 2019 is ca. 12 km dijk versterkt. De afname van het risico tot 2025 is gebaseerd op de realisatieprognose van dijkversterkingen t/m 2024, zoals is opgenomen in het HWBP. Aangezien er tot 2020 nog maar weinig keringen in het HWBP zijn versterkt, is het economisch risico minder dan een 1% afgenomen t.o.v. de referentiesituatie. Op basis van de verwachte realisatie van versterkingen t/m 2024 zal het economische dan met ca. 30% t.o.v. de referentiesituatie zijn afgenomen.

In 2050 moeten alle keringen aan de nieuwe normen voldoen. Dan moet overal aan het basisbeschermingsniveau zijn voldaan en is het economisch risico afgenomen tot het aanvaard economisch risiconiveau. In de indicator wordt daarom ook het jaar 2050 geprojecteerd.

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems, en van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden is afhankelijk van de maatregelen die verschillende overheden in binnen- en buitenland treffen. Zowel in Nederland als in de omringende landen werkt men daaraan volgens de systematiek van de Kaderrichtlijn Water, in een cyclus van zes jaar. Daardoor is een volledige beschrijving van de toestand ook alleen om de zes jaar mogelijk, wat niet aansluit bij de jaarlijkse begrotingscyclus van de Tweede Kamer. In de motie Schonis26 heeft de Kamer verzocht om indicatoren te testen waarmee een beter beeld van de voortgang van onder meer waterkwaliteit kan worden gegeven (Kamerstukken II, 2019-2020, 35 300 XII, nr. 11). Zie hiervoor de indicatoren die een beeld geven van de maatregelen die in Nederland worden genomen in de jaarlijkse rapportage «De Staat van Ons Water» (Kamerstukken 2018-2019, 27625 nr. 470).

Integraal waterbeleid

In De Staat van Ons Water wordt vanaf 2016 jaarlijks integraal door de partners van het Bestuursakkoord Water (BAW) gerapporteerd over de voortgang van de uitvoering van het waterbeleid in het voorgaande jaar. De Stuurgroep Water heeft in december 2018 besloten dat vanaf 2019 De Staat van Ons Water uitsluitend zal worden gericht op de Tweede Kamer als doelgroep. Meer uitgebreide informatie over De Staat van Ons Water is te vinden op Communicatie naar de burger zal plaatsvinden via de website www.onswater.nl en www.noordzeeloket.nl.

Medio 2020 is tussen het kabinet en maatschappelijke organisaties het Noordzeeakkoord gesloten. Het kabinet stelt voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord een transitiebedrag van € 200 miljoen euro tot en met 2030 beschikbaar. Dit bedrag is inclusief € 45 miljoen vanuit het aanstaande Europese Maritieme, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMVAF). Dit budget is bedoeld voor sanering en verduurzaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor de veilige doorvaart binnen de aan te leggen windparken en voor extra handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op de begroting van artikel 11 worden meerjarig uitgaven begroot voor monitoring, onderzoek en natuurherstel binnen het Noordzeeakkoord (€ 24 miljoen). Daarnaast staan de middelen voor opdrachtverlening voor een veilig doorvaart binnen windparken eveneens op de begroting van artikel 11 (meerjarig € 12 miljoen). De middelen voor een veilige doorvaart binnen windparken zullen in 2021 worden overgeheveld voor de uitvoering van deze opdrachtverlening.

De overige uitgaven van het Noordzeeakkoord worden begroot en verantwoord op andere departementale begrotingen. Door middel van een extracomptabele tabel op de begroting van IenW als coördinerend departement worden de totaal uitgaven voor het Noordzeeakkoord inzichtelijk gemaakt. Dit totaaloverzicht is te vinden in de extracomptabele tabel 13.

Tabel 7 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

41.220

36.534

43.517

50.991

46.557

46.612

44.858

        

Uitgaven

48.421

59.731

62.065

51.114

46.552

46.607

44.823

Waarvan juridisch verplicht

  

89%

    
        

1 Algemeen waterbeleid

37.546

46.803

40.382

30.252

29.689

29.514

31.886

Opdrachten

3.648

5.444

5.787

6.634

6.071

5.896

8.268

- Intensivering Ruimtelijke Adaptatie

56

378

0

0

0

0

0

- Overige Opdrachten

3.592

5.066

5.787

6.634

6.071

5.896

8.268

Subsidies

14.329

19.255

15.133

8.867

8.867

8.867

8.867

- Incidentele subsidie WKB

1.567

1.287

66

0

0

0

0

- Blue Deal (HGIS)

1.200

2.900

1.400

0

0

0

0

- Partners voor Water (HGIS)

11.476

13.706

13.602

8.802

8.802

8.802

8.802

- Subsidie Regiecollege Waddengebied

67

65

65

65

65

65

65

- Overige Subsidies

19

1.297

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

15.978

15.102

14.751

14.751

14.751

14.751

14.751

- Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

1.271

612

386

385

385

385

385

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

14.707

14.490

14.365

14.366

14.366

14.366

14.366

Bijdrage aan medeoverheden

3.591

7.002

4.711

0

0

0

0

        

2 Waterveiligheid

3.019

3.236

3.348

3.468

3.499

3.499

3.499

Opdrachten

3.019

3.236

3.348

3.468

3.499

3.499

3.499

        

3 Grote oppervlaktewateren

1.211

1.749

1.665

1.565

1.565

1.565

1.565

Opdrachten

1.211

1.749

1.665

1.565

1.565

1.565

1.565

        

4 Waterkwaliteit

6.645

7.943

16.670

15.829

11.799

12.029

7.873

Opdrachten

3.659

5.428

14.525

14.139

10.109

10.339

6.183

- Noordzeeakkoord

0

0

9.962

9.456

5.426

5.656

1.500

- Overige Opdrachten

3.659

5.428

4.563

4.683

4.683

4.683

4.683

Subsidies

400

400

400

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

500

500

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

2.086

1.615

1.745

1.690

1.690

1.690

1.690

        

Ontvangsten

12.050

448

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen
Tabel 8 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in waterveiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in waterveiligheid

354.297

397.260

484.488

420.581

502.605

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in waterveiligheid

164.879

154.499

152.905

150.767

142.522

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in waterveiligheid

519.176

551.759

637.393

571.348

645.127

waarvan

      

01.01

Grote projecten waterveiligheid

123.174

97.422

96.424

955

11.726

01.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

384.217

446.097

529.774

561.797

625.112

01.03

Studiekosten

11.785

8.240

11.195

8.596

8.289

       
Tabel 9 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

19.302

28.074

13.058

6.353

5.903

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

     

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

19.302

28.074

13.058

6.353

5.903

waarvan

      

02.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

15.202

24.876

9.878

934

934

02.03

Studiekosten

4.100

3.198

3.180

5.419

4.969

       
Tabel 10 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging

154.524

145.728

167.997

195.101

253.233

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging

     

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging

154.524

145.728

167.997

195.101

253.233

waarvan

      

03.01

Watermanagement

7.458

7.458

7.458

7.484

7.484

03.02

Beheer onderhoud en vervanging

147.066

138.270

160.539

187.617

245.749

       
Tabel 11 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

42.699

42.564

227.913

60.886

58.730

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

     

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

42.699

42.564

227.913

60.886

58.730

waarvan

      

04.02

GIV/PPS

42.699

42.564

227.913

60.886

58.730

       
Tabel 12 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

130.744

132.296

96.752

154.505

116.676

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

57

    

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

130.801

132.296

96.752

154.505

116.676

waarvan

      

07.01

Real. progr. Kaderrichtlijn water

93.295

88.647

46.342

55.191

85.144

07.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

18.282

24.199

31.310

74.314

29.532

07.03

Studiekosten waterkwaliteit

19.224

19.450

19.100

25.000

2.000

       
Tabel 13 Extracomptabel overzicht Rijksbijdrage Noordzeeakkoord (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Visserij: sanering, LNV (€ 74 miljoen)

75

175

36.800

36.800

150

0

0

0

0

0

0

Visserij: innovatie LNV (€ 10 miljoen excl. bijdrage uit EMVAF)1

0

0

5.000

5.000

0

0

0

0

0

0

0

Onderzoek, monitoring en natuurherstel, IenW (€ 24 miljoen excl. bijdrage uit EMVAF)

0

3.500

5.000

5.000

5.000

1.500

1.500

1.000

500

500

500

Onderzoek, monitoring en natuurherstel: WOZEP vanaf 2023, EZK (€ 21 miljoen)

0

0

0

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Versterking toezicht NVWA, LNV (€ 14 miljoen)

0

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

Veilige doorvaart windparken (€ 12 miljoen)

0

6.462

4.456

426

656

0

0

0

0

0

0

Totaal: € 155 miljoen t/m 2030 (excl. bijdrage uit EMVAF)

75

7.862

52.656

51.626

10.206

5.900

5.900

5.400

4.900

4.900

4.900

1

bijdrage uit EMVAF (€ 45 miljoen): € 35 miljoen voor innovatie visserij en € 10 miljoen voor onderzoek en monitoring naar effecten van gebruik op natuur.

Budgetflexibiliteit

11.01 Algemeen Waterbeleid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2020 zijn aangegaan, waaronder de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet en voor het programma gericht op acceleratie en implementatie van waterprojecten van de 2030 agenda, waarbij de Nederlandse inzet wordt gecompleteerd door de High Level Panel on Water (HLPW) coalitie van 11 landen, de Wereldbank en de Verenigde Naties. Daarnaast heeft het vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW). De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdragen aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter. Het subsidiebudget is juridisch verplicht. Dit betreft het vervolgprogramma HGIS Partners voor Water 2016-2021, het HGIS-budget voor het internationale samenwerkingsprogramma met de Unie van waterschappen onder de titel ‘Blue deal’ en de subsidie voor het Regiecollege Waddengebied (RCW).

11.02 Waterveiligheid

Het opdrachtenbudget is grotendeels juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2020 zijn aangegaan en de uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet, zoals onder andere werken met de nieuwe normering, regie op de kennisontwikkeling waterveiligheid, werkzaamheden ten behoeve van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (onderzoek naar maatregelen voor Rijn, IJssel en Maas), de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en advisering over waterkeringen en de kust.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten zijn deels juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2020, waaronder de gebiedsagenda Wadden 2050, Eems-Dollard 2050 en pilot Waddenslib.

11.04 Waterkwaliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van diverse verplichtingen die tot en met 2020 zijn aangegaan, waaronder CBS-waterstatistieken, Emissieregistratie water, de Europese programma’s Interreg Northsea Region en Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), modelinstrumentarium waterkwaliteit, monitoring en rapportage nutrienten, onderzoek schone Noordzee en oceanen, en Blue Economy. De budgetten voor de subsidies, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig verplicht. De subsidie betreft de bijdrage aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC). De bijdragen aan medeoverheden zijn bestemd voor het samenwerkingsprogramma Lumbricus ten behoeve van een klimaat robuuste inrichting van het bodem- en watersysteem. De bijdragen aan internationale organisaties zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de Oslo en Parijs-commissie (OSPAR), die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan: The Intergovernmental Hydrological Programma van de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO IHP), de High Level Panel on Water (HLPW), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), the Economic Commission for Europe van de United Nations (UN/ECE), de Deltacoalitie Water en Diplomatie en aan de Verenigde Naties (VN), die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten voor de uitvoering van een aantal activiteiten. Dat gaat om activiteiten in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Ook heeft het niet-juridisch verplichte deel betrekking op de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de uitvoering van hun werkzaamheden.

11.01 Algemeen waterbeleid

Opdrachten

De Staat van Ons Water

Jaarlijks worden er uitgaven gedaan voor de voortgangsrapportage «De Staat van Ons Water», waarin over de uitvoering van het waterbeleid in het voorafgaande jaar wordt gerapporteerd.

Topsector Water en Maritiem

In het kader van het missiegedreven topsector- en innovatiebeleid ondersteunt en versterkt IenW de Topsector Water en Maritiem (TSWM). De economische kansen van maatschappelijke thema’s en publiek-private samenwerking staan hierbij centraal. Daarbij wordt in samenwerking met onder meer de Ministeries van EZK en LNV gewerkt aan maatschappelijk thema’s, zoals landbouw, water en voedsel. Ook werkt IenW met de TWSM aan een Human Capital Agenda, om te bevorderen dat er voldoende goed opgeleide en gekwalificeerde mensen werken in de watersector.

Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat

In het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK) programmeert en realiseert IenW kennis en innovatie samen met kennisinstellingen, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waterschappen, bedrijfsleven en de Deltacommissaris.

In 2021 worden uitgaven gedaan voor watereducatie om het waterbewustzijn bij jongeren te stimuleren. Dit gebeurt in samenwerking met de Unie van Waterschappen en onderwijspartijen.

Helpdesk Water

Van de Helpdesk Water, onderdeel van RWS, wordt jaarlijks een bijdrage geleverd. In 2020 zijn voorbereidingen getroffen om de Helpdesk Water te integreren in het Informatiepunt Omgevingswet. Afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Helpdesk Water niet meer worden bijgehouden. De actuele informatie is dan te vinden via de website van het Informatiepunt Omgevingswet.

Voor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen.

Samen met de Unie van Waterschappen wordt onderzoek verricht naar aanpassingen en moderniseringen van de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing en de watersysteemheffing. 

Klimaatadaptatie

Verder worden middelen ingezet voor het programma Klimaatadaptatie voor het bevorderen van een transitie naar meer klimaatbestendig handelen door personen en organisaties. Daartoe zijn uitgaven voorzien voor de implementatie van de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). De middelen voor de uitvoering van de NAS op dit artikel en die voor het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie op het Deltafonds zijn complementair aan elkaar. IenW heeft de coördinatie over het Nederlandse klimaatadaptatiebeleid, maar doet dit in nauwe samenwerking met de andere betrokken departementen, decentrale overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en marktpartijen.

Aanvullend op het stimuleringsprogramma Ruimtelijke Adaptatie is in totaal € 20 miljoen (2019 ‒ 2021) gereserveerd om decentrale overheden te ondersteunen bij onder andere de uitvoering van stresstesten en risicodialogen, en het uitvoeren van pilots.

Via het multilaterale spoor is Nederland actief betrokken in het organiseren van twee VN-conferenties (in 2021 en 2023) gericht op het aanjagen van de uitvoeringsagenda voor waterveiligheid en waterzekerheid in de wereld. IenW werkt nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en UN-WATER aan de voorbereiding. In 2021 worden de werkzaamheden door de Watergezant voortgezet om zichtbaarheid van Nederland te stimuleren en samenwerking te stimuleren. De beschikbare HGIS-middelen worden ingezet om werkzaamheden te ondersteunen en in een aantal activiteiten te voorzien, waaronder Water as Leverage 2.0. Verder wordt in 2021 vanuit Nederland bijgedragen aan het vergroten van klimaatweerbaarheid in de wereld via het Global Centre on Adaptation (GCA) gericht op versnellen, opschalen en oplossingen voor de financiering. Hiervoor wordt onder andere in 2021 het secretariaat van de Deltacoalitie gesteund.

Subsidies

Partners voor Water

Ook in 2021 wordt uitvoering gegeven aan de in 2016 gestarte subsidieregeling van het programma Partners voor Water (PvW) 2016–2021. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Nederlandse Internationale Water Ambitie (NIWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de vier Ministeries BZ, EZK, LNV en IenW samenwerken. Voor de uitvoering van het programma PvW 2016–2021 is mandaat verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met zeven Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en een deel voor samenwerking met kansrijke nieuwe landen en Holland promotie. In 2020 is aanvullend HGIS-budget van € 5 miljoen beschikbaar gesteld voor de eindfase (2020 t/m 2022) van het programma, waarin met 15 partnerlanden invulling wordt gegeven aan de Memoranda of Understanding die in lijn zijn gebracht met de NIWA.

Blue Deal

In 2018 is de subsidieregeling van start gegaan van de Blue Deal (2018-2021). Het betreft een internationaal programma van 21 waterschappen die worden aangestuurd door de Unie van Waterschappen. De Ministeries van Buitenlandse Zaken en IenW zijn gezamenlijk subsidieverstrekker. De eerste subsidiefase loopt tot en met 2021. De Blue Deal is een programma tot en met 2030 met één duidelijk doel: 20 miljoen mensen in 40 stroomgebieden wereldwijd helpen aan schoon, voldoende en veilig water. De focus ligt op het bieden van hulp, maar ook op het creëren van kansen voor het bedrijfsleven en leren van andere landen om het eigen werk in Nederland te blijven verbeteren.

WAVE2020

In 2019 is een subsidie van € 100.000 toegekend aan het Instituut Fysieke Veiligheid voor het ontwikkelen van het programma 'watercrises beheersen in een veiligheidsregio (WAVE2020)'. Doel is het ontwikkelen van (boven)regionale strategieën met handelingsperspectieven en het ontwikkelen van een landelijk plan voor de beheersing van watercrises. Dit programma is in 2020 afgerond. Implementatie wordt naar verwachting in 2021 uitgevoerd.

Er wordt een jaarlijkse bijdrage van € 65.000 verstrekt aan de provincie Friesland ten behoeve van het Regiecollege Waddengebied (RCW). Het RCW is een strategisch overleg- en afstemmingsorgaan waarin Rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, bedrijfsleven, natuurorganisaties en de wetenschap zijn vertegenwoordigd. Het RCW draagt bij aan de doelstelling van het Rijk om te komen tot integraal beleid voor het Waddengebied. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

In zowel 2020 als in 2021 wordt een subsidie van € 49.000,- verstrekt aan de Unie van Waterschappen voor de onderzoeken naar een mogelijke herziening van het belastingstelsel waterschappen.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op kennisontwikkeling ten behoeve van windklimaat en afvoerstatistiek rivieren en voor klimaatadaptatie.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden heeft met name betrekking op het project Restopgave Vooroeverbestortingen aan het Waterschap Scheldestromen. Een bedrag van € 10,6 miljoen wordt betaald in de jaren 2019-2021 voor de aanpak van tien locaties waar de vooroevers nog moeten worden versterk voor respectievelijk € 3,6 miljoen in 2019, € 4,0 miljoen in 2020 en € 3,0 miljoen in 2021.

Daarnaast zijn in 2020 zijn vijf projecten geselecteerd voor de tweede tranche uitvoeringspilots in het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. In totaal wordt € 4,7 miljoen beschikbaar gesteld aan de betreffende gemeenten en provincie door middel van een specifieke uitkering, waarvan € 1,8 miljoen in 2021 wordt betaald.

11.02 Waterveiligheid

Opdrachten

Conform de verplichtingen van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) zal in 2021 het in 2020 in ontwerp vastgestelde Overstromingsrisicobeheerplan, in de inspraak komen en eventueel gewijzigd vastgesteld worden. De bedoeling is dat dit gebeurt als onderdeel van het Nationale Water Programma en in afstemming met de internationale delen van de plannen voor de vier stroomgebieden, alsmede in afstemming met de stroomgebiedsbeheerplannen (Kaderrichtlijn Water). Daarmee eindigt de tweede zesjaarlijkse cyclus van de ROR.

In 2021 wordt verder gewerkt aan het beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling worden diverse opdrachten verstrekt ter ondersteuning van de waterkeringbeheerders. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en vast te leggen.

Ook worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling ten aanzien van de kust, onder andere over (de gevolgen van) zeespiegelstijging en de kustontwikkeling. Hierbij wordt samenwerking gezocht binnen het kader van Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Voor verdere kennis- en modelontwikkeling met betrekking tot rivieren worden in 2021 opdrachten verstrekt. Dit zijn onder andere opdrachten over lange termijn morfologische ontwikkeling van de rivieren onder invloed van onder andere klimaatverandering. Hierbij wordt samenwerking gezocht binnen het kader van het NKWK. Daarnaast wordt kennisontwikkeling ondersteund die betrekking heeft op de voorbereiding van de maatregelpakketten en de bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied voor zowel de Rijn, de IJssel als ook de Maas.

11.03 Grote oppervlaktewateren

Opdrachten

In 2021 wordt invulling gegeven aan de toekomstvisies 2050 voor het Waddengebied en voor de Eems-Dollard, alsmede aan de pilot Waddenslib. De beheerautoriteit Wadden zal verder invulling geven aan de opstelling van een integraal beheerplan voor de Waddenzee.

Rijk en regio werken sinds 2015 structureel samen aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma. De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld dat is geformuleerd. Hier wordt stapsgewijs naar toegewerkt door adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

De drie landen die grenzen aan de Waddenzee, Nederland, Duitsland en Denemarken, vormen samen de Trilaterale samenwerkingslanden. Ze overleggen regelmatig over het vormen of aanpassen van het beschermingsbeleid van werelderfgoed Waddenzee.

In 2021 wordt samen met regio en stakeholders het ontwikkelperspectief van de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta nader uitgewerkt. Voor het Volkerak-Zoommeer wordt het onderzoek naar de ontwikkeling van de ecologische waterkwaliteit en de zoetwaterfunctie van dat meer gecontinueerd. Voor de Oosterschelde wordt optimalisatieonderzoek uitgevoerd voor een duurzame balans tussen de functies van de Oosterschelde op het gebied van waterveiligheid, economie, ecologie en landschap. Samen met het Vlaams Gewest wordt voor de uitvoering van de Scheldeverdragen samen met de stakeholders verder gewerkt aan het (onderzoeks)programma 2019-2023 van de roadmap van de Agenda voor de Toekomst voor het Schelde-estuarium.

11.04 Waterkwaliteit

Opdrachten

Kaderrichtlijn Water

Het doel is chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik. De maatregelen die voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) genomen worden, dienen uiterlijk in 2027 uitgevoerd te zijn. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden ieder 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en ook in 2021 in uitvoering. De derde stroomgebiedbeheerplannen voor de periode 2022–2027 zijn eind 2020 als ontwerp vastgesteld zodat deze vanaf 2021 verder zullen worden ingevuld. De uitvoering van de KRW-maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2021 wordt verder invulling gegeven aan de verdere ontwikkeling van indicatoren en parameters om milieutoestand te kunnen monitoren en de goede milieutoestand te bepalen: ter uitwerking van de geactualiseerde Mariene Strategie deel 1 en 2 uit respectievelijk 2018 en 2020. In 2021 zal het programma van maatregelen (Mariene Strategie deel 3) worden geactualiseerd. De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Interreg Community Initiative (INTERREG). Samen met het Ministerie van LNV wordt een partnerschapscontract met de Europese Commissie opgesteld over het nieuwe Europese Maritieme, Visserij en Aquacultuur Fonds 2021-2027 (EMVAF, opvolger van EFMZV). De actualisatie van alle 3 delen van de Mariene Strategie zullen onderdeel uitmaken van het op te stellen Programma Noordzee 2022-2027.

De opdrachtverlening heeft betrekking op de KRW, Delta-Aanpak Waterkwaliteit, glastuinbouw, emissieregistratie en op Noordzee- en Internationaal waterbeleid.

Noordzeeakkoord

Medio 2020 is tussen het kabinet en maatschappelijke organisaties het Noordzeeakkoord gesloten. Het kabinet stelt voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord een transitiebedrag van € 200 miljoen euro tot en met 2030 beschikbaar. Dit bedrag is inclusief € 45 miljoen vanuit het aanstaande Europese Maritieme, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMVAF). Dit budget is bedoeld voor sanering en verduurzaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor de veilige doorvaart binnen de aan te leggen windparken en voor extra handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op de begroting van artikel 11 worden meerjarig uitgaven begroot voor monitoring, onderzoek en natuurherstel binnen het Noordzeeakkoord (€ 24 miljoen). Daarnaast staan de middelen voor opdrachtverlening voor een veilig doorvaart binnen windparken eveneens op de begroting van artikel 11 (meerjarig € 12 miljoen). De middelen voor een veilige doorvaart binnen windparken zullen in 2021 worden overgeheveld voor de uitvoering van deze opdrachtverlening.

De overige uitgaven van het Noordzeeakkoord worden begroot en verantwoord op andere departementale begrotingen. Door middel van een extracomptabele tabel op de begroting van IenW als coördinerend departement worden de totaal uitgaven voor het Noordzeeakkoord inzichtelijk gemaakt. Dit totaaloverzicht is te vinden in de extracomptabele tabel 13.

Subsidies

IenW verstrekt in 2021 subsidie aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) en geeft daarmee invulling aan de ambitie die is vastgelegd in de overeenkomst tussen IHE Delft Insitute of Water Education en het Koninkrijk der Nederlanden. Medio 2016 hebben IHE en het Koninkrijk der Nederlanden een samenwerkingsovereenkomst opgesteld voor de jaren 2016–2022, die beantwoordt aan de toenemende grondwaterproblematiek in de wereld, met name het stedelijk gebied. Het United Nations-karakter van de taken van IGRAC bepaalt dat IGRAC (een UNESCO-categorie 2 instelling) alleen kan werken op basis van overheidsfinanciering.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden heeft betrekking op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma Lumbricus door Waterschap Vechtstromen met regionale partijen. Het samenwerkingsprogramma is gericht op het geïntegreerd toepassen van innovatieve maatregelen op het gebied van bodem en water ten behoeve van een klimaatbestendige inrichting van het bodem- en watersysteem van beekdalen. In dit programma komen doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, bodembeheer, klimaatadaptatie en waterveiligheid samen.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Nederland participeert in verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, de Maas en de Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming en wordt de contributie voor deze commissies jaarlijks vastgesteld.

Tevens doet Nederland jaarlijks een contributie voor de uitvoering van het Oslo-Parijs (OSPAR)-verdrag, waarmee wordt ingezet op internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, mede in relatie tot uitvoering van de KRM.

Memoranda of Understanding

Ook in 2021 blijft Nederland werken aan het internationale profiel van Nederland als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Nederlandse Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van memoranda of Understanding (MOU) met twee internationale UNESCO-watercentra, namelijk ondersteuning capacity building door IHE-Delft en grondwater monitoring en assessment door IGRAC te Delft. Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). In een van de subdoelen van de SDG’s die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. In 2020 is de implementatiefase gestart. Daarvoor wordt met internationale organisaties en platforms samengewerkt op het gebied van governance en financiering. De financiering en de wijze van besturen met toezicht hierop, worden afgestemd om de implementatie van de SDG's te kunnen realiseren.

Valuing Water Initiatief

In 2020 is het Valuing Water Initiatief gestart om de aanbevelingen van het High Level Panel on Water in praktijk te brengen en via de multilaterale conferenties in 2021 en 2023 een podium te bieden. Zo worden ook bijdragen geleverd aan onder andere de Deltacoalitie Water en Diplomatie en aan de Verenigde Naties (VN), The Intergovernmental Hydrological Programma van de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO IHP), de High Level Panel on Water (HLPW), aan de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) voor grensoverschrijdend waterbeheer, Wereldbank, Water Global Practice WGP, aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake waterbeheer en aan Habitat for Humanity voor schoon drinkwater (HABITAT).

26

Kamerstukken II, 2019-2020, 35 300 XII, nr. 11

3.2 Artikel 13 Bodem en Ondergrond

Een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. Het doel is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van wet- en regelgeving omtrent beheer en gebruik van bodem, ondergrond en water en stimuleert anderzijds de investeringen en de bescherming daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenW een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

Voor het onderdeel Bodem en Ondergrond is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond (het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015).

Het Rijk bevordert de investeringen in de kwaliteit van bodem en ondergrond door middel van:

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • De uitvoeringsprogramma’s van de bestuurlijke afspraken 2021 ‒ 2025.

  • Het efficiënt beschermen van drinkwaterbronnen door het landelijk faciliteren/stimuleren van de totstandkoming van gebiedsdossiers.

  • Het aanpassen van de Wet VROM BES en de Wet Fin BES met als doel het mogelijk maken van het invoeren van een afvalwaterheffing en de verkoop van gezuiverd afvalwater voor irrigatie en zo de exploitatiekosten van het afvalwaterbeheer in het kader van de afvalwatervoorziening op Bonaire (Caribisch Nederland) te dekken.

Regisseren

De Minister van IenW heeft bij het onderwerp Bodem en Ondergrond een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De Minister van IenW is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • Het ondersteunen van de decentrale overheden bij het uitvoeren van de bodemtaken onder de Omgevingswet.

  • Het proces waarbij de decentrale overheden in staat worden gesteld om uiterlijk in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen.

  • De verdere ontwikkeling van regelgeving en kennis van de bodem en ondergrond. Deze ontwikkeling ondersteunt het beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en faciliteert de toepassing daarvan door de andere overheden. Dit geldt ook voor nieuwe bodembedreigende stoffen, zoals PFAS.

  • De verkenning en uitwerking van een betere aansluiting van de stoffenregelgeving bodem met de andere milieudomeinen water en lucht.

  • Het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Het beleid (beleidsnota drinkwater), de regelgeving (drinkwaterwet) en het uitoefenen van toezicht/handhaving (via de ILT) op de levering van deugdelijk drinkwater,

  • De zorg – samen met andere bestuursorganen – voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (zorgplicht)

  • De drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland, middels het wijzigen van de Wet elektriciteit en drinkwater BES (reparatie capaciteitstarief) om zo de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen. Door het insulaire karakter, de geringe bevolkingsomvang en het ontbreken van grote zoetwatervoorraden zal de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland nooit kostendekkend zijn. Het Ministerie van IenW stelt daarom een subsidie op de transportkosten voor drinkwater beschikbaar.

Indicatoren en Kengetallen

Voor de periode vanaf 2021 moeten nog afspraken worden gemaakt. In de bestuurlijke afspraken voor 2021 ‒ 2025 verschuift de focus naar de afronding van de aanpak bodemverontreiniging en de aanpak van nieuwe bodem bedreigende stoffen. De budgetten voor de afspraken over Bodem en Ondergrond worden verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds. Gedurende de looptijd van de afsprakenperiode wordt gerapporteerd over de bereikte resultaten.

Op dit artikel hebben geen beleidswijzigingen plaatsgevonden met een effect op de begroting 2021.

Tabel 14 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

25.560

20.523

132.326

119.608

134.012

138.156

134.279

        

Uitgaven

34.025

33.883

142.656

138.184

138.412

138.156

134.279

Waarvan juridisch verplicht

  

99%

    
        

4 Ruimtegebruik bodem

30.608

30.738

140.696

136.378

138.411

138.155

134.278

Opdrachten

10.804

16.005

13.710

14.972

5.400

5.400

5.400

- Overige Opdrachten

0

0

0

0

0

0

0

- Bodem en STRONG

6.360

10.150

11.132

12.362

2.815

2.815

2.815

- RWS Leefomgeving

4.444

5.855

2.610

2.610

2.585

2.585

2.585

Subsidies

15.769

10.362

23.194

19.602

22.830

16.374

12.497

- Bedrijvenregeling

9.428

4.401

13.656

14.991

18.219

12.213

10.000

- Subsidie Caribisch Nederland

6.341

5.961

9.538

4.611

4.611

4.161

2.497

Bijdrage aan agentschappen

3.795

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

3.795

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

3.736

Bijdrage aan medeoverheden

240

635

100.056

98.068

106.445

112.645

112.645

- Caribisch Nederland

240

144

0

0

0

0

0

- Meerjarenprogr Bodem

0

491

100.056

98.068

106.445

112.645

112.645

        

5 Eenvoudig Beter

3.417

3.145

1.960

1.806

1

1

1

Opdrachten

1.057

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

2.360

3.145

1.960

1.806

1

1

1

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.360

3.145

1.960

1.806

1

1

1

        

Ontvangsten

3.202

1.500

2.000

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht voor de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies en de agentschapsbijdrage aan RWS voor Water, Verkeer en Leefomgeving (WVL) en de bijdragen aan drink- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland zijn juridisch verplicht.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op gelden conform de bestuurlijke afspraken.

4 Ruimtegebruik bodem

Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van: Bodem, Drinkwater en Waterketen, BES-eilanden, Commissie van deskundigen Drinkwaterbesluit, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), sanering van het Stormpolderdijk terrein te Krimpen aan den IJssel, Bodemenergie, Milieueffectrapportage en NEN-regelgeving (drinkwater, bodem, zwemwater).

Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Caribisch Nederland

Dit betreft subsidiebijdragen ten behoeve van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de drinkwater- en afvalwatervoorzieningen in Caribisch Nederland. Een goede drinkwatervoorziening is van groot belang voor de volksgezondheid, het welzijn en de welvaart van Caribisch Nederland. Vanwege de geringe bevolkingsomvang, het ontbreken van grote zoetwatervoorraden en het insulaire karakter is de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland niet kostendekkend. De Minister van IenW stelt daarom jaarlijks een subsidie beschikbaar om kosten te dekken zodat de toegankelijkheid tot betrouwbaar en betaalbaar drink- en afvalwater in Caribisch Nederland wordt gegarandeerd. Vanwege Corona worden er in 2020 en 2021 extra middelen ter beschikking gesteld voor het verlagen van de drinkwatertarieven. Dit ter financiële ondersteuning van de inwoners van de eilanden.

Bijdrage aan agentschappen

Aan de Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond van RWS/WVL worden bijdragen verstrekt voor het verrichten van en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond en voor de ondersteuning van de uitvoering van de bodemtaken onder de omgevingswet

Bijdrage aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Voor de periode vanaf 2021 worden bestuurlijke afspraken gemaakt met de andere overheden: het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen. De middelen zijn meerjarig gereserveerd voor het doel van de meerjarige aanpak bodem. Tussen het Rijk en de andere overheden zijn in januari 2020 bestuurlijke afspraken vastgelegd in een intentieverklaring voor de verdere meerjarige aanpak. Deze afspraken zullen de basis vormen voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van de te maken afspraken. De afspraken zullen betrekking hebben op de afronding van de aanpak van de historische bodemverontreinigingen (spoedlocaties zoals benoemd in het convenant 2015-2020) en op de aanpak van andere bodemverontreinigingen waarvan de problematiek niet door een lokale overheid alleen gedragen kan worden. Hieronder kunnen bodemverontreinigingen met PFAS vallen. Verder zal ook de gestructureerde kennisopbouw en verspreiding over bodem worden uitgewerkt en uitgevoerd in samenwerking met de andere overheden. Daarnaast heeft het Rijk in het verleden afspraken gemaakt met individuele lokale overheden over de financiering van enkele specifieke bodemsaneringslocaties. De uitvoering van deze afspraken loopt de komende jaren nog door.

5 Eenvoudig Beter

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft een bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de kosten die het agentschap maakt voor de transitie in het kader van de Omgevingswet. 

3.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Het ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo veilig, snel, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet zoals: regelgeving, investeringen, en toezicht. IenW werkt toe naar een modern, schoon en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieu- en klimaatnormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, vervanging, verkeersmanagement en het oplossen van doorstromings- en veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds.

  • Het bevorderen van de veiligheid, bereikbaarheid en het beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement. Via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie van het verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met medeoverheden, het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • De kennis en ervaring die is opgedaan met het programma Beter Benutten breed toe te passen waar het gaat over het verbeteren van de bereikbaarheid in samenwerking met regionale partners en het daaraan koppelen van bijdragen aan slimme en duurzame mobiliteit. In de periodieke BO MIRT gesprekken wordt hierover met de regio’s afspraken gemaakt.

  • De programma-ambitie voor het programma Fiets. Meewerken met de Tour de Force aan de doelstelling van 20% meer fietskilometers in 2027. Deze ambitie is weergegeven in de Nationale Fiets agenda die in 2017 naar de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2016-2017, 34 681, nr. 1).

  • Uitvoering geven aan de afspraken en ambities op gebied van CO2-reductie in de sector mobiliteit na sluiten van het Klimaatakkoord. Uitvoering vindt plaats langs vier lijnen: hernieuwbare energiedragers, elektrisch rijden, verduurzaming van de logistiek en verduurzaming van personenmobiliteit. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd om de CO2-uitstoot in 2030 met 49% ten opzichte van 1990 te beperken. Hierbij zijn investeringen, kennis en kunde van meerdere partijen in de maatschappij nodig, waarbij de Minister een regierol vervult.

  • Met stakeholders en gebruikers ontwikkelen van doelen en een heldere rol van de overheid bij de transitie naar nieuwe, ‘slimme’, vormen van mobiliteit. Waar innovaties kunnen bijdragen aan de beleidsdoelen, wordt onderzocht of eventuele belemmeringen kunnen worden weggenomen en kansen kunnen worden verzilverd.

  • Met betrekking tot slimme mobiliteit invulling geven aan de ambities in het regeerakkoord met betrekking tot het streven naar «Een slim en duurzaam vervoerssysteem waarvan de onderdelen naadloos op elkaar aansluiten». Hierbij ligt de focus op de volgende prioriteiten: infrastructuur die toekomstvast is door bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur rekening te houden met zelfrijdende voertuigen en benodigde systemen in of langs de weg; (wettelijke) ruimte voor een nieuwe generatie voertuigen; het (veilig) gebruik van slimme technologieën en diensten; nieuwe mobiliteitsconcepten & Mobility as a service (MaaS); en het gebruik van data onder goede randvoorwaarden zoals privacy en security. Een voorbeeld van deze randvoorwaarden is het streven om overheidsinformatie over verkeer zoveel mogelijk via open data beschikbaar te stellen voor voertuigen, apps en reisplanners.

  • Voor Intelligente Transport Systemen ligt de focus op digitalisering overheden (dataproductie en gebruik), tweede tranche iVRI’s in het kader van Talking Traffic, Connected Transport Corridors (vraag een aanbod van digitale diensten en uitwisseling organiseren structureren in het logistieke veld), samenwerking overheden in Smart (krachtenbundeling in uiteenlopende thema’s in het kader van stedelijke problematiek en plattelandsproblematiek en landelijk gecoördineerde Minder Hinder Aanpak.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vormgegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen het Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • In het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 wordt samen met de medeoverheden en maatschappelijke organisaties ingezet op een risico gestuurde aanpak. Op basis van een analyse van de belangrijkste risico’s worden op het niveau van het Rijk en regio (provincies, gemeenten, vervoerregio’s en waterschappen) uitvoeringsagenda’s opgesteld met effectieve maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op het gebruik van (nieuwe) data voor de risico gestuurde aanpak en het verbeteren van de data van verkeersongevallen.

  • Het invoeren van vrachtwagenheffing in navolging van omringende landen. De netto-opbrengsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden aan te wenden voor verduurzaming en innovatie van de vervoerssector.

  • Aan de NEa wordt opdracht gegeven voor de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer. De rapportage over de duurzaamheid en de CO2-prestatie vormen onderdeel van de opdracht.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en Toezicht).

Stimuleren

Om invulling te geven aan het klimaatbeleid wordt ingezet op de reductie van de CO2-uitstoot van het wegverkeer. In dat kader stimuleert de Minister van IenW:

  • Schonere, zuinigere en stillere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de reeds in gang gezette transitie naar nul-emissie voertuigen verder voort te zetten, samen met de decentrale overheden en sectorpartijen slimme logistieke concepten te ontwikkelen voor (stedelijke) distributie en de voorlopers in de sector te stimuleren, ook waar het gaat om werkgerelateerd verkeer.

  • Productontwikkeling in de transportsector van klimaattechnologieën en -innovaties die bijdragen aan een lage of zero emissie CO2-uitstoot. Daarvoor is in 2019 de 2e fase van de Demonstratieregeling klimaat technologieën en -innovaties in transport (DKTI) geopend. Doel daarbij is om in de periode van 2017 tot en met 2021 die productontwikkeling in de transportsector te ondersteunen en te versnellen. Deze innovatieregeling zal in 2020 worden geëvalueerd.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en Verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

Met de hoofdwegennet-indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (die jaarlijks in het laatste tertaal verschijnt) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage. In het MIRT projectenboek zal dezelfde kaart opgenomen worden en per MIRT-project de bijdrage aan het oplossen van de file top 50 worden weergegeven.

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01.

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.

Geluid en luchtkwaliteit

Tabel 15 Indicator: Lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld.
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

0

0

0

0

0

n.n.b.

0 knelpunten langs rijkswegen

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.600

8.300

8.300

5.550

5.500

5450

0 knelpunten in 2023

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/18/monitoringsrapportage-nsl-2019

Toelichting

Luchtkwaliteit

Langs het hoofdwegennet was de afgelopen jaren geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. Hierover zal in de jaarverslagen worden gerapporteerd op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar.

Geluid

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2023 betreft de datum voor het opstellen van een saneringsplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Tabel 16 Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

Basiswaarde

      

Realisatie

 
 

2002

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

 

Aantal verkeersdoden

1.066

570

570

621

629

613

678

661

 

Ernstig verkeersgewonden

16.100

18.800

20.700

21.300

21.400

20.800

21.700

n.n.b.

 

Bron: SWOV - Monitor Verkeersveiligheid 2019 (https://www.swov.nl/publicatie/monitor-verkeersveiligheid-2019)

Bron: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/71426ned/table?ts=1588074016201

Het streven van de Minister is nul verkeersslachtoffers. De ambitie wordt daarom niet meer uitgedrukt in streefcijfers van aantal ernstig verkeersgewonden en aantal verkeersdoden. Uiteraard zijn de jaarrapportages van het aantal verkeersdoden en ernstig gewonden de belangrijkste indicatoren die aangeven of het gevoerde beleid effectief is. Deze aantallen zullen dus, net als voorheen, bij de analyse van SWOV jaarlijks aan de Kamer worden aangeboden (Kamerstukken II, 2019-2020, 29 398, nr. 783).

Hernieuwbare energie in het vervoer

Tabel 17 Kengetal: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen (in %)

Verplichtingen

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

12,5

16,4

Realisatie

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

7

7,75

8,9

n.n.b.

n.n.b

Limiet conventionele biobrandstoffen

        

3

4

5

Realisatie

        

1,5

  

Subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen

        

0,6

0,8

1

Realisatie

        

0,8

  

Bron: Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland - Nederlandse Emissieautoriteit (https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/rapportages-ev-2018/documenten/publicatie/2019/07/03/rapportage-energie-voor-vervoer-in-nederland-2018)

Toelichting

In artikel 3 van het Besluit Energie Vervoer dat met terugwerkende kracht op 1 januari 2018 in werking is getreden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen in het vervoer van 2018 tot en met 2020 vastgelegd.

In 2018 is er 0,4% meer gerealiseerd dan hetgeen verplicht is gesteld. Deze overprestatie wordt in de systematiek omgezet tot spaartegoed die de verplichtinghouder in latere jaren in kan zetten. Er zijn wel maxima vastgesteld voor hetgeen gespaard kan worden.

Tabel 18 Kengetal: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer
 

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Streefwaarde 2021

EU

162,6

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,6

118,1

118,5

120,1

n.n.b.

 
       

(130,0)

    

(95,0)

Nederland

169,9

135,8

126,1

118,6

109,1

107,3

101,2

105,9

108,3

106,8

n.n.b.

 

Bron: https://www.eea.europa.eu/highlights/no-improvements-on-average-co2

Toelichting

De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord. De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland is in de periode tussen 2010 en 2016 sterk gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. In 2016 en 2017 nam de uitstoot van nieuw verkochte personenauto’s in Nederland als enige lidstaat in de EU licht toe. Volgens de cijfers die het Europese milieuagentschap in april 2018 heeft gepubliceerd, komt in 2017 de gemiddelde CO2-uitstoot uit op 108,39 g/km in Nederland en op 118,5 g/km in Europa. In 2018 is de uitstoot weer gedaald en komt uit op 106,8. Deze daling is het resultaat van de verkoop van nieuwe elektrische auto’s in Nederland. Wanneer de nieuw verkochte auto’s in 2018 geen elektrische auto’s zouden bevatten zou de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwverkopen zijn gestegen tot 112g/km. Dankzij de koppositie van Nederland binnen Europa bij de verkoop van elektrische auto’s blijft Nederland daarmee ruim onder het Europese gemiddelde en kan nog steeds tot de kopgroep worden gerekend. Ook blijft het aantal elektrische voertuigen groeien. De lichte stijging in de voorbije jaren van de gemiddelde uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland heeft meerdere oorzaken. Ten eerste worden er na jaren van recessie weer grotere, zwaardere en minder zuinige voertuigen aangeschaft. Ten tweede zijn alle fiscale stimuleringsmaatregelen van plug-ins afgeschaft waardoor de verkoop van deze zeer zuinige voertuigen is gedaald.

Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2021 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 95g/km. In 2025 moet de uitstoot met 15% zijn afgenomen, in 2030 met 37,5% ten opzichte van 2021.

Tabel 19 Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart. in kiloton.
 

Realisatie

        

Streefwaarden

  
 

2000

2005

2010

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2025

2030

NOx

281

242

203

166

161

152

147

143

n.n.b.

132

104

87

SO2

14,7

9,3

2,7

1,2

0,7

0,6

0,6

0,6

n.n.b.

0,6

0,6

0,6

PM2,5

15,6

11,9

7,7

5,1

4,7

4,3

4

3,7

n.n.b.

3,3

2,5

2,1

NH3

4,4

5,1

4,6

3,9

3,9

3,9

4,1

4,1

n.n.b.

4,4

5,2

5,7

NMVOS*

85

55

46

36

35

34

34

34

n.n.b.

32

26

24

*NMVOS: Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan.

Bron: Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland - Nederlandse EmissieautoriteitBron: https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning-2019

Toelichting

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld voor de periodes 2020 ‒ 2029 en de periode 2030 en verder. Het betreft aanpassing van de oude Europese richtlijn voor National Emission Ceilings (NEC) voor 2010-2019, in een nieuwe NEC-richtlijn (EU2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar kilotonnen. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren. 

Impuls verbeteren verkeersveiligheid

Tijdens het Bestuurlijk Overleg (BO) op 11 december 2019 hebben het Rijk en vertegenwoordigers van het IPO, de VNG en vervoerregio’s de handen ineengeslagen om een extra impuls te geven aan het verbeteren van de verkeersveiligheid. Het kabinet heeft hier voor de komende tien jaar een investeringsbedrag van € 500 miljoen vrijgemaakt op het Infrastructuurfonds voor cofinanciering in verschillende tranches. Het Rijk draagt voor maximaal 50% bij aan projecten van de medeoverheden om de meest verkeersonveilige locaties en grootste risico’s op het onderliggend wegennet aan te pakken. Door deze «Rijksverdubbelaar» kan er in totaal € 1 miljard extra worden geïnvesteerd in verkeersveiligheid in de periode 2020-2030.27 De inschrijving voor de eerste tranche is begonnen.

Voorbereiding Vrachtwagenheffing

In 2018 is het beleidskader voor de invoering van de Vrachtwagenheffing opgesteld. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit Beleidskader Vrachtwagenheffing bij brief van 9 november 2018 aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin is op hoofdlijnen beschreven hoe de vrachtwagenheffing, zoals is opgenomen in het regeerakkoord, eruit komt te zien. Op 6 maart 2019 is het beleidskader behandeld in de Tweede Kamer.

In lijn met het beleidskader is in het vervolg van 2019 en in 2020 gewerkt aan de benodigde wetgeving, de voorbereiding van het heffingssysteem en de voorbereiding van de besteding van de terugsluisgelden.

Het wetsvoorstel Vrachtwagenheffing zal uiterlijk begin 2021 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Als het wetsvoorstel is aangenomen worden in 2021 de opdrachten verleend aan de uitvoeringsorganisaties en zal de aanbesteding voor realisatie van het heffingssysteem worden gegund.

De voorbereiding van de besteding van de terugsluisgelden richt zich in 2020 onder meer op een bestuursovereenkomst tussen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en vertegenwoordigde partijen van de vervoerssector. In 2021 volgt de voorbereiding van het uitvoeringsprogramma.

Slimme en Duurzame Mobiliteit

In 2019 is het Klimaatakkoord gesloten. De kern van de werkzaamheden is daarmee komen te liggen op het invullen van de in het Klimaatakkoord afgesproken reductie van de CO2-uitstoot in de mobiliteitssector. Dit in verbinding met economische belangen, leefbaarheid, stedelijke ontwikkeling, duurzame mobiliteit en de gezondheid van burgers. De uitvoering wordt opgepakt in vier programma’s, te weten elektrisch vervoer, verduurzaming van personenmobiliteit, verduurzaming van logistiek en algemeen beleid (inclusief de verduurzaming van energiedragers). Elk programma heeft eigen doelen en beleidsverantwoordelijkheden. In 2021 wordt specifiek gewerkt aan de verdere verduurzaming van personenmobiliteit met de implementatie van de normering voor werkgebonden mobiliteit. Specifieke beleidsdoelen voor de verduurzaming van de logistiek volgen uit de uitvoeringsagenda voor stadslogistiek. Tevens wordt de RED II geïmplementeerd voor de stimulering van het gebruik van duurzame energiedragers en wordt verder gewerkt aan de doelen rondom elektrisch vervoer. Aanvullend en randvoorwaardelijk bij de uitvoering zijn o.a. de processen en activiteiten rondom algemeen bronbeleid, internationaal, communicatie, kennis en innovatie, financiering, monitoring en evaluatie en de regionale aanpak.

Ten behoeve van overzichtelijkheid en transparantie is een nieuw artikelonderdeel voor de activiteiten van Slimme en Duurzame Mobiliteit gecreëerd. Dit bevat voornamelijk de budgetten van Duurzame Mobiliteit (met name klimaatakkoord-gelden) en de activiteiten van Intelligente Transportsystemen.

Structurele aanpak stikstof

Bij de uitvoering van de projecten uit het MIRT is de inzet altijd om recht te doen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van De Raad van State van 29 mei 2019 volgt dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet langer als onderbouwing kan worden gebruikt bij tracébesluiten en natuurvergunningen. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor zowel de planning als uitgaven voor specifiekeprojecten ten aanzien van wegen, vaarwegen, spoor, luchtvaart en het hoofdwatersysteem. Ook in 2021 wordt ingezet op (de uitvoering van) maatregelen die de natuur ten goede komen en stikstof reducerende maatregelen waardoor meer ruimte ontstaat voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Beiden zijn nodig om op termijn toestemmingsverlening voor IenW-projecten weer vlot te trekken. Daarnaast wordt gewerkt aan manieren om toestemmingsverlening te faciliteren.

Tabel 20 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

126.324

217.288

157.393

151.242

211.247

199.631

113.584

        

Uitgaven

98.715

177.234

153.789

154.397

181.429

200.563

169.466

Waarvan juridisch verplicht

  

75%

    
        

1 Netwerk

79.949

136.069

11.996

9.443

9.375

9.300

9.300

Opdrachten

24.500

52.836

6.406

4.539

4.476

4.401

4.401

Subsidies

17.748

18.731

0

0

0

0

0

- Duurzame Mobiliteit

15.982

17.305

0

0

0

0

0

- Overige Subsidies

1.766

1.426

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

19.041

20.219

5.590

4.904

4.899

4.899

4.899

- Bijdrage aan agentschap RWS

11.025

10.775

5.160

4.904

4.899

4.899

4.899

- Overige bijdrage aan agentschappen

8.016

9.444

430

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

18.460

44.003

0

0

0

0

0

- Bijdrage aan Caribisch Nederland

15.285

13.500

0

0

0

0

0

- Bijdrage Duurzame Mobiliteit

3.175

30.503

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

200

200

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

0

80

0

0

0

0

0

        

2 Veiligheid

18.766

23.965

19.051

17.440

17.705

17.701

17.837

Opdrachten

5.181

5.205

5.957

6.444

6.709

6.705

6.840

Subsidies

9.145

10.311

9.438

9.438

9.438

9.438

9.439

- Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)

4.186

4.161

4.046

4.046

4.046

4.046

4.047

- Veilig Verkeer Nederland (VVN)

3.849

4.279

3.862

3.862

3.862

3.862

3.862

- Overige Subsidies

1.110

1.871

1.530

1.530

1.530

1.530

1.530

Bijdrage aan agentschappen

669

749

618

620

620

620

620

- Bijdrage aan agentschap RWS

669

749

618

620

620

620

620

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

30

31

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

3.741

7.669

3.038

938

938

938

938

- Bijdrage aan CBR

2.396

7.149

3.038

938

938

938

938

- Bijdrage aan RDW

1.345

520

0

0

0

0

0

        

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

0

17.200

122.742

127.514

154.349

173.562

142.329

Opdrachten

0

0

70.844

119.768

148.201

168.127

137.193

- Klimaatakkoord

0

0

50.481

101.552

134.499

155.939

126.599

- Beter Benutten

0

0

7.719

5.696

1.644

650

154

- Duurzame Mobiliteit

0

0

12.307

12.165

11.702

11.184

10.086

- Overige Opdrachten

0

0

337

355

356

354

354

Subsidies

0

17.200

40.381

3.212

1.613

900

600

- Elektrisch Vervoer

0

17.200

27.900

0

0

0

0

- Duurzame Mobiliteit

0

0

11.250

2.000

500

250

0

- Fietserbond

  

600

600

600

600

600

- Fietsplatform en Wandelnet

  

625

612

513

50

 

- Overig

  

6

    

Bijdrage aan agentschappen

0

0

4.511

4.534

4.535

4.535

4.536

- Bijdrage aan agentschap RWS

0

0

1.686

1.679

1.679

1.679

1.679

- Bijdrage aan agentschap NEa

0

0

2.489

2.489

2.490

2.490

2.491

- Bijdrage aan agentschap RVO

0

0

336

366

366

366

366

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

6.806

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

0

0

200

0

0

0

0

        

Ontvangsten

4.041

6.782

6.782

6.782

5.782

5.782

5.782

Extracomptabele verwijzingen
Tabel 21 Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet

2.706.916

2.592.018

3.343.015

3.317.418

3.129.066

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet

137.433

39.971

31.870

98.880

56.008

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet

2.844.349

2.631.989

3.374.885

3.416.298

3.185.074

waarvan

      

12.01

Verkeersmanagement

3.871

3.868

3.867

3.866

3.864

12.02

Beheer onderhoud en vervanging

823.681

784.107

807.202

817.586

766.025

12.03

Aanleg

848.367

738.294

1.213.246

1.391.179

1.196.371

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

476.835

457.786

708.646

586.776

596.771

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

691.595

647.934

641.924

616.891

622.043

       
Tabel 22 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk HXII aan artikel 17.08 ZuidasDok

25.576

172.575

281.065

174.189

89.682

Andere ontvangsten van artikel 17.08 ZuidasDok

     

Totale uitgaven op artikel 17.08 ZuidasDok

25.576

172.575

281.065

174.189

89.682

waarvan

      

17.08

ZuidasDok

25.576

172.575

281.065

174.189

89.682

       
Tabel 23 Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

    

45.205

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

    

45.205

waarvan

      

20.05.1

Investeringsruimte Hoofdwegennet

    

45.205

       
Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 24 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)

Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

   
 
 

2019

2020

2021

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen2

23

14

19

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen3

39

78

103

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's4

281

380

412

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

88

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

35

35

35

1: [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.2: BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen3: MRB = Motorrijtuigenbelasting4: IB = Inkomstenbelasting; LB = Loonbelasting

Budgetflexibiliteit

14.01 Netwerk

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen aan RWS en RVO zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De overige verplichtingen betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), CROW en Team Alert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV, CROW en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.03 Slimme en duurzame mobiliteit

Ten behoeve van overzichtelijkheid en transparantie wordt een nieuw artikelonderdeel voor de activiteiten van slimme en duurzame mobiliteit gecreëerd. De uitgaven voor de incidentele subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdragen aan RWS, NEa en RVO zijn volledig juridisch verplicht. Het uitgavenbudget voor de DKTI-regeling, de aanschafregeling elektrische auto’s, de stimuleringsregeling gebruikte tweedehandsauto’s en de overige subsidies is eveneens volledig juridisch verplicht op grond van toegekende subsidies. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

1 Netwerk

Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft onderzoeksopdrachten op het gebied van verkeer, wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, Smart Mobility (zoals de zelfrijdende auto) en Wegverkeersbeleid (zoals het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid)). De uitgaven voor de overige opdrachten bestaan o.a. uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding en het meerjarenprogramma MIRT.

Bijdrage aan agentschappen

RWS beleidsondersteuning en -advisering

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en –advisering die RWS uitvoert. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt een deel van de voorbereiding beleidsuitvoering Vrachtwagenheffing uitbesteed. Door de RVO is gekeken wat er al aan financiële maatregelen bestaan. Hier is een longlist/analyse van gemaakt. RVO is één van de beoogde uitvoerders voor de terugsluis.

Vanaf 2021 worden de middelen voor slimme en duurzame mobiliteit ten behoeve van meer transparantie en zichtbaarheid op onderdeel 3 verantwoord.

2 Veiligheid

Opdrachten

Onder opdrachten vallen de onderzoeken en activiteiten die gerelateerd zijn aan de uitvoering van het Landelijk Actieprogramma Verkeersveiligheid, dat een onderdeel vormt van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 zoals beleidsontwikkeling voor beginnende bestuurders, maatregelen fietsveiligheid, het verbeteren van de verkeersveiligheid voor specifieke doelgroepen zoals ouderen. Onder dit artikel vallen ook opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd (BOB en MONO).

Voor het verbeteren van de meest verkeersonveilige locaties en grootste risico’s op het onderliggend weggennet is voor de periode 2020-2030 een investeringsbedrag van € 500 miljoen vrijgemaakt voor cofinanciering (max. 50%) in verschillende tranches.

Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert, CROW (een onafhankelijk kenniscentrum voor infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer) en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

Bijdrage aan agentschappen

Met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdrage aan ZBO's en RWT’s

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) een gedeeltelijke vergoeding van het Ministerie van IenW voor de onderzoeken medisch en rijvaardigheid in de vorderingenprocedure. Het resterende bedrag wordt doorberekend aan de burger. Incidentele werkzaamheden voor ZBO's en RWT’s komen eveneens ten laste van deze post. Voor 2021 worden aanvullende middelen gebruikt om onder andere samen met het CBR invulling te geven aan het beleidstraject van het verbeteren van het praktijkexamen en de beginnende bestuurders. Voorts worden middelen gebruikt voor aanpassingen in het stelsel van de bestuursrechtelijke handhaving van het rijbewijs.

3 Slimme en duurzame mobiliteit

Dit (nieuwe) artikelonderdeel bevat voornamelijk de budgetten voor duurzame mobiliteit (met name Klimaatakkoord-gelden) en de activiteiten voor intelligente transportsystemen. Hiertoe zijn budgetten op 14.01 die betrekking hebben op slimme en duurzame mobiliteit overgeheveld naar het nieuwe artikelonderdeel 14.03 Slimme en duurzame mobiliteit.

Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft onderzoeksopdrachten op het gebied van het verduurzamen van mobiliteit. Op het gebied van verkeersemissies worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van steekproefcontroleprogramma's door de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) inzake voertuigemissies. Daarbij gaat het in hoofdzaak om metingen in zowel het laboratorium als op de weg van schadelijke stoffen in uitlaatgassen van personen-, bestel- en vrachtauto’s en bussen. De uitgaven voor de overige opdrachten bestaan o.a. uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, het MIRT en Intelligente Transportsystemen (ITS; digitalisering, iVRI ‘s Connected Transport Corridors) en innovatie.

Urgenda middelen

Verder worden in het kader van Urgenda middelen ingezet voor onder andere (intensivering van) campagnes gericht op gedragsmaatregelen om duurzame mobiliteit versneld in gang te zetten.

Middelen Klimaatakkoord

In het Regeerakkoord is een CO2-reductieopgave in 2030 afgesproken ter hoogte van 49% waarbij een envelop van structureel € 300 miljoen op de aanvullende post is gereserveerd. Het aandeel van de mobiliteitssector bedraagt jaarlijks € 40 miljoen. Daarnaast zijn middelen beschikbaar gesteld gedekt uit de fiscale middelen ter stimulering van het gebruik van duurzame vervoersmiddelen (zowel personenauto’s als bestel- en vrachtwagens). Deze middelen zijn technisch aan dit financieel instrument toegevoegd, waarna deze middelen na het operationaliseren van de plannen naar het juiste financieel instrument worden overgeboekt ten behoeve van de reductieopgave van de mobiliteitssector van 7,3 Mton en aangewend voor duurzame energiedragers, duurzame logistiek en verduurzaming personenmobiliteit.

Subsidies

DKTI-regeling

De Demonstratieregeling Klimaat Technologieën en Innovaties in Transport (DKTI-Transport) geeft invulling aan de doelstellingen van het Energieakkoord en het Klimaatakkoord. De regeling ondersteunt projecten voor duurzaam vervoer, met als doel het verminderen van de CO2-uitstoot. De projecten zijn vanwege het innovatieve karakter veelal meerjarige projecten en vanuit doelmatigheidsoverwegingen vinden de uitkeringen op basis van de verwachte kasbehoefte en gerealiseerde voortgang over een aantal jaren plaats.

Stimuleringsregeling elektrische personenauto's particulieren

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van de aanschaf en lease van volledig elektrische personenauto’s in de kleinere en compacte middenklasse door particulieren, teneinde de emissie van CO2 te verminderen.

Overige subsidies

De uitgaven hebben betrekking op subsidies aan de Fietsersbond, de stichtingen Fietsplatform en Wandelnet en de Dutch Cycling Embassy.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 500.000 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2021 opgenomen. De helft van dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor coördinatie en monitoring van de landelijke recreatieve fietsroutes aan de Stichting Landelijk Fietsplatform. De andere helft van dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor belangenbehartiging voor wandelen en lopen en de coördinatie en monitoring van het landelijke wandelroutenetwerk aan Stichting Wandelnet. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

RWS beleidsondersteuning en -advisering

Met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Nederlandse Emissie Autoriteit (NEa)

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenW voor het uitvoeren van o.a. wettelijke taken op het gebied van Energie Vervoer (hernieuwbare energie vervoer en brandstoffen luchtverontreiniging) een opdracht aan de NEa.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Tenslotte wordt aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een deel van de beleidsuitvoering (uitvoering van de DKTI-regeling en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) uitbesteed.

Bijdrage aan medeoverheden

Aan medeoverheden worden bijdragen verstrekt ter ondersteuning van de innovatie en energietransitie op het mobiliteitsbeleid en snelfietsroutes op basis van specifieke uitkeringen.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Hier worden bijdragen verstrekt aan internationale organisaties op het gebied van duurzame mobiliteit.

27

Kamerstukken II 2019-2020, 29 398, nr. 783

3.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, te beheren en te benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013-2014, 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele ov-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, ov-chipkaart, taxivervoer en ov-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de ov-infrastructuur en de ordening van de ov-markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele ov-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015-2016, 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stop tonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetalen

In november 2018 is de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor afgerond.28 Conform De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) is onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. In het kader van deze beleidsdoorlichting zijn de indicatoren op artikel 16 aangepast.

Tabel 25 Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Indicator

2015

2016

2017

2018

2019*

Aantal Stop-tonend-seinpassages

100

100

105

137

142

waarvan gevaarpunt bereikt

27

39

36

26

32

Aanrijdingen op overwegen

n.b.

26

30

32

44

Aantal dodelijke slachtoffers bij aanrijdingen op overwegen

n.b.

4

6

14

n.b.

Aantal spoorsuïcides

223

221

215

194

220

Totaal aantal treinkilometers

156 mld.

158 mld.

160 mld.

164 mld.

165 mld.

Toelichting

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2018 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2019 komt in oktober 2020 beschikbaar.

Voor meer indicatoren op het thema spoorveiligheid geeft de website https://prestaties.prorail.nl/veiligheid/ van ProRail de laatste inzichten.

Tabel 26 Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2018

2019

Totaaloordeel1

7,7

7,8

Veiligheid1

8,1

8,2

Snelheid1

7,4

7,6

Gemak1

7,4

7,6

Comfort1

7,9

8

Beleving1

7,2

7,4

Personeelsmonitor

n.b.

n.b.

Toelichting

De ov-klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het openbaar vervoer. De ov- klantenbarometer 2018 is geheel vernieuwd ten opzichte van de vorige edities. Omdat de meetmethodiek is aangepast, zijn er geen vergelijkbare gegevens van voor 2018 bekend.

De onderwerpen zijn clusters, waarin de volgende zaken zijn meegenomen:

  • 1. Veiligheid: veiligheid rit, algemeen, halte/station.

  • 2. Snelheid: frequentie, overstaptijd, reissnelheid, punctualiteit.

  • 3. Gemak: gebruiksgemak ov-kaart, vervoersbewijs kopen, info halte, informatie rit, info vertragingen.

  • 4. Comfort: klimaat, instappen, zitplaats, overlast, rijstijl.

  • 5. Beleving: inrichting, netheid, klantvriendelijkheid, geluid

  • 6. Personeelsmonitor: Sociale veiligheid medewerkers. De personeelsmonitor wordt tweejaarlijks onderzocht en gepubliceerd.

Voor meer indicatoren op het thema ov-keten geeft de website https://www.staatvanhetov.nl/ van het CROW inzicht.

Tabel 27 Indicator: Punctualiteit en goederenvervoer
 

2015

2016

2017

2018

2019

Treinpunctualiteit Reizigersverkeer1

89,5%

89,4%

90,5%

91,5%

91,9%

Treinpunctualiteit Goederenvervoer1

80,0%

73,7%

74,7%

74,0%

74,0%

Impactvolle storingen op de infrastructuur1

n.b.

n.b.

628

542

435

Vervoerd ladinggewicht per spoor (in miljoen ton)2

41,72

42,62

41,19

41,58

41,33

Aantal ov-chipkaart transacties3

2,3 mld.

2,5 mld.

2,5 mld.

2,7 mld.

2,8 mld.

Aantal instappers regionale treinen4

49,1 mln

48,9 mln.

52,1 mln.

51,7 mln.

n.b.

Aantal instappers NS5

2,38 mln.

2,47 mln.

2,51 mln.

2,57 mln.

n.b.

Toelichting

Bovenstaande cijfers geven inzicht in de punctualiteit van het spoorsysteem, het aantal impactvolle storingen en de aantallen goederen en reizigers die over het spoor vervoerd worden.

Voor meer indicatoren op het thema punctualiteit geeft de website https://prestaties.prorail.nl/ van ProRail de laatste inzichten.

In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om ProRail B.V. om te vormen tot zbo, waarbij het streven is geweest om dat per 1 januari 2021 te realiseren. Mede door de bijzondere omstandigheden gerelateerd aan de coronacrisis is er druk komen te staan op het tijdspad van het wetgevingstraject en zal in plaats daarvan toegewerkt worden naar 1 juli 2021. De omvorming tot zbo is een principiële keuze: ProRail voert een publieke taak uit die vrijwel volledig wordt bekostigd met publiek geld en daar hoort publieke sturing en verantwoording bij. De omvorming zorgt voor een duidelijkere verhouding tussen de minister en infrastructuurbeheerder, een meer eenvoudige en integrale sturing- en verantwoording en een informatiepositie die past bij de publieke taak. Een publieke positionering van ProRail ondersteunt de benodigde samenwerking tussen beleid en uitvoering die nodig is om de uitdagingen op het terrein van spoor en mobiliteit het hoofd te bieden (Kamerstuk II 35 396, nr. 2 en nr. 3).

In 2020 zijn de hoofdlijnen van het integrale besluit over de marktordening op het spoor na 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd. In 2021 en verder worden de hoofdlijnen van het marktordeningsbesluit uitgewerkt en uitgevoerd. Voor de vervoerconcessie wordt eerst een beleidsvoornemen tot concessieverlening opgesteld en later een programma van eisen. Er wordt gewerkt aan de decentralisatie van de sprinterdienst op het traject Zwolle-Leeuwarden en voor mogelijke toekomstige decentralisaties wordt er een uitgangspuntenkader opgesteld. Met een marktverkenning wordt daarnaast onderzocht welke internationale verbindingen onder open toegang tot stand kunnen komen. Met een Stationsagenda wordt toegewerkt naar een meer integrale afweging van publieke (en andere) belangen op stations. En er wordt gewerkt aan de toekomstbestendigheid van het spoorsysteem, onder meer door het onderzoeken van systeemtaken en het borgen van sturing en coördinatie.

Voor de toekomstige ontwikkeling van het openbaar vervoer werkt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen met de decentrale overheden en OV-sector aan de uitwerking van het Toekomstbeeld OV. Het Toekomstbeeld OV is een onderlegger om ontwikkeling en voorstellen op het gebied van openbaar vervoer te toetsen. Daarnaast geeft het richting in de acties die gezamenlijk met decentrale overheden en sectorpartijen in gang worden gezet om het openbaar vervoer te verbeteren, zoals het delen van data en verder verduurzamen. Eind 2020 wordt met de ontwikkelagenda Toekomstbeeld OV 2040 een nadere uitwerking gegeven van de in het voorjaar van 2019 vastgestelde contouren (Bijlage bij Kamerstuk II 23 645, nr. 685). De ontwikkelagenda bevat keuzes en ambities voor het openbaar vervoer richting 2040. Naast een overzicht van mogelijke ingrepen op het spoor, is ook een gedragen ambitie voor de gewenste kwaliteit van OV-knooppunten in Nederland hier onderdeel van. In 2021 kunnen stappen gezet worden in de verdere doorvertaling van deze agenda in projectvoorstellen. Dit gaat bijvoorbeeld over het opstellen van afspraken met ProRail, vervoerders, provincies en gemeenten over de ontwikkeling van OV-knooppunten. Vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zal daarbij aandacht gevraagd worden voor de landelijke samenhang en zorgvuldige afweging.

Tot slot heeft de Europese Commissie (EC) 2021 aangewezen als 'Europees Jaar van het Spoor’ om de verwezenlijking van de Europese Green Deal-doelstellingen voor vervoer te ondersteunen. In dit kader zal in 2021 besluitvorming plaatsvinden in vervolg op de Green Deal-ambities uit 2019 met betrekking tot de modal shift van weg naar binnenvaart en naar spoorgoederenvervoer en internationaal personenvervoer per spoor.

Tabel 28 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

30.714

1.518.243

29.606

22.591

21.452

9.933

10.114

        

Uitgaven

31.659

1.523.198

28.309

27.527

24.252

10.613

10.364

Waarvan juridisch verplicht

  

93%

    
        

1 Spoor

31.659

35.198

28.309

27.527

24.252

10.613

10.364

Opdrachten

5.953

6.966

5.426

5.797

6.133

6.112

5.900

- Aanst. NS & ProRail

696

1.275

228

464

807

807

557

- ACM

 

1.526

1.550

1.574

1.598

1.622

 

- OV & Stations (S)

1.781

1.138

1.426

1.345

2.022

1.979

3.640

- Overige opdrachten

3.476

3.027

2.222

2.414

1.706

1.704

1.703

Subsidies

21.951

20.780

19.483

18.327

14.712

1.094

1.094

‒ 3e spoor Duitsland

1.331

3.000

2.938

3.000

1.000

  

- Maatregelen Spoorgoederenvervoer

14.521

14.956

15.161

13.940

12.618

  

- NS IC Dordrecht - Breda

760

1.440

     

- Overige subsidies

5.339

1.384

1.384

1.387

1.094

1.094

1.094

Bijdrage aan agentschappen

964

921

869

872

876

876

876

- Waarvan bijdrage aan RWS

919

832

823

826

830

830

830

- Waarvan bijdrage aan KNMI

45

46

46

46

46

46

46

- Overige bijdrage aan agentschappen

0

43

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

2.719

2.429

2.429

2.429

2.429

2.429

2.392

- CLU Betuwe en HSL

2.719

2.429

2.429

2.429

2.429

2.429

2.392

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

72

102

102

102

102

102

102

Leningen

0

4.000

0

0

0

0

0

        

2 Maatregelenpakket OVS

0

1.488.000

0

0

0

0

0

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

0

1.488.000

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

249

4.750

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen
Tabel 29 Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen

1.703.876

1.630.645

1.720.554

1.764.490

1.481.228

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen

198.538

208.458

213.339

216.430

329.108

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen

1.902.414

1.839.103

1.933.893

1.980.920

1.810.336

waarvan

      

13.02

Beheer onderhoud en vervanging

1.474.916

1.276.995

1.358.844

1.397.711

1.315.840

13.03

Aanleg

262.627

395.284

406.630

411.742

322.857

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

164.871

166.824

168.419

171.467

171.639

       
Tabel 30 Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

84.083

90.007

33.232

34.351

40.962

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

     

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

84.083

90.007

33.232

34.351

40.962

waarvan

      

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

84.082

42.531

33.232

34.351

40.962

14.03

RSP-ZZL: Pakket Bereikbaarheid

1

47.476

   
       
Tabel 31 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

127.988

304.151

340.847

325.490

609.935

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

64.739

71.235

57.494

174.928

83.439

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

192.727

375.386

398.341

500.418

693.374

waarvan

      

17.02

Betuweroute

     

17.03

Hogesnelheidstrein-Zuid

3.116

    

17.07

ERMTS

49.033

147.758

134.596

148.059

280.237

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

140.578

227.628

263.745

352.359

413.137

Tabel 32 Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

  

49

  

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

  

49

  

waarvan

      

20.05.1

Investeringsruimte Spoorwegen

  

49

  
       
Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 33 Fiscale regelingen 2019–2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

BPM Teruggaaf taxi’s en openbaar vervoer2

136

MRB Vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer3

53

53

55

Reisaftrek OV

8

4

7

Budgetflexibiliteit

16.01 OV en Spoor

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter-)nationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapsbijdrage, de bijdrage aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter-)nationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgaven voor de OV-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche en de uitbesteding van SWUNG1-taken. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

1 Spoor

Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SCHWUNG1-taken, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en aanpassingen in de spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, wat een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

Subsidies

Maatregelen spoorgoederenvervoer

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond € 13 miljoen inclusief de uitvoeringskosten.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 14,9 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2020 opgenomen. Dit bedrag is onderdeel van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. Doel van deze Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor is het verbeteren van de positie van goederenvervoerders. Deze subsidies worden verstrekt aan de goederenvervoerders. Voor de gedeeltelijke compensatie is een bedrag van maximaal € 70 miljoen gereserveerd voor een periode van vijf jaar (2019 tot en met 2023).

Bijdrage aan agentschappen

RWS beleidsondersteuning- en advisering

Met Rijkswaterstaat zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering. Dit zijn taken die Rijkswaterstaat uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij het agentschap gereserveerd.

KNMI informatievoorziening

Met het KNMI zijn afspraken gemaakt over informatievoorziening, bijvoorbeeld rondom winterse omstandigheden, die van belang zijn voor de veiligheid van het vervoer over het spoor.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

2 Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

Dit betreft een beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer. De vergoeding is bestemd voor al het openbaar vervoer onder een concessie (gebiedsconcessie, lijnconcessie en lijnovereenkomst) in Nederland.

28

3.5 Artikel 17 Luchtvaart

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek gezien belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenW zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, e.a.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Tabel 34 Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

plafond

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen

395.800

384.500

416.400

425.100

423.500

436.300

448.000

475.200

495.000

497.400

497.100

500.000

 

79%

77%

83%

85%

85%

87%

90%

95%

99%

99%

99%

100%

Bron realisatie: https://www.schiphol.nl/nl/schiphol-group/pagina/verkeer-en-vervoer-cijfers/ Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015, 34 098, nrs. 1-3)

Opgemerkt wordt dat hierbij de aantallen per gebruiksjaar (1 november tot 31 oktober) moeten worden bepaald, en niet per kalenderjaar, omdat het plafond betrekking heeft op een gebruiksjaar. Deze afwijking in jaren is het gevolg van mondiale afspraken over de zomer- en winterdienstregeling van luchtvaartmaatschappijen.

Toelichting

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 voor de periode tot en met 2020 een plafond voor het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken van 510.000. In 2015 is dat plafond verlaagd naar 500.000 per jaar. Het Rijk had daarnaast de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad.

Er is gewerkt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS). Dit is van belang voor de indicator over luchthavencapaciteit, omdat de toegestane aantal vliegtuigbewegingen een afgeleide zijn van deze regelgeving. De wet waarin dit stelsel is opgenomen, is op 30 maart 2016 gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet formeel in werking getreden. Het bij de nieuwe wet behorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) is nog in voorbereiding. Totdat het in voorbereiding zijnde LVB in werking is getreden, is het nieuwe stelsel formeel nog niet van kracht. Deze wijziging van het LVB voor de verankering van het NNHS wordt in 2020 in procedure gebracht.

Tabel 35 Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde

Gerealiseerd

Gerealiseerd

Gerealiseerd

Streefwaarde

2009

t/m 2017

t/m 2018

t/m 2019

2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000

25.000

25.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

45.000

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II 2013–2014, 31 936, nr. 187) Vergunning burgermedegebruik exploitant militaire luchthaven Eindhoven ten behoeve van Eindhoven Airport N.V. (gebruiksjaren 2016 tot en met 2019) (Stcrt., 47829, nr. 28) Bron Lelystad: Luchthavenbesluit Lelystad (Staatsblad 2015 nr. 130)

Toelichting

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) moet ervoor zorgen dat Schiphol meer ruimte overhoudt voor mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Op 17 december 2015 is aan Eindhoven Airport NV voor de jaren 2016 tot en met 2019 een vergunning verleend voor burgermedegebruik van de militaire luchthaven Eindhoven voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen (Stcrt. 2015, 47829). 

In de nieuwe vergunning voor burgermedegebruik is voor deze jaren een maximaal aantal van 41.500 vliegtuigbewegingen op jaarbasis vergund in plaats van het voor 2019 vergunde maximumaantal van 43.000. Deze aantallen zijn inclusief de vergunde extra capaciteit van 25.000 vliegtuigbewegingen. Daarnaast worden vanaf het winterseizoen 2020, ingaande op 25 oktober 2020, geen geplande, landende vluchten na 23.00 uur meer toegestaan. Dit is een belangrijke stap in het verminderen van de hinder voor omwonenden. Voor het zomerseizoen 2020 (29 maart 2020 tot en met 24 oktober 2020) is een maximum van vier van dergelijke vluchten per dag gesteld (Kamerstukken II 2017-2018, 31 639, nr. 462).

Ten behoeve van de uitbreiding van Lelystad Airport heeft het kabinet een Luchthavenbesluit vastgesteld dat op 1 april 2015 in werking is getreden met een voorziene uitbreiding van de luchthaven voor groot commercieel verkeer: gefaseerd naar maximaal 45.000 vliegtuigbewegingen. Tot de herziening van het luchtruim is dit aantal maximaal 10.000 vliegtuigbewegingen. Op 21 februari 2018 is de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd dat de openingsdatum van Lelystad Airport voor groot commercieel verkeer is uitgesteld. In dezelfde brief is de Tweede Kamer geïnformeerd over de actualisatie van de MER voor Lelystad Airport en de geoptimaliseerde aansluitroutes voor de luchthaven. (Kamerstukken II 2017-2018, 31 639, nr. 462). 

In maart 2020 heeft het kabinet besloten om de opening van Lelystad Airport uit te stellen van november 2020 tot november 2021. Door de corona crisis is de schaarste aan capaciteit en slots op Schiphol en Lelystad tijdelijk niet meer aan de orde, gezien de sterke afname van vluchten op Schiphol. De urgentie voor openstelling van Lelystad Airport in 2020, als overloop luchthaven, is dus op de korte termijn niet meer aanwezig. Het is van groot belang dat besluitvorming over de openstelling van Lelystad ook plaatsvindt in het licht van de situatie na de corona crisis. De commissie MER heeft eind maart advies gegeven over de uitgangspunten hoe in de toekomst stikstofberekeningen moeten worden verricht (Kamerstukken II 2019-2020, 31936,nr. 732).

Tabel 36 Indicator: Positie in de ranglijst o.b.v. aeronautical kosten (luchthavengelden, ATC-heffingen, overheidsheffingen) van hoog (positie 1) tot laag (positie 10)

Luchthaven

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Streefwaarde 2016 e.v.

2017

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

1

 

Parijs (CDG)

3

4

4

4

4

 

Frankfurt (FRA)

2

2

2

2

2

 

Gatwick

4

3

3

5

5

 

Schiphol

9

9

10

10

10

< LHR, FRA, CDG

Zürich

6

5

5

6

6

 

München

5

6

6

3

3

 

Brussel

8

8

8

7

7

 

Madrid

7

7

7

8

8

 

Bron: SEO Benchmark Luchthavengelen en Overheidsheffingen van verschillende jaren.(2015 t/m. 2019).

Toelichting

Het is belangrijk dat de kosten voor luchtvaartmaatschappijen op Schiphol concurrerend zijn ten opzichte van andere luchthavens. Een concurrerend kostenniveau draagt immers bij aan het in stand houden van het netwerk van luchtverbindingen van en naar Nederland. Om een beeld te krijgen van het relatieve kostenniveau van Schiphol vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de Air Traffic Control (ATC)-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een identiek pakket vluchten, dat representatief is voor Schiphol, aan deze kosten betaald zou moeten worden. De resultaten van de laatste benchmark laten zien dat het totale berekende kostenniveau op Schiphol medio 2019 het laagste is van de negen onderzochte West-Europese luchthavens in de benchmark. In de benchmark wordt Schiphol naast de luchthavens in bovenstaande tabel ook met de luchthavens Dubai en Istanbul Atatürk vergeleken. Het berekende kostenniveau op Istanbul is wat hoger dan op Schiphol en op Dubai is dat iets lager.

Tabel 37 Kengetal: Totale Volume van de Geluidbelasting (TVG) rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

62,79

62,81

62,57

62,53

63,46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,53

52,46

52,25

51,68

51,72

54,44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol 2019 (ILT, 2019) Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (2004).

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn voor de luchthaven grenzen gesteld aan het totale volume van de geluidbelasting (TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat het totale volume van de geluidbelasting afkomstig van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden.

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de handhavingsrapportage Schiphol, ILT, 2019.

Tabel 38 Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met voornamelijk geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

262

266

272

277

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

290

309

322

319

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

186

203

210

220

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

290

294

316

330

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

193

200

204

203

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat

Toelichting

Hieronder worden de realisatiegegevens over 2019 toegelicht. Dit omdat deze ten tijde van de publicatie van het Jaarverslag 2019 nog niet beschikbaar waren. In deze tabel is het aantal passagiersbestemmingen per luchthaven opgenomen, waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Het aantal bestemmingen op Schiphol is in 2019 met 2% gestegen. Op Parijs Charles de Gaulle en Londen Heathrow steeg het aantal bestemmingen met 4% en op Brussel en Frankfurt is het aantal bestemmingen licht gedaald.

Tabel 39 Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Vliegbewegingen (x 1.000)

             

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

479

497

499

497

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

453

465

501

503

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

473

474

476

476

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

473

476

481

498

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

207

221

218

218

Passagiers (in miljoenen)

             

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

64

68

71

72

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

61

64

69

70

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

76

78

80

81

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

66

69

72

76

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

22

25

26

26

Vracht (x 1.000 ton)

             

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

1.662

1.761

1.716

1.570

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

2.029

2.109

2.087

2.005

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

1.541

1.698

1.685

1.587

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

1.953

2.011

1.987

1.903

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

463

464

513

532

489

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS / ACI)

Toelichting

Hieronder worden de realisatiegegevens over 2019 toegelicht. Dit omdat deze ten tijde van de publicatie van het Jaarverslag 2019 nog niet beschikbaar waren. Bovenstaande kengetallen geven het verkeer (vliegtuigbewegingen) en vervoer (passagiers en vracht) op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens. Op Schiphol in het aantal vliegtuigbewegingen in 2019 licht afgenomen en het aantal passagiers is licht gestegen. Op de meeste andere luchthavens zijn de aantallen vliegtuigbewegingen en passagiers in 2019 niet sterk gewijzigd. Uitzondering is Parijs Charles de Gaulle, waar het aantal vliegtuigbewegingen in 2019 steeg met 4% en het aantal passagiers met 6%. Schiphol staat daarmee in 2019 op een derde positie voor wat betreft het aantal vliegtuigbewegingen (na Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle) en het aantal passagiers (na Londen Heathrow en Parijs Charles de Gaulle). Het aantal tonnen vervoerde vracht is in 2019 op alle luchthavens gedaald. De daling is op Schiphol het grootst (-9%), waardoor Schiphol de derde positie in 2018 inlevert voor de vierde plaats. De gevolgen van corona voor de luchtvaart in 2020 zijn groot. Het aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven zal naar verwachting als gevolg hiervan in 2020 sterk dalen. De daadwerkelijke cijfers over 2020 worden in de verantwoording 2020 gepresenteerd, medio 2021.

Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties

De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties van SEO Economisch Onderzoek geeft een beeld van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het netwerk van Air France KLM vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken. De monitor richt zich op de kwaliteit van de directe verbindingen vanaf luchthavens («directe connectiviteit»), de verbindingen vanaf luchthavens met een overstap onderweg («indirecte connectiviteit») en de huboperatie op luchthavens («hubconnectiviteit»).

Uit de monitor 2019 blijkt dat de directe connectiviteit op Schiphol stijgt, ondanks het capaciteitsplafond van 500.000 vluchten. Dit komt doordat de monitor zich niet richt op vrachtvluchten en niet-lijnvluchten. In 2019 hebben deze plaats gemaakt voor passagiers- en lijnvluchten. Ook hebben de resultaten van de monitor betrekking op de maand september. In die maand waren er in 2019 meer vluchten, in tegenstelling tot enkele andere maanden. De ontwikkeling in indirecte connectiviteit en de hubconnectiviteit op Schiphol blijft achter ten opzichte van die op de meeste andere luchthavens.

Van de voor Nederland belangrijke landen is Schiphol goed verbonden met Indonesië, Taiwan en Brazilië. De connectiviteit van Schiphol naar India, Zuid-Afrika en Japan is lager dan die van de meeste concurrenten. Schiphol is direct verbonden met 38 van de 40 belangrijkste Global Cities op andere continenten. In termen van het aantal directe vluchten is deze connectiviteit echter wel lager dan die vanaf de meeste concurrerende luchthavens.

De netwerken van KLM en Air France op Schiphol en Parijs Charles de Gaulle hebben zich in 2019 in grote lijnen gelijkmatig ontwikkeld.

Tabel 40 Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

0,7

0,6

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Gerealiseerd

0,63

0,54

0,61

0,76

0,91

0,94

1,83

1,67

Bron: Performance Review Body, Performance Monitoring Dashboarrd 2019.

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Tabel 41 Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht 1
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Grenswaarde

         

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

1

1

1

1

2

2

2

2

2

Gerealiseerd

         

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

0,9

0,78

0,68

0,94

     

Gerealiseerd

         

Gemiddelde ATFM-vertraging (airport) per vlucht in minuten per aankomende vlucht volgens PRB methode

1,81

1,41

1,34

1,89

2,91

2

3,22

2,19

3,88

1

ATFM: Air Traffic Flow Management

Bron: Performance Review Body, Performance Monitoring Dashboard 2019.

Toelichting

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde vertraging op Nederlandse luchthavens. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase beneden een hoogte van een kilometer. In 2019 is exceptioneel aanvullende vertraging opgetreden als gevolg van de introductie van een nieuw technisch systeem (elektronische vliegstrippen). Het is gebruikelijk bij een dergelijke introductie de capaciteit om veiligheidsredenen tijdelijk te beperken, wat tot meer vertraging leidt. 

LVNL hanteert met ingang van 2015 dezelfde systematiek als de Performance Review Body om vertragingen te meten. Verder heeft LVNL in 2015 de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB-systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. Er is uitsluitend sprake van een technische wijziging in de meetsystematiek zonder een beleidsmatige impact.

Zoals afgesproken in het Regeerakkoord wordt gewerkt aan een Luchtvaartnota 2020-2050. De definitieve Luchtvaartnota wordt naar verwachting eind 2020 opgeleverd. De Ontwerp-Luchtvaartnota 2020-2050 zet een nieuwe koers uit naar een veilige en duurzame luchtvaartsector die Nederland goed verbindt met de rest van de wereld. Kwaliteit komt centraal te staan en van ongeclausuleerde groei is niet langer sprake. Er komen heldere regels en voorwaarden voor de ontwikkeling van de civiele luchtvaart. Groei van de luchtvaart is hierbij geen uitgangspunt maar kan een uitkomst zijn. Groei moet eerst door de sector worden verdiend. Dit kan alleen wanneer er eerst sprake is van een vermindering van de negatieve effecten op de gezondheid van mens en natuur en op het klimaat. De Luchtvaartnota is gebouwd op vier publieke belangen:

  • 1. Nederland veilig in de lucht en op de grond: Luchtvaart is een hele veilige manier om te reizen. De luchtvaart veilig houden staat voorop. De Rijksoverheid zal bij grote veranderingen in de luchtvaart van tevoren een onafhankelijke integrale veiligheidsanalyse laten uitvoeren, gericht op de veiligheid voor passagiers en bemanning en voor de bewoners op de grond.

  • 2. Nederland goed verbinden: De sleutelpositie van Schiphol in het internationale netwerk van verbindingen via de lucht is belangrijk voor de welvaart en het welzijn van ons land. Deze sleutelpositie en de banen wil het kabinet behouden en de netwerkfunctie van rechtstreekse verbindingen met de centra van de wereld versterken. Daarnaast wil het kabinet samen met betrokken partijen de internationale verbindingen over het spoor en de weg verbeteren, zodat het aantrekkelijker wordt om voor korte afstanden de trein of de bus te nemen in plaats van het vliegtuig.

  • 3. Aantrekkelijke en gezonde leefomgeving: Aantoonbaar minder negatieve gezondheidseffecten door luchtvaart zijn een voorwaarde voor de toekomstige ontwikkeling van de luchtvaart. Bij Schiphol gaat het bijvoorbeeld om het terugbrengen van het aantal nachtvluchten. Het kabinet betrekt omwonenden en andere belanghebbenden bij de ontwikkelingen van de luchthavens, en zal dat blijven doen. In aanvulling op de wettelijk voorgeschreven geluidsberekeningen zal er meer gebruik worden gemaakt van metingen. Hiermee kunnen modellen gecontroleerd en verbeterd worden. Ook geeft dit mensen in de omgeving meer duidelijkheid over de omvang van de geluidsbelasting.

  • 4. Nederland duurzaam: Om de klimaatdoelen te halen, moet ook de luchtvaart de uitstoot verminderen. Het kabinet wil dat de CO2-uitstoot van vertrekkende vluchten in 2030 ligt op het niveau van wat het in 2005 was. In 2050 moet de uitstoot gehalveerd zijn ten opzichte van 2005 en in 2070 moet de uitstoot nihil zijn.

Ondanks de coronacrisis is het onverminderd belangrijk dat het voor Schiphol maximaal toegestane aantal vliegtuigbewegingen en het nieuwe normen- en handhavingsstelsel worden verankerd. Om dit voor elkaar te krijgen wordt de komende tijd door Schiphol onderzoek gedaan naar de stikstofdeposities van de luchthaven. Daarnaast wordt gewerkt aan de voorbereiding van de openstelling van Lelystad Airport voor vakantieverkeer. Als gevolg van de coronarisis is besloten om de opening van Lelystad Airport met een jaar uit te stellen tot november 2021.

Om te komen tot besluitvorming over de toekomstige ontwikkeling van Eindhoven Airport na 2019 is in opdracht van de Minister van IenW door de heer Pieter van Geel van oktober 2018 tot april 2019 de Proefcasus Eindhoven Airport uitgevoerd. Met het kabinetstandpunt van 6 september 2019 hebben de minister van IenW en de staatssecretaris van Defensie het advies overgenomen (Kamerstukken II 2018- 2019 31 936, nr. 659). Centraal in het advies staat het sturen op een aanzienlijke vermindering van de geluidsbelasting als gevolg van het civiele vliegverkeer in 2030 ten opzichte van 2019, in plaats van het eerdere sturen op aantallen vliegtuigbewegingen. Met het sturen op een afname van de civiele geluidscontour in plaats van op aantallen vliegtuigbewegingen, wordt concreet gewerkt aan vermindering van de geluidsoverlast voor de omgeving en ontstaan tegelijkertijd prikkels voor innovatie en de inzet van de meest stille en schone toestellen. Wanneer Eindhoven Airport beter dan de vastgestelde norm presteert, ontstaat er binnen de civiele geluidscontour ruimte voor groei. Door de ministeries van IenW en Defensie is het initiatief genomen voor de uitwerking van het nieuwe sturingsmodel. Hierbij zullen de regio, omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Een MER-procedure en wijziging van het Luchthavenbesluit Eindhoven zullen worden doorlopen.

Op het gebied van duurzame luchtvaart zal worden ingezet op de verdere uitvoering van het (ontwerp)akkoord van de Duurzame Luchtvaarttafel dat met de brief van 27 maart 2019 aan de Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 2018-2019, 31936, nr. 585). Hiertoe wordt gewerkt via actieprogramma’s, naar analogie van het actieprogramma hybride en elektrisch vliegen dat de Kamer 5 maart 2020 heeft ontvangen (Kamerstukken II 2019-2020, 31936, nr. 727). Voor de stimulering van het gebruik en de productie van duurzame brandstoffen – zoals biokerosine en synthetische kerosine – wordt primair ingezet een Europese bijmengverplichting. Hierover is de Kamer geïnformeerd met de brief van 3 maart 2020 (Kamerstukken II 2019-2020, 31936, nr. 726). Indien de invoering van een Europese verplichting niet (tijdig) kan worden gerealiseerd, zal Nederland er naar streven om per 2023 een nationale bijmengverplichting in te voeren. Nederland zet zich ook breder in voor Europees beleid. Met een kopgroep van EU-landen pleiten we voor meer ruimte voor en ondersteuning van radicale/disruptieve innovaties voor de verduurzaming van de luchtvaart. Ook zal in de EU besluitvorming plaatsvinden over de vormgeving van het EU ETS voor de luchtvaart na 2023. Hiertoe presenteert de Europese Commissie – naar verwachting in 2020 - een beoordeling van de werking van CORSIA en de mogelijke interactie met het EU ETS. In ICAO zet Nederland onder andere in op de verdere implementatie van het mondiale CO2 compensatie- en reductiesysteem (CORSIA) en op de ontwikkeling van een lange-termijn doelstelling voor CO2-reductie in de internationale luchtvaart.

In de begeleidende Kamerbrief bij de rapportage van de beleidsdoorlichting artikel 17 Luchtvaart (Kamerstukken II 2017-2018, 32 861, nr.28) werd als vervolgstap onder andere aangekondigd de aanscherping/aanpassing van de in artikel 17 opgenomen doelen, kengetalen en indicatoren. Omdat het wenselijk is dat deze vervolgstappen in overeenstemming zijn met het beleid van de nieuwe Luchtvaartnota, is in een verzamelbrief van 28 november 2018 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2018-2019 31 936, nr.526) uitgelegd dat de invulling van deze vervolgstappen parallel zal lopen met het traject van de nieuwe Luchtvaartnota. De uitwerking van deze vervolgstap zal in 2022 zichtbaar zijn in de begroting.

Tabel 42 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 17 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

37.066

165.900

24.515

23.067

10.186

8.793

11.572

Waarvan garantieverplichtingen

0

140.700

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

28.695

35.174

27.081

20.982

11.481

10.104

8.949

Waarvan juridisch verplicht

  

72%

    
        

1 Luchtvaart

28.695

35.174

27.081

20.982

11.481

10.104

8.949

Opdrachten

12.223

12.768

12.302

8.887

9.385

8.008

6.852

- Opdrachten GIS

909

1.195

1.178

1.175

1.175

1.173

0

- Caribisch Nederland

1.397

714

457

458

464

464

464

- Overige Opdrachten

9.917

10.859

10.667

7.254

7.746

6.371

6.388

Subsidies

3.953

3.615

6.723

5.451

565

565

566

- Leefbaarheidsfonds

1.000

407

407

0

0

0

0

- Subsidie tarieven Bonaire

649

747

425

425

0

0

0

- Subsidie omploegen graan

1.441

1.617

1.835

1.835

0

0

0

- Overige subsidies

863

844

4.056

3.191

565

565

566

Bijdrage aan agentschappen

4.649

6.974

6.477

5.165

52

52

52

- Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

14

14

14

0

0

0

0

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

213

351

460

62

52

52

52

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS tbv Caribisch Nederland

4.422

6.609

6.003

5.103

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

6.356

9.059

0

0

0

0

0

- Waarvan bijdrage Caribisch Nederland

6.356

9.059

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

1.255

1.454

1.479

1.479

1.479

1.479

1.479

- Waarvan bijdrage International Civil Aviation Organization

1.120

1.286

1.311

1.311

1.311

1.311

1.311

- Waarvan overige bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

135

168

168

168

168

168

168

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

259

1.304

100

0

0

0

0

        

Ontvangsten

1.631

1.806

1.280

1.490

1.275

1.415

1.555

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de Accijnsvrijstelling luchtvaartuigen en het btw nultarief voor internationaal personenvervoer. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de Fiscale regelingen’.

Budgetflexibiliteit

17.01 Luchtvaart

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer de opdrachten geluidsisolatie Schiphol (GIS), en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Beleidsondersteuning en advies (BOA) is het budget voor 2021, ultimo 2020 juridisch verplicht.

De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization (ICAO), aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC). Dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

De resterende niet-juridisch verplichte ruimte is belegd met de activiteiten uit de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota (Kamerstukken II 2010-2011, 31 936, nr. 47) en het Nederlands luchtvaartveiligheidsprogramma (NLVP) 2020 ‒ 2024 (Kamerstukken II 2019-2020, 24 808, nr. 116).

1 Luchtvaart

Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De geplande uitgaven voor 2021 en verder hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones, klachtenafhandeling en de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Opdrachten Caribisch Nederland

Het betreft de aanschaf van apparatuur en installaties ter bevordering van het veilig gebruik van de luchthavens en ter verbetering van de bedrijfsvoering. Tevens betreft het de financiering van diverse onderzoeken, opleidingen, workshops en de jaarlijks terugkerende kosten voor instandhouding van de luchtvaartpublicaties. In de periode van 2018-2022 betreft het ook de financiering van de wederopbouw van de Bovenwindse eilanden als gevolg van de geleden schade door de orkanen Irma en Maria in september 2017.

Overige opdrachten

1. Programma Schiphol

De ontwikkelingen op het luchtvaartdossier vragen om een integrale benadering voor de beleidsvorming over Schiphol. Omdat hiervoor een stevige extra inzet nodig is, is besloten een project Schiphol in te richten waarin een integrale aanpak wordt ontwikkeld voor de luchthaven. Een belangrijk aspect hiervan is het verankeren van politiek-bestuurlijke en juridische afspraken in regelgeving, hierbij gaat het in elk geval om het vaststellen van een LVB. In wetgeving en politiek bestuurlijke afspraken is opgenomen dat de ontwikkeling van Schiphol en de regionale luchthavens via juridische besluiten vastgelegd moet worden.

2. Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol vindt plaats binnen kaders van het regeerakkoord en de Kamerbrief van 5 juli 2019 over de Ontwikkeling Schiphol (Kamerstukken II, 2018-2019, 31 936, nr. 646). Het budget is bestemd voor opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol en aanpassing van de wet- en regelgeving, zoals de Wet luchtvaart, het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB).

3. OVV-follow-up

In 2021 wordt vervolg gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen van het de OVV (Onderzoeksraad voor Veiligheid) rapport uit 2017 conform de aanpak zoals beschreven in de brief van het ministerie aan de OVV van 11 oktober 2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2017-2018, 29 665, nr. 242) en daarop volgende voortgangsrapportages. Met deze aanpak versterkt het ministerie de rol als eindverantwoordelijke voor de veiligheid.

4. Lelystad

Lelystad Airport moet fungeren als overloopluchthaven voor Schiphol, zodat op Schiphol meer ruimte vrijkomt voor mainportgebonden verkeer. Omdat voor de openstelling van Lelystad Airport voor groot commercieel handelsverkeer een stevige extra inzet nodig is, is besloten een project Lelystad Airport in te richten. Belangrijke stappen waarvoor extra inzet nodig is zijn bijvoorbeeld het wijzigen van het Luchthavenbesluit, onderzoeken voor stikstof, het organiseren van een monitoringsprogramma, het publiceren van de Verkeersverdelingsregel (VVR) en de slots (Kamerstukken II 2017-2018, 31 936, nr. 462). Daarnaast is de luchtverkeersleiding ingeregeld. Als gevolg van de Corona crisis is besloten om de opening van Lelystad Airport met een jaar uit te stellen.

5. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Begin 2018 is het programma Luchtruimherziening van start gegaan met als doel de realisatie van een integrale, toekomstbestendige inrichting en beheer van het luchtruim, gebaseerd op een zorgvuldige afweging van publieke belangen, in samenwerking met (internationale) partners en in gerichte dialoog met de omgeving (stakeholders). Het programma wordt gezamenlijk uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Defensie, het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK), Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC). Het programma volgt een op Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) geïnspireerde aanpak, waarin participatie en internationale samenwerking centraal staan. In 2021 start de Planuitwerkingsfase en wordt het voorkeursalternatief verder uitgewerkt. Het doel is om uiterlijk 2023 verbeteringen te realiseren en een roadmap te ontwikkelen voor de periode tot 2035.

Door middel van jaarlijkse voortgangsbrieven wordt de voortgang gemeld van hoe en wanneer de luchtverkeersleidingsorganisaties uitvoering geven aan de beoogde luchtruimwijzigingen en aan de aanpassingen aan het luchtverkeersleidingsysteem. Daarnaast is de uitwerking van de verdergaande civiel-militaire samenwerking op het gebied van luchtverkeersdienstverlening een belangrijk aspect.

6. Omgevingsmanagement

Vanuit het ministerie staat een transparante en zorgvuldige besluitvorming voor luchtvaart voorop. De Luchtvaartnota en de opgaven voor de herziening van het luchtruim, Schiphol na 2020 en Lelystad zijn projectmatig opgezet. Dat maakt het mogelijk om te sturen op het gebied van de projectbeheersing, het risicomanagement en de planning en op het gebied van het omgevings- en besluitvormingsmanagement. De hiervoor gereserveerde middelen worden ingezet om op professionele wijze de benodigde expertise aan te trekken en voor het organiseren van de betrokkenheid van de omgeving. Concreet gaat het hierbij bijvoorbeeld om het organiseren van een evenement als de Luchtvaartdag of informatieavonden. Ook worden middelen ingezet voor de verwerking van zienswijzen.

7. State Safety Programme (SSP)

In 2021 wordt uitvoering gegeven aan het Nederlandse State Safety Programme ofwel het Nederlands Luchtvaartveiligheidsprogramma 2020-2024 en aan het bijbehorende SSP Actieplan 2021-2023. Dit gebeurt in belangrijke mate op basis van de in 2020 gestarte Nationale Veiligheidsanalyse voor de burgerluchtvaart. Gewerkt wordt aan het beheersen tot een acceptabel niveau van veiligheid voor de grootste veiligheidsrisico’s. Dat gebeurt voor elk van de drie luchtvaart-domeinen (1) Commerciële luchtvaart, (2) Kleine luchtvaart en (3) Onbemande luchtvaart. Veiligheidspromotie in den brede voor zowel overheid als sector speelt daarbij een belangrijke rol.

8. Verminderen risico op vogelaanvaringen

Uit de evaluatie van het vorige convenant over het verminderen van het vogelaanvaringsrisico op en rond Schiphol bleek dat de huidige genomen maatregelen om het risico van aanvaringen met vogels en met name ganzen te verminderen, effectief zijn en met enige aanpassing of aanvulling moeten worden gecontinueerd. Om die reden wordt het sinds 2012 toegepaste viersporenbeleid, met daaraan toegevoegd een gedegen monitoring, voortgezet. De vier sporen in dit beleid zijn de volgende:

  • Het technisch spoor: de inzet van en onderzoek naar technische middelen om vogels te detecteren en/of te verjagen.

  • Het ruimtelijk spoor: het voorkomen van nieuwe vogelaantrekkende bestemmingen rondom de luchthaven.

  • Het foerageer spoor: het beperken van het voedselaanbod voor vogels op en rondom de luchthaven.

  • Het populatie spoor: het beperken van de populatie en het aantal aanwezige overzomerende ganzen rondom Schiphol.

9. KDC

Er vindt opdrachtverlening plaats aan de Stichting Knowledge & Development Center (KDC)die kennis levert om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol.

10. Programma programmatische aanpak vliegtuiggeluid/meten en rekenen

In 2019 heeft het ministerie IenW aan de kennisinstituten RIVM, NLR en KNMI gevraagd om een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden om, rekening houdend met belevingsaspecten, verbeteringen door te voeren bij het meten en berekenen van vliegtuiggeluid. De resultaten van de verkenning, alsmede de daarop gebaseerde aanbevelingen, zijn in december 2019 gerapporteerd. In een beleidsreactie aan de Tweede Kamer d.d. (18 december 2019) (Kamerstukken II 2019-2020, nr. 31936-711) heeft de minister van IenW aangegeven dat alle aanbevelingen zullen worden opgevolgd. Deze aanbevelingen worden op een zodanige wijze uitgewerkt dat spoedig daarna tot realisatie kan worden overgegaan.

11. Onderzoeken Luchtvaartnota

Eind 2020 zal vermoedelijk gestart worden met de uitvoering van de Luchtvaartnota 2020-2050. In de Luchtvaartnota zijn verschillende onderzoeken voorzien die de aankomende jaren uitgevoerd moeten worden. Daarnaast zal invulling worden gegeven aan de monitoring en evaluatie van het beleid in de luchtvaartnota.

12. Cybersecurity

Het vergroten van de cyberweerbaarheid bij luchtvaartorganisaties is een continu aandachtspunt. De primaire verantwoordelijkheid voor het zorgdragen de continuïteit en weerbaarheid van netwerk- en informatiesystemen ligt bij de organisaties zelf. Het ministerie van IenW draagt vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid hieraan bij via algemene kaders (in beleid of in wet- en regelgeving, al dan niet voortvloeiend uit EU/internationaal verband) en initieert projecten/trajecten om de cyberweerbaarheid te verhogen.

13. Opdrachten elektrisch vliegen

Omdat veel innovaties op het gebied van hybride elektrisch vliegen nog niet klaar zijn voor de markt, is een financiële impuls vanuit de overheid van groot belang. De overheid kan de ontwikkeling op het gebied van hybride elektrisch vliegen stimuleren door middel van het verlenen van (onderzoeks)opdrachten en subsidies. Door financiële ondersteuning kan de innovatie versnellen door onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologieën. Daarnaast biedt het kansen aan de Nederlandse (maak)industrie, is het nodig om mee te kunnen doen aan Europese programma’s en in de internationale kopgroep voor hybride elektrisch vliegen. 

14. Opdrachten versterking omgevingskwaliteit regionale luchthavens

Voor de regionale luchthavens Eindhoven Airport, Rotterdam The Hague Airport, Groningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport worden de komende jaren nieuwe gebruiksvergunningen vastgesteld en moet worden gekomen tot afspraken voor de ontwikkeling van die luchthavens. Leidend daarbij zijn de uitgangspunten uit de nieuwe Luchtvaartnota. Er wordt een beroep gedaan op het Rijk om invulling te geven aan de te maken afspraken en het realiseren van ambities, bijvoorbeeld bij het vormgeven van een overlegstructuur rond Eindhoven Airport. Daarnaast doet het Rijk een bijdrage aan het realiseren van maatregelen gericht op geluid, luchtkwaliteit, veiligheid, passend bij de ambities van de Luchtvaartnota voor alle luchthavens.

15. Onbemande luchtvaart (drones)

Er is een actieprogramma om te zorgen dat de economische kansen voor bedrijven wordt vergroot en meer maatschappelijke toepassingen gerealiseerd. Drones brengen ook risico’s met zich mee. De acties zorgen voor ruimte aan operaties en innovaties met drones en tegelijkertijd het controleren van de risico’s van dronegebruik. Belangrijkste stappen in het programma zijn: volledige integratie van drones in het luchtruim met onbemand vrachtvervoer en personenvervoer door in te zetten op de ontwikkeling van U-space, het verbeteren van dynamische kaarten, zonering en het registreren van operators en piloten, alsmede kennisontwikkeling en onderzoek voor het gebruik in steden van «urban airtaxis» als onderdeel van de «smart mobility» en «mobility as a service» ontwikkelingen

16. Opdrachten klimaatbeleid

De overheid beoogt de duurzame ontwikkeling van de luchtvaart te versterken. Opdrachten zijn in dit kader bedoeld voor fundamenteel onderzoek, het verrichten van haalbaarheidsstudies, het opzetten van pilots/demo’s en het creëren van de juiste randvoorwaarden voor zowel de productie van verschillende (nieuwe) typen duurzame brandstoffen als het versnellen van duurzame innovaties (zoals hybride/elektrische aandrijving, nieuwe voertuigontwerpen en materialen). De middelen worden ingezet voor bredere kennisontwikkeling, bijvoorbeeld ten aanzien van de klimaatimpact van andere emissies dan CO2.

Subsidies

Versneld onderwerken graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol.

Eén van de sporen in de aanpak om het risico van vogelaanvaringen op Schiphol te reduceren is het beperken van voedselaanbod in de omgeving van de luchthaven. De afgelopen jaren was er een subsidieregeling voor het bijdragen aan het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. Met ingang van 1 januari 2018 is voor de periode 2018-2022 een nieuwe regeling van kracht op grond waarvan een vergoeding verstrekt kan worden. Agrarische ondernemers kunnen op vrijwillige basis deelnemen, met de deelnemers worden overeenkomsten gesloten.

Omgevingsraad Schiphol en Commissies Regionaal Overleg (CRO)

IenW draagt financieel bij aan de activiteiten van de Omgevingsraad Schiphol (ORS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden, luchtvaartpartijen en brancheorganisaties met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. De jaarlijkse bijdrage bedraagt maximaal € 264.000. IenW investeert in lijn met de nieuwe Luchtvaartnota in de verdere professionalisering van de CRO’s van de regionale luchthavens van nationale betekenis (Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam ) en in de kennisopbouw en kennisvergroting, alsmede in het empoweren van de deelnemers (kennis/expertise). Uit de evaluatie van de CRO’s van mei 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, nr. 31936, nr. 488) blijkt dat de governance van CRO’s op orde is, maar dat er vanwege de grotere maatschappelijke aandacht en de trajecten op weg naar vast te stellen luchthavenbesluiten behoefte is aan extra budget. In 2021 is de rijksbijdrage per commissie verhoogd tot maximaal € 70.000.

Leefbaarheidsfonds

Bij de afnemende mogelijkheden van hinderbeperking is de tweede tranche van het leefbaarheidsfonds een belangrijke impuls voor de inpassing van de luchthaven Schiphol in haar omgeving. De partijen Schiphol, de provincie Noord-Holland en het Rijk hebben afgesproken om in totaal € 30 miljoen voor een tweede fase ter beschikking te stellen aan de Stichting Leefomgeving Schiphol. Het Rijk stelt maximaal € 10 miljoen ter beschikking, hiervan is in voorgaande jaren € 9,6 miljoen verstrekt. In 2021 wordt nog maximaal € 0,4 miljoen verstrekt.

Subsidie Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg

IenW stelt een subsidie beschikbaar aan de Stichting Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg voor de behandeling van klachten over de vliegbasis Geilenkirchen (AWACS) en de andere buitenlandse luchthavens in de grensregio met Limburg (Weeze-Niederrhein, Luik-Bierset). Gezien de specifieke situatie heeft IenW hiertoe besloten. Het gaat om buitenlandse luchthavens die milieueffecten hebben op Nederlands grondgebied, waarbij specifiek voor de vliegbasis Geilenkirchen sprake is van een bijzonder rijksbelang (militaire bescherming van ons land in NAVO-verband) en relatief hoge geluidsoverlast vanwege de AWACS-vliegtuigen. Voor de periode 2018-2021 bedraagt de subsidie jaarlijks maximaal € 75.000.

Verbeteren luchtvaartveiligheid Zuidoost Afrika

In de periode tot en met 2022 wordt jaarlijks maximaal € 50.000 beschikbaar gesteld aan de stichting AviAssist ten behoeve van het verbeteren van de luchtvaartveiligheid in de regio Zuidoost Afrika. IenW heeft het initiatief genomen om te zorgen dat in die regio kennis over luchtvaartveiligheid wordt gedeeld, maar vooral goed gebruikt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstellingen ten aanzien van luchtvaartveiligheid zoals neergelegd in het State Safety Programme.

Ondersteuning luchtverkeersdienstverlening Bonaire

Om een onaanvaardbare stijging in de tarieven voor het gebruik van luchtverkeersdienstverlening op en rond Bonaire International Airport voor de periode 2020-2022 te voorkomen, zal IenW een deel van de kosten voor het leveren van de dienst door Dutch Caribbean Air Navigation Service Provider (dc-ANSP) dekken via subsidiering. Zonder deze bijdrage zouden de tarieven dusdanig sterk stijgen dat een mogelijke verstoring van de markt zal optreden, met bijbehorend negatief effect op de lokale gemeenschap. De bijdrage in 2021 bedraagt maximaal € 0,425 miljoen.

Leefbaarheidsfonds Eindhoven

Voor de jaren 2021 tot en met 2024 is een bedrag van jaarlijks ten hoogste €50.000 bestemd voor de verlening van een subsidie aan de Stichting Leefbaarheid Luchthaven Eindhoven. De subsidie is bedoeld als financiële ondersteuning van milieugerelateerde activiteiten ter bevordering van de leefbaarheid in de omgeving van de luchthaven Eindhoven.

Bovenstaande begrotingsvermeldingen voor de Omgevingsraad Schiphol en Commissies Regionaal Overleg, Leefbaarheidsfonds, Klachtentelefoon luchtverkeer Limburg, verbeteren luchtvaartveiligheid Zuidoost Afrika, ondersteuning luchtverkeersdienstverlening Bonaire en leefbaarheidsfonds Eindhoven, vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Incidentele subsidies

1. Subsidie luchthaven Twente

Area Development Twente (ADT) ontvangt van IenW een subsidie van maximaal € 0,9 miljoen voor het doen van luchtzijdige investeringen voor de ontwikkeling van luchthaven Twente (onder de voorwaarde dat de bijdrage voldoet aan de regels voor staatssteun) en voor het laten uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden voor een remote tower concept voor luchtverkeersdienst-verlening. Deze subsidie vloeit voort uit het amendement Koopmans (Kamerstukken II 2007-2008, 31200 XII, nr. 60) en geeft invulling aan de afspraken uit de Bestuursovereenkomst Gebiedsontwikkeling Vliegveld Twente (Bijlage bij Kamerstukken II 2009-2010, 31 936, nr. 17). Het subsidiedeel voor het onderzoek naar remote control (€ 0,15 miljoen) werd in voorschot verstrekt en is in 2019 vastgesteld.

2. Subsidies hybride elektrisch vliegen

Omdat veel innovaties op het gebied van hybride elektrisch vliegen nog niet klaar zijn voor de markt, is een financiële impuls vanuit de overheid van groot belang. De overheid kan de ontwikkeling op het gebied van hybride elektrisch vliegen stimuleren en versnellen door middel van het verlenen van subsidies. De middelen zullen ook worden ingezet voor bredere kennisontwikkeling, bijvoorbeeld ten aanzien van de klimaatimpact van andere emissies dan CO2.

3. Subsidies Klimaatbeleid

De overheid beoogt de duurzame ontwikkeling van de luchtvaart te versterken. Met investeringen in schone energie en o.a. technologische innovaties wordt een impuls gegeven aan de transitie naar een toekomstbestendige duurzame petrochemische- en maakindustrie in Nederland. De middelen zullen ook worden ingezet voor bredere kennisontwikkeling.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving voor de vliegveiligheid en voor de wederopbouw van de Bovenwindse Eilanden als gevolg van de geleden schade door de orkanen Irma en Maria in september 2017.

Daarnaast betreft het investeringen voor de aanleg van platformen Bonaire. Deze investeringen zijn nodig om te kunnen voldoen aan internationale ICAO veiligheidsstandaarden.

Er zal worden overgegaan tot de aanschaf van rescueboten. Het ontbreken hiervan is een groot veiligheidsrisico bij een onbedoelde landing op zee (crash).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Kroatië, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) wordt in 2021 een bedrag uitgegeven van circa € 1,5 miljoen, waarvan € 1,3 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). 

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)

Voortvloeiend uit de afspraken die gemaakt zijn in de ‘Overeenkomst betreffende de operationaliteit voor civiel medegebruik van de militaire radar bij Soesterberg’ wordt ten behoeve van het operationeel houden van de Soesterbergradar voor de vliegveiligheid op en rond de luchthaven Schiphol, een bijdrage van € 0,1 miljoen verstrekt aan Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).

Garantie LVNL

Het luchtvaartbegeleidingssysteem van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) nadert het einde van zijn technische levensduur en dient te worden vervangen. Daarnaast wordt een uitbreiding van de huisvesting voorzien. Hiervoor gaat LVNL bij het ministerie van Financiën (Fin) leningen aan voor een totaalbedrag van € 201 miljoen. In het kader van de regelgeving met betrekking tot schatkistbankieren stelt IenW zich garant voor deze leningen. Daarnaast stelt IenW zich garant voor de rekening courant verhouding met Fin voor een bedrag van € 165 miljoen.

3.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 20) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat (RWS) voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor gelijke normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde Maritieme Strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van milieu, veiligheid, marktordening, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid van het transport over water.

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

    Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Tabel 43 Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Streef-waarde 2020 en 2021

2015

2016

2017

2018

2019

Hoofdtransportas

69%

70%

68%

66%

66%

63%

65%

85%

Hoofdvaarweg

80%

80%

80%

80%

80%

75%

77%

75%

Overige vaarwegen

92%

92%

91%

91%

88%

87%

85%

70%

Bron: RWS, 2020

Toelichting

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overigens wel (ruim) voldoende.

Tabel 44 Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
   

Basis waarde 2005

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Totaal Nederlandse Zeehavens

  

44,9

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

48,3

47,9

50,3

50,4

Mainport Rotterdam

  

34,9

36,3

37

36,6

36,2

37,3

37,6

37,2

36,8

36,6

Overige Nederlandse Zeehavens

  

10

10,9

10,9

10,9

11

10,8

10,7

10,7

13,5

13,8

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad; 2011-2015 IenW; > 2016 Havenbedrijf Rotterdam

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Het «Totaal Nederlandse Zeehavens» kent een kleine stijging van het marktaandeel. Rotterdam kende in 2019 een beperkte groei in tonnen (+ 0,4 mln ton, +0,1%), waar Antwerpen (de 2e haven van NW Europa) een plus van 1,5% noteerde (+ 3 mln ton). Daardoor nam het relatieve marktkaandeel licht af. In absolute zin is Rotterdam nog met afstand de grootste haven (469,4 mln ton, Antwerpen 238,3 mln ton). De overslag van massagoed (zowel droog als nat) nam licht af t.o.v. 2018 (m.n. minder kolen resp. minerale olieproducten). Het containersegment nam toe met 2,5% tot 153 mln ton/14.8mln TEU).

Tabel 45 Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

          

Aantallen

         

Handelsvaart

769

800

822

808

790

771

761

757

744

Zeesleepvaart

235

247

260

258

275

288

291

299

302

Waterbouw

156

169

168

167

171

171

176

168

170

Totaal

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

1.230

1.228

1.224

1.216

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

         

Handelsvaart

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

6.411

6.275

6.229

6.242

Zeesleepvaart

290

362

347

360

409

423

444

532

531

Waterbouw

513

531

533

537

531

542

572

545

552

Totaal

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

7.376

7.291

7.306

7.325

          

Aantallen

         

Handelsvaart

422

408

403

403

432

451

458

474

507

Zeesleepvaart

456

477

498

519

512

502

499

496

496

Waterbouw

55

55

52

52

62

62

63

57

69

Totaal

933

940

953

974

1.006

1.015

1.020

1.027

1.072

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

         

Handelsvaart

5.232

5.072

5.517

5.987

6.500

7.203

7.700

8.086

8.675

Zeesleepvaart

1.298

1.640

1.612

1.643

1.740

2.239

1.706

1.779

1.721

Waterbouw

210

264

248

285

312

322

328

319

333

Totaal

6.740

6.976

7.377

7.915

8.552

9.764

9.734

10.184

10.729

1

Schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2020. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar ook van externe factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Tabel 46 Kengetal: Scheepvaartongevallen Nederlandse deel van de Noordzee1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Zeer ernstige scheepsongevallen

4

2

0

0

2

2

1

5

Ernstige scheepsongevallen

15

13

12

11

8

12

10

4

Andersoortige scheepsongevallen

46

44

28

21

49

16

32

31

Totaal aantal ongevallen

65

59

40

32

59

30

43

40

         

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

13

3

0

0

0

1

0

3

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

6

2

0

2

3

3

0

4

1

Inclusief vissersvaartuigen, recreatievaart en Nederlandse en buitenlandse koopvaardij.

Tabel 47 Scheepvaartongevallen Nederlandse binnenwateren
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

(Zeer) ernstige scheepsongevallen

161

136

138

158

164

161

176

160

Andersoortige ongevallen

802

858

877

892

1163

961

1173

1117

Totaal aantal ongevallen

963

994

1015

1050

1327

1122

1349

1277

         

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

4

9

4

6

7

8

2

5

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

58

27

44

35

38

33

53

71

Bron: RWS 2019, Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS

Toelichting

In 2019 zijn op het Nederlandse deel van de Noordzee 5 ZESO’s (zeer ernstige) en 4 ESO’s (ernstige scheepsongevallen) geregistreerd. De ZESO’s zijn als volgt onderverdeeld: koopvaardij (1), visserij (1) en recreatievaart (3). Er zijn in totaal drie dodelijke slachtoffers gevallen bij de vijf zeer ernstige scheepsongevallen.

Op de Nederlandse binnenwateren (inclusief de zeehavens) zijn in 2019 in totaal 1277 ongevallen geregistreerd, waarvan 160 (zeer) ernstige scheepsongevallen. Hierbij was sprake van grote materiële schade aan schip, lading of infrastructuur, met milieuschade, stremming van de vaarweg of (in uitzonderlijke gevallen) doden en zwaargewonden als gevolg. Op de Nederlandse binnenwateren waren in 2019 5 dodelijke slachtoffers te betreuren.

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015–2025 (Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 70) ingezette koers wordt ook in 2021 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de Maritieme Strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een op 22 februari 2018 vastgesteld werkprogramma, waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd (Kamerstukken II 2017-2018, 31 409, nr. 184). Het werkprogramma heeft een doorlooptijd tot en met 2021 en adresseert voor 2021 onder meer de volgende onderwerpen: verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart, vergroening zeevaart/binnenvaart en beroepskwalificaties binnenvaart. Onderwerpen op het gebied van vergroening van de zee- en binnenvaart worden inmiddels opgepakt via de op 11 juni 2019 tot stand gekomen Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens.

Met de op 11 juni 2019 tot stand gekomen Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens heeft de Minister de eerste stap gezet in de lange termijntransitie naar een klimaatneutrale en emissieloze scheepvaart. Om dat te realiseren nemen overheid en maritieme sector vele tientallen acties op zich die de komende jaren tot resultaat zullen leiden.

Eén van de belangrijkste acties richt zich op de uitwerking van een labelsysteem voor de binnenvaart, waarmee de milieuprestatie van een binnenvaartschip kan worden geduid. Ook wordt gewerkt aan een regeling voor investeringssubsidies waarmee de aanschaf van schone motoren in de binnenvaart wordt gestimuleerd. Deze investeringsregeling is inmiddels uitgebreid naar de aanschaf van katalysatoren vanuit de permanente aanpak stikstofproblematiek. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2019-2020, 35334 nr. 82). Voor de zeevaart spant IenW zich in voor de invoering van een mondiale CO2-heffing. Voor 2021 zijn de volgende mijlpalen voorzien: uitvoering geven aan het resultaat van het CCR-onderzoek naar een Europees vergroeningsfonds voor de binnenvaart (onder voorbehoud effect Covid-19 crisis op opstelling bij onderzoek betrokken lidstaten), afschaffing van de energiebelasting op walstroom en implementatie van de RED II richtlijn.

Op 30 maart 2020 is de ontwerp Havennota naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2019-2020, 31 409 nr. 274). De ontwerp Havennota zet in op de kansen, opgaven en belangen met als doel de krachtige positie van de havens in onze delta-economie te behouden en te versterken zodat de toegevoegde waarde, de bijdrage aan het nationale verdienvermogen en de werkgelegenheid van de zee- en binnenhavens ook in een onzekere toekomst behouden blijven. Medio zomer 2020 zal de Havennota definitief worden vastgesteld. In 2021 vindt uitvoering van acties uit de Havennota plaats, in aansluiting op en met samenvoeging van de acties uit het Werkprogramma Maritieme Strategie en Zeehavens 2018-2021.

Tabel 48 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 18 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

35.641

45.393

20.187

22.651

25.192

26.847

9.551

        

Uitgaven

57.139

61.442

21.087

23.099

25.640

27.295

9.999

Waarvan juridisch verplicht

  

92%

    
        

1 Scheepvaart en havens

57.139

61.442

21.087

23.099

25.640

27.295

9.999

Opdrachten

19.452

25.440

6.070

6.081

6.127

7.782

1.906

- Caribisch Nederland

797

165

100

100

100

100

100

- Topsector logistiek

15.778

15.804

425

0

0

0

0

- Overige Opdrachten

2.877

9.471

5.545

5.981

6.027

7.682

1.806

Subsidies

5.756

11.235

12.000

14.000

16.000

16.000

5.000

- Topsector Logistiek

4.189

1.795

0

0

0

0

0

- Verduurzaming binnenvaart

1.428

4.000

12.000

14.000

16.000

16.000

5.000

- Stimulering elektrisch varen

0

5.440

0

0

0

0

0

- Overige subsidies

139

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

1.608

1.704

1.454

1.455

1.950

1.950

1.530

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.498

1.454

1.454

1.455

1.950

1.950

1.530

- Overige bijdragen aan agentschappen

110

250

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

28.701

21.500

0

0

0

0

0

- Waarvan bijdrage Caribisch Nederland

28.701

16.750

0

0

0

0

0

- Waarvan overige bijdrage aan medeoverheden

0

4.750

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

1.622

1.563

1.563

1.563

1.563

1.563

1.563

- Waarvan bijdrage aan CCR/IMO (HGIS)

1.123

1.064

1.064

1.064

1.064

1.064

1.064

- Waarvan overige bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

499

499

499

499

499

499

499

        

Ontvangsten

427

884

0

0

0

1.764

0

Extracomptabele verwijzingen
Tabel 49 Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk HXII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet

1.224.655

1.098.868

1.021.013

993.155

984.619

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet

90.877

23.860

2.404

9.131

3.698

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet

1.315.532

1.122.728

1.023.417

1.002.286

988.317

waarvan

      

15.01

Verkeersmanagement

10.501

9.993

9.332

9.129

8.976

15.02

Beheer onderhoud en vervanging

380.629

319.691

340.130

371.368

377.723

15.03

Aanleg

296.156

331.684

249.356

207.832

197.106

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

267.985

98.029

63.555

53.707

53.830

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

360.261

363.331

361.044

360.250

350.682

       
Tabel 50 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk HXII aan artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

460

663

663

663

663

Andere ontvangsten van artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

     

Totale uitgaven op artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

460

663

663

663

663

waarvan

      

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

460

663

663

663

663

Tabel 51 Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

waarvan

      

20.05.1

Investeringsruimte Vaarwegen

     

Voor de periode 2020-2024 staan geen bedragen geraamd en zijn derhalve geen bedragen zichtbaar.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Accijnsvrijstelling communautaire wateren

  • Willekeurige afschrijving zeeschepen

  • Btw-nultarief voor internationaal personenvervoer

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 52 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

 

2019

2020

2021

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

119

117

115

Afdrachtvermindering zeevaart

109

109

109

Budgetflexibiliteit

18.01 Scheepvaart en havens

De bijdragen aan agentschappen en internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter.

Voor de Topsector Logistiek is het opdrachtenbudget volledig juridisch verplicht.

Het beschikbare budget voor verduurzaming en innovatie van de binnenvaart en zeevaart (uitvoering Green Deal) is volledig juridisch verplicht.

Van het overige opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor beleidsonderzoek gericht op onder meer binnenvaart, zeevaart, zeehavens en Caribisch Nederland.

1 Scheepvaart en havens

Opdrachten

  • Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is het benodigde budget begroot.

  • Het werkprogramma Maritieme Strategie en Zeehavens 2018-2021 is vanaf 2018 als onderdeel van het integrale werkprogramma ter uitvoering van de Maritieme Strategie doorgezet.

  • Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in International Maritime Organization (IMO)- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving).

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van de arbeidsmarkt, het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen en het wegnemen van knelpunten in de relevante wetgeving. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

  • De uitvoering van de acties uit de Ontwerp Havennota verlopen via het reguliere opdrachtenbudget met aansluiting op het Werkprogramma Zeehavens.

  • Opdrachten binnen de actielijn Integrale corridorbenadering uit de Goederenvervoeragenda worden vanuit deze middelen bekostigd.

  • Voor de uitvoering van de Green Deal is budget beschikbaar voor verduurzaming en innovatie van de binnenvaart en zeevaart.

  • Voor de uitvoering van de Digitale Transport strategie is budget beschikbaar voor onderzoek naar een geschikte architectuur om data delen tussen overheden en bedrijven mogelijk te maken.

  • IenW heeft bij het Regeerakkoord Rutte III middelen gekregen om de cybersecurity verder te ontwikkelen. Het betreft een deel van de zogenaamde VNAC-gelden (Verkenning Nationaal Actieprogramma Cybersecurity). Overkoepelende coördinatie voor de besteding van deze middelen ligt bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Net zoals in 2019 en 2020 zullen ook in 2021 middelen voor de Versterking Nationale Aanpak Cybersecurity (VNAC) worden ingezet om onder andere de cyber awareness binnen de maritieme sector te vergroten en het toezicht verder vorm te geven.

  • Voor de Topsector Logistiek worden in 2021 opdrachten uitgevoerd onder regie van het Topteam Logistiek. De opdrachten en subsidies hebben betrekking op de volle breedte van de logistieke sector, dat wil zeggen op alle modaliteiten. Voor de periode 2021-2023 is een nieuw uitvoeringsprogramma in voorbereiding.

Subsidies

Vanuit de structurele aanpak stikstofproblematiek is € 79 miljoen (voor de periode 2020 tot 2030) toegevoegd aan het budget ter verduurzaming van de binnenvaart uit de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Dit extra geld zal worden ingezet tussen nu en 2030 voor subsidiëren van Selective Catalytic Reduction (SCR)-katalysatoren voor binnenvaartschepen. 

Bijdrage aan agentschappen

In het kader van beleidsondersteuning en advisiering zijn met RWS afspraken gemaakt over werkzaamheden, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft in 2020 onder andere middelen voor de wederopbouw van Caribisch Nederland ten behoeve van de zeehaven Saba (€ 14,8 miljoen) en budget afkomstig uit incidentele suppletoire begroting economische coronamaatregelen Caribisch Nederland voor een pilot ferry verbinding (€ 2 miljoen). Daarnaast betreft het een bijdrage aan de gemeente Tilburg voor de optimalisatie van de binnenvaartinfrastructuur om het bereiken van een modal shift op de corridor naar Rotterdam en Venlo te bespoedigen.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt IenW in totaal € 1,07 miljoen aan contributies in het kader van Maritieme Zaken. Hiervan gaat circa € 0,5 miljoen contributie naar de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie naar de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast worden bijdragen gedaan aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), Regional Cooperation Agreement on Combating Piracy and Armed Robbery against Ships in Asia (ReCAAP), de Donaucommissie en de North Atlantic Ice Patrol.

Door de internationale brancheorganisaties in de binnenvaart is met een beroep op de gelden uit het reservefonds het European IWT-platform opgericht. Uit het Nederlandse deel van het door de sector opgebouwde fonds zal gedurende 10 jaar (2017-2026) een bedrag van € 450.000 per jaar aan het IWT uitgekeerd worden.

3.7 Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

IenW zet zich in het internationale domein in voor een klimaatbestendige en duurzame infrastructuur en leefomgeving. Zo heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (Sustainable Development Goals/SDG's), waardoor de Nederlandse innovaties en kennis ook buiten de landgrenzen kunnen worden ingezet voor het realiseren van die doelen.

Met het agenderen van onderzoek en beleid, de ontwikkeling van internationale beleidsinstrumenten, de uitwisseling van kennis en expertise, het creëren van draagvlak en het versterken van marktkansen voor de Nederlandse IenW-sectoren, zet IenW gericht in op internationale samenwerking met overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen om de klimaatweerbaarheid, duurzaam waterbeheer, slimme en groene mobiliteit en circulaire economie in binnen- en buitenland te versterken.

Regisseren

De Minister van IenW regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale transport- en milieubeleid. Meer specifiek is de Minister van IenW verantwoordelijk voor:

  • De uitvoering van de voor IenW relevante SDG's uit de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling en de verantwoording aan de Tweede Kamer daarover.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenW-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Transport- en Milieuraad van de EU, de UNECE, de OESO, OESO-ITF en UN Environment.

  • Het opstellen en uitdragen van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema's.

  • De nationale en Europese beleidscoördinatie op het gebied van satellietnavigatie en de IenW-inzet op het gebruik van satellietdata en satellietnavigatie.

Het internationale IenW-beleid vindt niet alleen zijn grondslag in dit beleidsartikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenW zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

De Minister van IenW ontplooit ook diverse activiteiten om de nationale doelen van de transities naar een circulaire economie, een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving en duurzame mobiliteit te versterken door verbinding met internationale activiteiten.

  • Het onderhouden van een netwerk met lidstaten, EU-instellingen en mondiale organisaties, denktanks en non-gouvernementele organisaties. Dit netwerk is cruciaal om tijdig (nieuwe) internationale ontwikkelingen te signaleren die van invloed (kunnen) zijn op de IenW-terreinen en het ontwikkelen van een visie en strategie voor de internationale beleidsinzet.

  • Voor ondersteuning van beleidsontwikkeling neemt IenW deel aan diverse bilaterale en multilaterale overleggen (formeel en informeel) gericht op de totstandkoming van coalities met gelijkgezinde landen.

  • Gerichte financiële ondersteuning van het werk van (inter)nationale organisaties die zich inzetten voor de bevordering van internationale samenwerking en overdracht/uitwisseling van kennis.

  • Ten slotte zet IenW samen met andere deelnemende staten en actoren in op het bevorderen van concrete internationale samenwerking en activiteiten in internationale multi-stakeholderpartnerschappen.

(Doen) Uitvoeren

IenW heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De opdrachtverlening en de bijbehorende budgetten aan het RIVM en de RVO worden binnen IenW op één plaats verantwoord en centraal gecoördineerd. Doel hiervan is het verbeteren van overzicht op en flexibiliteit binnen de totale opdracht, kwaliteitsverbetering van het hele opdrachtproces (goed opdrachtgeverschap) en terugdringen van de administratieve lasten.

Indicatoren/kengetallen

De IenW-ambities kunnen door de hoge mate van verwevenheid met de internationale arena alleen maar effectief worden gerealiseerd in internationaal verband. Dit is niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. Het opnemen van kwantitatieve meetbare indicatoren gerelateerd aan het te realiseren doel is in dit verband zelden relevant of toepasselijk. Waar mogelijk zijn deze opgenomen bij de operationele doelen.

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van internationaal beleid worden beschreven in de beleidsagenda. De internationale taken van IenW zijn bij verschillende dienstonderdelen belegd en worden op diverse begrotingsartikelen gepresenteerd en verantwoord

Tabel 53 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art.19 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

54.909

60.887

45.279

45.337

44.435

44.632

44.674

        

Uitgaven

55.891

63.044

46.205

45.628

43.576

43.573

43.615

Waarvan juridisch verplicht

  

96%

    
        

2 Internationaal beleid coördinatie en samenwerking

55.891

63.044

46.205

45.628

43.576

43.573

43.615

Opdrachten

5.324

10.246

5.870

6.699

6.617

6.617

6.658

- Waarvan uitvoering HGIS

1.722

5.901

1.083

1.875

2.200

2.200

2.200

- Waarvan overige opdrachten

3.602

4.357

4.787

4.824

4.417

4.417

4.458

Subsidies

292

480

251

247

247

247

247

Bijdrage aan agentschappen

46.155

46.910

35.615

36.213

34.568

34.565

34.566

- Waarvan bijdrage aan RIVM

29.873

28.749

24.104

24.702

23.619

23.616

23.616

- Waarvan bijdrage aan RIVM (programma)

4.829

7.354

3.992

4.021

3.457

3.457

3.458

- Waarvan bijdrage aan RVO

9.220

9.516

7.264

7.234

7.235

7.235

7.235

- Waarvan bijdrage aan RWS

337

326

142

142

142

142

142

- Waarvan bijdrage aan KNMI

75

0

0

0

0

0

0

- Waarvan overige bijdragen aan agentschappen

1.821

965

113

114

115

115

115

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

4.120

4.008

2.469

2.469

2.144

2.144

2.144

Bekostiging

0

1.400

2.000

0

0

0

0

        

Ontvangsten

5.780

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

De financiering van de in voorgaande jaren aangegane verplichtingen in het kader van de uitvoering van de opdrachten aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en RIVM zijn juridisch verplicht. Deze bijdragen hebben een structureel karakter. Ook de bijdrage aan de doorontwikkeling van het satellietinstrument TROPOMI is meerjarig juridisch verplicht. De bijdrage aan internationale organisaties is grotendeels juridisch verplicht. Het betreft hier uitgaven op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken. Deels zijn deze structureel van aard.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor opdrachten die worden verstrekt voor wetenschappelijk (inter)nationaal onderzoek, onderzoekprogramma’s en toekenningen aan (inter)nationale organisaties die een bijdrage leveren aan de internationale beleidsdoelstellingen op het gebied van milieu- en ruimtevaartbeleid.

2 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft op het gebied van ruimtevaart een bijdrage aan de exploitatie van het satellietinstrument TROPOMI dat klimaat- en luchtkwaliteitsdata levert. Voor het benutten van de innovatiecapaciteit van data afkomstig van satellietinstrumenten wordt een pilotprogramma samen met het Netherlands Space Office opgezet waarin onderzoeksvragen worden uitgewerkt en pilotprojecten worden uitgevoerd.

Binnen de beleidsverantwoordelijkheid voor de Europese programma’s voor satellietnavigatie (Galileo en EGNOS) wordt samengewerkt met kennis- en uitvoeringsorganisaties aan de ontwikkeling van de Europese infrastructuur en op het toekomstige beheer van de overheidsdienst van Galileo. Ook worden de middelen aangewend voor activiteiten in het kader van internationale diplomatie, waaronder het uitvoeren van missies voor het bedrijfsleven en het ondersteunen en faciliteren van delegaties en internationale bijeenkomsten.

Subsidies

Interreg

Interreg is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland (waaronder de stimulering van de deelname door Nederlandse partners) gefinancierd. Hiermee wordt de deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg bevorderd. Dit betreft uitgaven in het kader van subsidieregelingen ter stimulering van deelname door Nederlandse partners aan de Europese Interreg-subsidieprogramma’s Europe, North West Europe en North Sea Region. Via de PSR-regeling (Projectstimuleringsregeling Interreg V; Stcrt. 2015, 10986) worden subsidies verstrekt in de voorbereiding en indiening van Interreg-projectvoorstellen. Via de Cofinancieringsregeling (Stcrt. 2015, 30863) kunnen partners een bijdrage krijgen in hun aandeel in de projectkosten. De laatste projecten binnen het huidige programma (2014-2020) worden uiterlijk in 2023 afgerond.

Bijdrage aan agentschappen

RIVM en RVO

IenW heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (uitvoering van wettelijke taken en beleid onderbouwend onderzoek). De opdrachtverlening en de bijbehorende budgetten aan het RIVM en de RVO worden binnen IenW op één plaats verantwoord en centraal gecoördineerd. Dit betreft uitvoering van subsidieregelingen en –programma’s en beleidsondersteunende werkzaamheden (zoals beleidsadviezen) door de RVO. Het RIVM voert als kennisinstituut op het gebied van milieuproblematiek beleidsvoorbereidend en -onderbouwend onderzoek uit. Daarnaast ondersteunt het RIVM het milieubeleid bij een groot aantal (vaak wettelijk vastgelegde) reguliere taken, zoals monitoring- en rapportageverplichtingen en stoffenbeoordelingen.

RWS

Dit betreft de bijdrage voor capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van de Antarcticaregelgeving en enkele ondersteunende activiteiten in het kader van het internationale beleid van IenW.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het Ministerie van IenW kent op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken financiële bijdragen toe aan (inter)nationale organisaties. Dat is nodig om de kosten te dekken van de doorlopende ontwikkeling van het desbetreffende verdrag of de organisatie. In onderstaande tabel zijn de (verwachte) bijdragen en contributies voor 2021 vermeld.

Tabel 54 Bijdragen (inter)nationale organisaties

Bedragen x € 1.000

United Nations Environment Programme (UNEP)

615

VNECE CLRTAP-verdrag (grensoverschrijdende luchtverontreiniging)

83

VNECE CLRTAP Coordination Centre for Effects

90

VNECE PRTR-verdrag (emissieregisters)

20

Verdrag van Rotterdam (melding vooraf export chemicaliën)

50

Verdrag van Stockholm (persistente organische stoffen)

95

Verdrag van Bazel (overbrenging gevaarlijk afval)

95

OESO Programme on Chemical Accidents (voorkomen en bestrijden van gevolgen van chemische ongelukken)

35

Cartagenaprotocol (verdrag over veiligheid van grensoverschrijdend vervoer van levende ggo's)

50

VNECE Aarhus-verdrag (toegang tot informatie, besluitvorming en rechter)

50

VNECE Helsinki-verdrag (bescherming tegen industriële ongevallen)

30

Verdrag van Minamata (Uitfasering kwik)

70

China Council (adviesraad voor duurzame ontwikkeling)

100

Control of Chemicals (OESO) (veiligheid van chemische producten)

20

International Transport Forum (ontwikkelingen op vervoersgebied)

178

International Resource Panel (informatie over gebruik natuurlijke hulpbronnen)

100

Urban mobility (export van fietsinfrastructuur)

125

Totaal

1.806

Tevens worden de middelen ingezet voor het verstrekken van incidentele en vrijwillige bijdragen aan (inter)nationale organisaties voor activiteiten die het internationaal milieubeleid van het Ministerie van IenW ondersteunen.

Bekostiging

Het Ministerie van IenW bekostigt een deel van de opbouw van het Global Center on Adaptation (GCA). In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 3,4 miljoen aan subsidieverplichtingen voor de jaren 2020 en 2021 opgenomen. Genoemde bedragen hebben betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie aan het GCA. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht. Het GCA is op verzoek van het United Nations Environment Program en samen met een aantal ondersteunende landen door Nederland als excellent adaptatiekennisinstituut gestart en is tijdelijk, totdat GCA zelfstandig kan handelen, ondergebracht bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

3.8 Artikel 20 Lucht en Geluid

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Regisseren 

Om qua luchtkwaliteit en geluid een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenW de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenW verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en (zo nodig) de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en plafonds hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit en op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies.

  • De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het toezicht op de naleving van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • De implementatie van de geluidregelgeving (wet SWUNG29) waarmee een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen wordt beoogd. SWUNG-2, fase 2 van de herziening van de geluidwetgeving, zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau versterken. Deze nieuwe geluidregels worden ondergebracht in de Omgevingswet. Lagere overheden worden ondersteund om aan de voorschriften van deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsgevoelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenW:

  • het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot een succesvolle uitvoering te brengen;

  • een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om zo te komen tot een vermindering van gezondheidsrisico’s door luchtverontreiniging, via het Schone Lucht Akkoord. Hiermee werkt het kabinet – conform het advies van de Gezondheidsraad – toe naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030.

  • medeoverheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL en het Schone Lucht Akkoord om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit te halen en toe te werken naar de advieswaarden in 2030 van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een monitoringsrapportage over de voortgang van het bovengenoemde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring dient om de voortgang van de uitvoering van het NSL te volgen en biedt een basis om het programma waar nodig bij te sturen. De monitoring betreft de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de uitvoering van projecten en maatregelen. De tiende rapportage is aan de Kamer verzonden (Kamerstukken II 2019-2020, 30 175, nr.342).

Kengetallen tegengaan geluidhinder (kengetallen sanering verkeerslawaai, aantal woningen)

Tabel 55 Overzichtstabel sanering verkeerslawaai

Sanering Wet Geluidhinder

aantal woningen

Lokale infrastructuur

A-lijst

Overig

Totaal

Totaal

77.355

335.800

413.155

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

40.000

Uitgevoerd 1990–2017

61.481

44.546

106.027

Uitgevoerd 2018

300

2.500

2.800

Uitgevoerd 2019

200

3.500

3.700

Resultaat opschonen saneringsvoorraad

1.009

37.300

38.309

Planning 2020

400

3.000

3.400

Planning 2021

200

2.500

2.700

Restant per einde 2021

13.765

202.454

216.219

    

Sanering Wet Geluidhinder

aantal woningen

Rijksinfrastructuur

Rijkswegen

Spoorwegen

Totaal

Opgave cf Bijlage 5 Bgm

775

5.330

6.105

gereed t/m 2018

680

3.050

3.730

gereed 2019

0

200

200

Planning 2020

0

300

300

Planning 2021

0

625

625

Restant einde 2021

95

1.155

2.175

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV)30

Toelichting

De eerste tabel betreft het aantal uitgevoerde en geplande saneringen van woningen bij gemeentelijke en provinciale wegen, zoals die door gemeenten worden uitgevoerd onder het regime van de Wet geluidhinder. De A-lijst betreft woningen met de hoogste geluidsbelastingen. In 2018 is de resterende saneringsvoorraad nader beschouwd en opgeschoond. Als gevolg hiervan is de saneringsvoorraad afgenomen omdat woningen al bleken te zijn gesaneerd met middelen uit de Investering Stedelijke Vernieuwing (ISV) en omdat woningen niet langer voor maatregelen in aanmerking bleken te komen. Als gevolg van het feit dat een aantal gemeenten hun opgave naar beneden hebben bijgesteld, is het aantal woningen dat in de tabel wordt genoemd lager dan in voorgaande rapportages. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de saneringsvoorraad voor de lokale sanering worden herijkt en komt er een termijn waarbinnen deze sanering afgerond moet worden. De sanering onder de Wet geluidhinder zal nog een aantal jaren doorlopen om gestarte en lopende projecten af te ronden.

De tweede tabel heeft betrekking op de sanering Rijksinfrastructuur zoals die op grond van overgangsrecht (Bijlage 5 bij het Besluit geluid milieubeheer) nog onder het regime van de Wet geluidhinder wordt afgerond. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering vanwege Rijksinfrastructuur die momenteel door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de Wet milieubeheer. Deze sanering is opgenomen onder beleidsartikel 14.

Elk jaar wordt een nieuwe analyse van de emissies luchtverontreinigende stoffen uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast. Zie ook de toelichting onder de tabel. De gerealiseerde emissies tot en met 2018 zijn vastgesteld in februari 2020:

Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005, 2010 en 2015 en 2017 en 2018, doelstellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr. 31

Tabel 56 Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen
 

1990

2000

2005

2010

2010

2015

2017

2018

2020[1]

2020

2030[1]

2030

     

NEC- Richtlijn

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Herziene NEC-Richtlijn

Raming

Herziene NEC-Richtlijn

SO2

194

77

67

35

50

31

26

25

30

48

31

32

NOx

629

441

313

313

260

268

244

235

173

210

127

149

NH3

350

175

153

133

128

128

131

130

119

142

107

122

NM VOS3

   

188

185

178

183

187

144

183

146

169

PM2,5

53

28

22

17

 

14

13

13

11

15

10

13

Toelichting

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld. Het betreft een aanpassing van de National Emission Ceiling (NEC) (richtlijn (EU) 2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar vrachten. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht ook worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren.

Het bovengenoemde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) loopt tot aan de invoering van de Omgevingswet. Er resteren nog enkele overschrijdingen van de EU-normen voor luchtkwaliteit op fijnstof en stikstofdioxide, in enkele gebieden met intensieve veehouderij (fijnstof) en bij binnenstedelijke gebieden (stikstofdioxide). In 2018 is daarom de Aanpassing NSL 2018 gepubliceerd met aanvullende maatregelen met als doel om op de kortst mogelijke termijn de laatste EU-normoverschrijdingen teniet te doen. De EU-normen zijn maximale toegestane waarden. Ook waar aan de normen wordt voldaan, is verdere verbetering van de luchtkwaliteit van belang om gezondheidswinst te realiseren. Daarom heeft het kabinet het Schone Lucht Akkoord begin 2020 samen met medeoverheden gepresenteerd. Dit akkoord is gericht op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren. Hiermee werkt het kabinet – conform het advies van de Gezondheidsraad (Bijlage bij Kamerstukken II 2017-2018 30 175, nr. 292) – toe naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030. In de tweede helft van 2020 wordt de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord gepresenteerd en in 2021 vindt verdere uitvoering van dit akkoord plaats alsmede monitoring met de gezondheidsindicator. Het Ministerie van IenW heeft hiervoor in totaal € 50 miljoen op het Infrastructuurfonds (artikel 20.03) gereserveerd voor de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord voor de periode 2020-2023.

De Eerste Kamer heeft op 18 februari 2020 ingestemd met de aanvullingswet geluid waarmee geluidregels ondergebracht worden in de Omgevingswet. De verdere uitwerking in onderliggende regelgeving vindt in 2020 plaats, waarna het nieuwe stelsel in januari 2022 in werking zal gaan treden. Voorafgaand aan de besluitvorming over de aanvullingswet in de Eerste Kamer heeft intensieve afstemming met de koepels plaatsgevonden, gericht op beperking van de uitvoeringslasten van de toekomstige geluidregels. De afspraken die hierbij gemaakt zijn worden verwerkt in de definitieve teksten van het aanvullingsbesluit en de aanvullingsregeling geluid. Waar het geluidsanering betreft, is het van belang dat de saneringsoperatie verder wordt afgerond. Ook wordt de operatie onder de Omgevingswet verbreed naar de situatie met hoge geluidbelastingen die onder de Wet geluidhinder is ontstaan en wordt de efficiëntie van de uitvoering vergroot. Tot slot, met betrekking tot het bezien van mogelijkheden van het versterken van geluidbeleid op basis van het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) (Motie Schonis: Kamerstuk 35 000 A, nr. 60), worden in 2021 verdere beleidswijzigingen verkend.

Tabel 57 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 20 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

32.038

30.734

24.491

25.370

30.215

30.880

37.901

        

Uitgaven

36.862

33.508

27.254

28.098

30.215

30.880

37.901

Waarvan juridisch verplicht

  

99%

    
        

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

36.862

33.508

27.254

28.098

30.215

30.880

37.901

Opdrachten

4.940

8.080

3.175

3.164

3.123

3.123

3.123

- Uitvoering geluid- en luchtsanering

4.765

7.709

3.175

3.164

3.123

3.123

3.123

- Waarvan overige opdrachten

175

371

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

1.462

2.111

1.580

1.599

1.610

1.610

1.610

- Waarvan bijdrage aan KNMI

90

0

0

0

0

0

0

- Waarvan bijdrage aan RWS

1.372

2.111

1.580

1.599

1.610

1.610

1.610

Bijdrage aan medeoverheden

30.105

22.951

22.042

22.874

25.019

25.684

32.705

- Uitvoering geluidsanering

20.466

21.451

22.042

22.874

25.019

25.684

32.705

- Programma NSL

9.639

1.500

0

0

0

0

0

Bekostiging

355

366

457

461

463

463

463

        

Ontvangsten

2.136

1.425

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De bijdragen aan medeoverheden in het kader van de wettelijke taken inzake de sanering van het wegverkeerslawaai zijn juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten inzake de uitvoering van de subsidieregeling sanering verkeerslawaai.

De middelen op het financieel instrument bekostiging zijn eveneens juridisch verplicht en worden aangewend voor (onderzoeks-)opdrachten aan TNO op de beleidsterreinen lucht en geluid.

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

Opdrachten

Het Ministerie van IenW verstrekt uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van geluidhinder en luchtkwaliteit. Ten aanzien van het beleidsterrein geluidhinder gaat het met name om de opdrachtverlening aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), dat namens het Ministerie van IenW zorg draagt voor de uitvoering van de geluidsanering voor gemeentelijke en provinciale infrastructuur.

Bijdrage aan agentschappen

RWS 

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van diverse werkzaamheden ten behoeve van het programma lucht en geluid. Het gaat hierbij onder meer om de algemene ondersteuning en het voeren van het secretariaat, de monitoring van de voortgang en doelbereiking in het kader van de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord en vraagstukken in relatie tot het programma geluid.

Bijdrage aan medeoverheden

Hierbij gaat het om de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van saneringsmaatregelen met betrekking tot geluidhinder door het verkeer. Dit is in het kader van de subsidieregeling Sanering Verkeerslawaai.

Bekostiging

Jaarlijks bekostigt het Ministerie van IenW een deel van het milieuonderzoeksprogramma van TNO.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 0,365 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2021 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor het Milieuonderzoeksprogramma aan TNO. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Over de invulling van dit programma worden afspraken gemaakt met TNO, mede om te borgen dat het onderzoek en de resultaten dienstbaar zijn aan de beleidsontwikkeling en -onderbouwing door IenW. 

3.9 Artikel 21 Duurzaamheid

Bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van natuurlijke hulpbronnen, zicht op de economische keten en op het gebruik van hulpbronnen, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen, het verminderen van emissies en het versterken van de Nederlandse economie. Daarmee levert de circulaire economie een belangrijke bijdrage aan het klimaatbeleid.

Regisseren

De transitie naar een circulaire economie maakt een groot onderdeel uit van de duurzaamheidsvraagstukken waar we voor staan. Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met (mede)overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. De Minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:

  • De transitie naar een circulaire economie32 die wezenlijk bijdraagt aan het verminderen van de milieudruk en het halen van de klimaatdoelstelling, het verbeteren van de leveringszekerheid en het versterken van het verdienvermogen van de Nederlandse economie en het vitaal houden van ons natuurlijk kapitaal;

  • Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal, op EU- en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, ongewenste emissies te voorkomen, de kwaliteit van de leefomgeving in verdichte gebieden te verbeteren;

  • Het verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP);

  • Het coördineren en beïnvloeden van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • Het toepassen van slimme marktprikkels door het beprijzen van milieuschade;

  • Het faciliteren van circulair inkopen door overheden en invulling geven aan het interdepartementale plan van aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen overheden 2021-2025.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenW duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere ministers:

  • De verduurzaming van productketens waarbij bedrijven worden aangespoord om efficiënter om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld de Transitieagenda’s, aanpassing van regelgeving, Green Deals, subsidieregelingen en ketenprojecten;

  • Samenwerking tussen organisaties onderling om begrippen als ‘duurzaam consumeren’ en ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ concreet en hanteerbaar te maken voor (kleine) bedrijven en burgers;

  • Investeringen in productietechnieken met minder milieudruk. Bijvoorbeeld door het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL en DEI+) en Groen Beleggen;

  • Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) door het Rijk en het verantwoord inkopen bij decentrale overheden, met speciale aandacht voor klimaatneutraal en circulair inkopen, zoals uitgewerkt in het door IenW gecoördineerde interdepartementale actieplan MVI 2021-2025.

Indicatoren en kengetallen

Duurzame ontwikkeling kan op meerdere manieren inzichtelijk worden gemaakt. In internationaal verband zijn in het najaar 2015 in de Verenigde Naties de Sustainable Development Goals vastgesteld. Over de stand van zaken in Nederland wordt sinds 2018 jaarlijks op Verantwoordingsdag aan het parlement gerapporteerd in de ‘Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals’ die door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt samengesteld.

Voor het Rijksbrede programma Circulaire Economie «Nederland Circulair in 2050» is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in samenwerking met verschillende kennisinstellingen een monitoringprogramma ontwikkeld. Eén keer in de twee jaar levert PBL in dat verband een Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) op. Het andere jaar levert PBL een voortgangsrapportage op. Op 30 januari 2020 heeft het PBL een eerste monitoringsrapportage uitgebracht: ‘Op weg naar een robuuste monitoring van een circulaire economie’. Deze rapportage brengt kennis bij elkaar die de verschillende onderzoeken/projecten in 2019 hebben opgeleverd en levert de basis voor enkele methodieken die de komende jaren verder ontwikkeld worden. Vanwege de start van het monitoringsprogramma betreft de informatie nadrukkelijk de eerste bouwstenen; in deze rapportage worden nog geen uitspraken gedaan over de voortgang van de transitie naar een circulaire economie. Het PBL brengt naar verwachting begin 2021 de eerste ICER uit. In de Klimaat- en Energieverkenning rapporteert het PBL met ingang van 2019 jaarlijks over de voortgang in het beleid dat is opgenomen in het klimaatakkoord en de effecten daarvan. Daarin wordt ook aandacht besteed aan circulaire projecten die tevens een CO2-reductie realiseren.

In het Landelijk Afvalplan (LAP) is een overzicht opgenomen van doelen uit onder andere het Rijksbrede programma Circulaire Economie en het convenant Meer en Betere Recycling.33 Het betreft onder meer:

  • Beperking van het aanbod van afval door huishoudens en bedrijven, bevordering van afvalscheiding en (voorbereiding voor) nuttig hergebruik, liefst door hoogwaardige recycling. LAP3 is eind 2017 in werking getreden en wordt geactualiseerd. Het herziene LAP treedt vanaf 1 januari 2021 in werking.

  • Preventie van afvalstoffen, zodanig dat de in de periode 1985-2014 bereikte ontkoppeling tussen de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en de ontwikkeling van het totale afvalaanbod wordt versterkt. Dit houdt in dat het totaal afvalaanbod in 2023 niet groter mag zijn dan 61 Mton en in 2029 niet groter mag zijn dan 63 Mton.

  • Het van 2012 tot 2022 halveren van de hoeveelheid Nederlands afval dat de economie ‘verlaat’ via afvalverbrandingsinstallaties en/of stortplaatsen (in 2012 betrof dit bijna 10 Mton).

Onderstaande figuren geven een beeld van de ontwikkeling van het Nederlands afval tot en met 2018. Figuur 6 laat de hoeveelheid Nederlands afval dat de economie ‘verlaat’ zien als percentage van die hoeveelheid in het basisjaar 2012. Figuur 7 laat de verhoudingen zien tussen afvalverwerking (storten, recyclen en verbranden) over de jaren heen. De tabe daaronder is een weergave van het werkelijke afvalaanbod versus het afvalaanbod als het de ontwikkeling van het bbp zou volgen. De ambitie is om de hoeveelheid afval die wordt gestort of verbrand terug te brengen met 50% van 10 Mton in 2012 naar 5 Mton in 2022. Dat moet bereikt worden door inzet in de gehele keten, door van de ontwerp- tot aan de afvalfase te werken aan preventie, hergebruik en recycling. Voor hoogwaardige recycling is het van belang dat de deelstromen van afvalscheiding een goede kwaliteit hebben. Dit is een basisvoorwaarde om bovengenoemde kwantitatieve doelstelling te behalen.

Figuur 6 De hoeveelheid Nederlands afval dat de keten verlaat (%)

Bron: RWS leefomgeving

Figuur 7 Afvalverwerking Nederlands afval 1985-2017

Bron: RWS leefomgeving34

Tabel 58 Werkelijk afvalaanbod (in Kton) en afvalaanbod indien het de ontwikkeling van het BBP zou hebben gevolgd
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Werkelijke afvalhoeveelheid

60.964

60.925

59.669

59.220

59.578

61.107

59.908

61.428

61.225

Afvalhoeveelheid indien na 2010 meegegroeid met BBP

60.964

61.939

61.320

61.259

62.116

63.359

64.753

66.630

68.230

Bron: RWS leefomgeving

Op 11 maart 2020 heeft de Europese Commissie het nieuwe actieplan voor de circulaire economie gepresenteerd, zoals reeds aangekondigd in de Green Deal. De Commissie stelt dat de helft van de totale uitstoot van broeikasgassen afkomstig is uit winning en verwerking van hulpbronnen, en dat het alleen mogelijk is om de doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050 te halen door over te gaan op een volledig circulaire economie. Het doel van het actieplan is om de consumptie-voetafdruk van de EU te verkleinen en het circulaire materiaalgebruik van de EU in het komende decennium te verdubbelen, terwijl de economische groei wordt gestimuleerd. Het actieplan bevat een aankondiging van de Europese Commissie voor wetgeving en beleidsinitiatieven, waarvan een groot aantal voorstellen in 2021 gepresenteerd zal worden. Deze zien in 2021 naar verwachting onder meer op een initiatief inzake duurzaam productbeleid, herziening ter versterking van de essentiële eisen voor verpakking en vermindering van (over)verpakking en verpakkingsafval, EU-strategie voor textiel, herziening van de regels inzake de overbrenging van afvalstoffen en actualisering van het monitoringkader voor de circulaire economie. Deze wetgeving en beleidsinitiatieven sluiten grotendeels aan bij het beleid dat het kabinet reeds voert ten aanzien van een circulaire economie en worden daarmee door Nederland gesteund.

Het Rijksbrede programma Circulaire Economie geeft richting aan alle inspanningen die IenW en de overige departementen doen om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Op 8 februari 2019 is het Uitvoeringsprogramma Circulaire economie 2019-2023 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2018-2019 32 852, nr. 76). Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd. In 2021 zal dit voor de tweede keer gebeuren. In dit programma zijn de activiteiten gepresenteerd binnen vijf transitieagenda’s en binnen de dwarsdoorsnijdende thema’s. Om uitvoering te geven aan het Uitvoeringsprogramma is op de IenW begroting in totaal van 2021-2024 € 40 miljoen vrijgemaakt voor stimulering van sociale en productinnovaties, stimulering van kennisontwikkeling, opschaling van (bijna-)marktrijpe technieken en voor uitvoeringskosten van de onderdelen van IenW binnen het programma Circulaire Economie, waaronder het Versnellingshuis, monitoring en communicatie.

Voor de uitvoering van het Klimaatakkoord heeft het kabinet vanaf 2020 middelen ter beschikking gesteld voor circulaire maatregelen voor het realiseren van de CO2-reductie doelstelling in 2030. De middelen zijn binnen het kabinet beschikbaar gesteld en bestemd voor de ontwikkeling van nieuwe technieken, demonstratie- en pilotprojecten in het kader van onderstaande deelthema’s. Voor 2021 en verder gaat het om de volgende reeks:

Tabel 59 Klimaatenveloppemiddelen voor circulaire maatregelen (x € 1.000)

Deelthema

2021

2022

2023

2024

Struct. (t/m 2030)

Maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW)

2.000

2.000

3.000

3.000

3.000

Ketenaanpak

3.000

3.000

5.000

5.000

5.000

Klimaatneutraal en circulair inkopen en aanbesteden

2.000

2.000

3.000

3.000

3.000

Kunststof- en textielrecycling

3.000

3.000

4.000

4.000

4.000

In 2021 zullen bovenstaande thema’s worden uitgevoerd door opdrachten van RWS aan derden, de subsidieregeling circulaire ketenprojecten via RVO, expertondersteuning middels zogenaamde buyergroups (groepen van publieke partijen die gezamenlijk richting de markt optreden in het circulair inkopen van een product om CO2- en grondstoffenwinst te behalen), CO2-schaduwbeprijzing als onderdeel van de subsidieregeling Advies Klimaatneutraal en Circulair Inkopen (via pilots met andere overheden), en tot slot, via de DEI+ Circulaire Economie.

In een Kamerbrief (Kamerstukken II 2019-2020 32 813, nr. 496) in april 2020 is ingegaan op een aanvullend pakket van maatregelen ten behoeve van het Urgenda-vonnis. Drie CE-relevante maatregelen die zijn opgenomen zijn: retourpremie op koel- en vrieskasten; het ophogen van het budget bij RWS voor circulaire maatregelen in de Grond Weg Waterbouw (GWW), waarbij het onder andere gaat om nieuwe asfalt of betonmengsels en de toepassing van recycled staal; en verplicht percentage recyclaat in kunststof. Voor 2021 is een bedrag van € 1 miljoen beschikbaar gesteld voor de communicatie over de maatregel retourpremie op koel- en vrieskasten en € 7,5 mln voor de uitvoering van de circulaire maatregelen in de Grond Weg Waterbouw (GWW).

Met het beleidsprogramma circulair textiel dat op 14 april 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd is meerjarig beleid aangekondigd om de textielketen sluitend te maken (Kamerstukken II 2019-2020 32852, nr. 116). In het programma worden doelstellingen gesteld om toe te werken naar een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector, meer toepassing van recyclaat in nieuwe kleding en meer hergebruik en recycling. In het voorjaar van 2021 wordt een voorstel voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel gedaan. Daarnaast worden effectieve gedragsinterventies onderzocht en wordt er gewerkt aan een Denim Deal. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2021 de eerste voortgangsrapportage waarin tevens de initiële uitkomsten van de monitoring van het beleidsprogramma worden gedeeld.

Nederland wil de plastic soep tegengaan en de aanwezigheid van kleine plastic flesjes in zwerfafval voorkomen. Daarom is besloten om per 1 juli 2021 statiegeld in te voeren voor kleine plastic flesjes (Kamerstukken 11 2019-2020 30 872, nr. 245). Voor blikjes wordt een vergelijkbare tweesporen aanpak gevolgd als eerder is gevolgd voor de kleine plastic flesjes. Het eerste spoor betreft het door het verpakkend bedrijfsleven realiseren van 70-90% minder blikjes in het zwerfafval en 90% recycling van blikjes. Indien in het najaar van 2021 blijkt dat deze doelen niet zijn gerealiseerd, wordt in 2022 ook op blikjes statiegeld ingevoerd. Parallel wordt de daartoe benodigde wijziging van het Besluit beheer verpakkingen voorbereid. De monitoringresultaten van blikjes in het zwerfafval worden halfjaarlijks aan de Tweede Kamer gezonden. Parallel aan de genoemde twee sporen heeft het bedrijfsleven aangegeven te zullen onderzoeken hoe blikjes het beste kunnen worden ingezameld en welke middelen daarvoor nodig zijn. De uitkomsten van dit derde spoor zullen ook bij de besluitvorming worden betrokken. Voor recycling en hergebruik van verpakkingen zijn nieuwe doelstellingen gesteld voor de periode tot en met 2025. Hiermee wordt een verdere stap gezet naar een circulaire verpakkingsketen.

Ter implementatie van de Single Use Plastics (SUP)-richtlijn treedt op 1 juli 2021 het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik in werking. Het besluit legt verboden en gebruiksbeperkingen op voor bepaalde kunststofproducten met als doel de schadelijke effecten hiervan op het milieu te verminderen. Voor verpakkingen worden per 2021 nieuwe doelstellingen van kracht voor hergebruik en recycling voor de periode tot en met 2025. Hiermee wordt een verdere stap gezet naar een circulaire verpakkingsketen.

In 2020 heeft het kabinet conform de aankondiging in het Klimaatakkoord en het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie de hoofdlijnen van het duurzaamheidskader voor biomassa vastgesteld. In 2021 zal dit kader worden geïmplementeerd.

Een belangrijk instrument om de doelstellingen ten aanzien van Circulaire en klimaatneutrale Economie te realiseren is ook in 2021 Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). Dat betekent dat bij de inkoop van producten, diensten en werken de effecten op people, planet en profit worden meegenomen, waardoor circulaire- en klimaatneutrale alternatieven aantrekkelijk worden. In 2021 wordt op basis van de transitie bezien met welke andere prikkels de circulaire economie het beste verder kan worden ondersteund. Het in 2020 gestarte traject om te komen tot een robuust en toekomstbestendig afvalbeheersysteem in de richting van een circulaire economie zal mede de basis vormen voor het vormgeven van stimulerende maatregelen, zoals onder andere marktprikkels en financieringsinstrumenten.

Duurzaam IenW

IenW zet in 2021 zijn programma rond verduurzaming van zijn eigen beleid, uitvoering en bedrijfsvoering en de uitvoering van het eigen Actieplan MVI voort. De inhoudelijke prioriteit blijft liggen op circulaire economie en klimaat. Focus ligt op het laten landen van duurzaamheid in de reguliere werkprocessen en op verbetering van monitoring van de voortgang van verduurzaming.

Naar aanleiding van de Rijksinkoopstrategie «Inkopen met impact» die in het najaar van 2019 mede namens IenW naar de Kamer is gestuurd, wordt nader aandacht gegeven aan de opdrachtgeversrol binnen IenW zodat het toevoegen van maatschappelijke waarde in elke inkoopopdracht een prominente plek krijgt. IenW blijft daarmee een koploperrol innemen en stelt zijn kennis en ervaring beschikbaar aan de andere departementen.

Tabel 60 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 21 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

74.157

45.640

50.501

42.292

36.285

36.283

31.287

        

Uitgaven

29.867

89.745

50.982

42.292

36.285

36.283

31.287

Waarvan juridisch verplicht

  

91%

    
        

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

146

882

1.251

857

859

859

859

Opdrachten

146

882

1.251

857

859

859

859

        

5 Duurzame productketens

28.835

77.028

39.300

38.076

31.040

31.039

26.042

Opdrachten

9.898

9.536

20.775

19.008

10.272

10.271

5.272

- Waarvan overige opdrachten

4.234

5.109

1.826

1.841

1.916

1.916

1.916

- Waarvan opdrachten MVI (RWS)

956

311

0

0

0

0

0

- Waarvan opdrachten Caribisch Nederland

0

0

0

246

2.065

2.065

2.065

- Waarvan uitvoering duurzame productketens

4.708

4.116

18.949

16.921

6.291

6.290

1.291

Subsidies

9.458

56.381

9.799

9.726

12.814

12.814

12.816

- Waarvan subsidie duurzame productketens

6.758

55.868

9.799

9.726

12.814

12.814

12.816

- Waarvan overige subsidies

2.700

513

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

7.861

8.609

7.497

7.497

7.497

7.497

7.497

- Waarvan bijdrage aan RWS

7.861

8.609

7.497

7.497

7.497

7.497

7.497

Bijdrage aan medeoverheden

1.148

2.024

778

1.390

0

0

0

- Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

1.148

2.024

778

1.390

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

470

478

451

455

457

457

457

        

6 Natuurlijk kapitaal

886

11.835

10.431

3.359

4.386

4.385

4.386

Opdrachten

886

11.835

10.431

3.359

4.386

4.385

4.386

- Waarvan overige opdrachten

399

231

617

622

625

624

624

- Waarvan uitvoering natuurlijk kapitaal

487

11.604

9.814

2.737

3.761

3.761

3.762

        

Ontvangsten

171

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 61 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

Vrijstelling groen beleggen box 3

45

44

50

Heffingskorting groen beleggen

29

30

31

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

126

124

114

VAMIL

20

25

25

Budgetflexibiliteit

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzaamheidsinstrumentarium.

21.05 Duurzame productketens

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten.

De budgettaire reeks Caribisch Nederland heeft betrekking op de wederopbouw van Saba en Sint-Eustatius en verbetering van het afvalbeheer op Bonaire en Sint-Eustatius.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzame productketens.

21.06 Natuurlijk kapitaal

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op de uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS op het gebied van biomassa en ecosystemen en opdrachten in het kader van CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein natuurlijk kapitaal.

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

Het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, zodat alle (maatschappelijke) kosten een rol gaan spelen bij de afwegingen van consumenten.

Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals monitoring, onderzoek en kennisontwikkeling en stimuleren van circulair ondernemen.

5 Duurzame Productketens

Productketens worden onderzocht met het oog op de gevolgen van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen. Actie- en resultaatgerichte samenwerking in ketens en in de ‘gouden driehoek’ (onderzoekers, ondernemers en overheid) wordt ondersteund om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waarde vernietiging.

Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP3). Daarnaast heeft dit betrekking op opdrachten voor de uitvoering van onder andere: de rijksbrede coördinatie van het CE-programma, de monitoring van de voortgang en effecten, de uitvoering van een aantal doorsnijdende thema’s uit de kabinetsreactie (zoals producentenverantwoordelijkheid, versnellingshuis, communicatie en circulair ontwerpen) en de versnelling en opschaling van de transitieagenda’s waar IenW voor verantwoordelijk is.

Rijksbrede programma Circulaire Economie

Om uitvoering te geven aan het Rijksbrede programma Circulaire Economie wordt in 2021 € 14 miljoen beschikbaar gesteld voor onder andere circulaire inkoop, circulair textiel en plastic, het stimuleren van kennisontwikkeling, het opschalen van (bijna-)marktrijpe technieken en voor uitvoeringskosten van de onderdelen van IenW binnen het programma Circulaire Economie, waaronder het Versnellingshuis, monitoring en communicatie.

Landbouw

Voor landbouw betreft het onder andere onderzoek naar toepassingen van maatregelen die de emissies uit veehouderijen naar de lucht en de leefomgeving verminderen en daarmee bijdragen aan een goed en gezond woon- en leefklimaat rond veehouderijen.

Subsidies

Dit betreft budget voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen. Zoals vermeld in de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden subsidies verstrekt via de Demonstratieregeling Energie- en klimaatinnovaties (DEI+).

Klimaatmaatregelen

In het kader van het Klimaatakkoord worden middelen uit de beschikbaar gestelde middelen voor klimaatmaatregelen ingezet ter stimulering van:

  • Ketenaanpak, Circulair ontwerp van producten en diensten in grondstoffenketens, hergebruik consumptiegoederen via ambachtscentra, ketensamenwerking en versnellingsteams, inclusief afvalpreventie

  • Klimaatneutraal en circulair inkopen en aanbesteden

  • Recycling en hergebruik van (bio)plastics en textiel

Rijksbrede programma Circulaire Economie

Om uitvoering te geven aan het Rijksbrede programma Circulaire Economie wordt in 2021 € 1 miljoen beschikbaar gesteld voor het stimuleren van en ondersteunen bij de opschaling van ketenprojecten.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel zijn in regel 1 de volgende subsidieverplichtingen opgenomen:

  • Een bedrag van maximaal € 0,6 miljoen per jaar voor de jaren 2021 en 2022, en een bedrag van maximaal € 0,4 miljoen per jaar voor de jaren 2023 en 2024. Deze bedragen hebben betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor het Versnellingshuis Nederland Circulair! aan Stichting Het Groene Brein in samenwerking met MVO Nederland.

  • Een bedrag van maximaal € 1 miljoen voor het jaar 2021. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor de stimulering van circulair ontwerpen door middel van het programma CIRCO aan TKI CLICKNL.

  • Een bedrag van maximaal € 0,1 miljoen voor het jaar 2021. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor ondersteuning van een betere infrastructuur voor repair aan Stichting Repair Café.

  • Een bedrag van maximaal € 0,03 miljoen voor het jaar 2021. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor (het optimaliseren van) de informatieverstrekking aan consumenten over de beschikbaarheid en ontwikkelingen op het gebied van duurzame mode aan Stichting DSFW Foundation.

Deze begrotingsvermeldingen vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor werkzaamheden om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen. Tevens wordt een opdracht aan RWS verstrekt voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA), waar IenW – ook namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

Bijdrage aan medeoverheden

De middelen voor de ontwikkeling van het afvalbeheer Bonaire staan op het budget voor bijdragen aan medeoverheden.

Bijdrage aan ZBO en RWT

Dit betreft de bijdrage aan de stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

6 Natuurlijk Kapitaal

Biotische (materiaal)ketens zijn een integraal onderdeel van de transitie naar een circulaire economie. Biotische ketens, zoals hout of biocomposiet, mits producten herbruikbaar blijven, kunnen vaak een alternatief zijn voor materialen van fossiele of minerale oorsprong. Duurzaam geproduceerde biotische grondstoffen maken het mogelijk om goederen of diensten duurzaam te kunnen benutten als circulair alternatief.

Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa.

Verder betreft dit de opdrachten aan RWS en RVO voor de uitvoering van het beleid op het gebied van biotische ketens. Bijvoorbeeld voor het bieden van ondersteunen van ketensamenwerking rond biotische grondstoffen zoals hout of nutriënten. In het kader van het Klimaatakkoord en de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden daarnaast middelen ingezet voor CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW).

32

Zoals uiteengezet in het Rijksbrede programma Circulaire Economie «Nederland Circulair in 2050» (Kamerstukken II 2018-2019 32 852, nr. 76)

33

Het convenant ‘Meer en Betere Recycling’ is op 16 maart 2015 ondertekend door het Ministerie van IenM (nu IenW), BRBS Recycling, FHG, NVRD en de Vereniging Afvalbedrijven en heeft tot doel Nederlands afval beter te recyclen met een hoger rendement voor mens, economie en milieu.

34

2017 cijfers betreffen voorlopige cijfers

3.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

Het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor een gezonde en veilige leefomgeving. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Het daarvoor gewenste beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en nationaal geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH) en bestrijdingsmiddelen (Biocidenverordening, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail, buisleidingen en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese en soms mondiale processen die leiden tot verdere verbetering van deze internationale regels.

  • Waar Europese regels (deels) ontbreken, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maken, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen, risicovolle bedrijven, de emissies van zeer zorgwekkende stoffen en het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Met dat laatste wordt een balans gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid.

  • Waar nieuwe technologische ontwikkelingen aanleiding zijn om na te gaan of beleid en regelgeving daarmee nog in de pas lopen, kan het overwegen van nieuw of aanvullend beleid en regulering aan de orde zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beleidsontwikkeling ten behoeve van een veilige energietransitie in de leefomgeving envan de veilige toepassing voor mens en milieu van nieuwe vormen van nanotechnologie.

  • Het reduceren van de regeldruk wordt onder meer nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden door 29 Omgevingsdiensten (OD’s) uitgevoerd, waarbij zes OD’s een specialisatie in Besluit risico's zware ongevallen (Brzo)–taken hebben. De Minister heeft hierin een regisserende rol als voorzitter van het bestuurlijk omgevingsberaad (BOB) en is stelselverantwoordelijk voor het VTH stelsel milieu (Stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving). 

  • Tegengaan van lastendruk is ook een centrale invalshoek bij het transport van gevaarlijke stoffen. Om die reden stelt Nederland in principe geen hogere eisen aan verpakkingen en voer- of vaartuigen dan in de relevante internationale verdragen is vastgelegd, conform de EU-Kaderrichtlijn transport gevaarlijke stoffen.

  • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu bij activiteiten met GGO’s.

  • Het verlenen van vergunningen voor een beperkt aantal bedrijven met een verhoogd risico voor de externe veiligheid in Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor een gezonde en veilige leefomgeving vormen om deze risico’s te identificeren en te voorkomen of te beperken. Overheden zijn verantwoordelijk voor bijvoorbeeld ruimtelijke ordening of vergunningverlening die invloed kan hebben op een gezonde en veilige leefomgeving. De Minister stimuleert:

  • Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie, het ‘vergroenen’ van het beschikbare pakket aan biociden en het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s. Door integraal plaagdiermanagement (IPM) toe te passen, wordt gestreefd naar vermindering van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. De Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en ontwikkeld) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Daarnaast is er ook het landelijk asbestvolgsysteem die alle ketenpartijen van de nodige informatie voorziet. Het Landelijk asbestvolgsysteem (LAVS) is bedoeld om via inzicht in de asbestsaneringsketen de naleving van de asbestregelgeving te verbeteren en daarmee te voorkomen dat nadelige gevolgen optreden voor de gezondheid van de mens en het milieu.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

  • Een continue verbetering van de omgevingsveiligheid bijvoorbeeld met behulp van het instrument van de Safety Deals (subsidieregeling versterking Omgevingsbeleid).

  • Dat veiligheid en gezondheid van meet af aan ontwerpcriteria zijn bij innovatieve ontwikkelingen (Safe-by-Design). Hiervoor wordt enerzijds ingezet op kennisontwikkeling met betrekking tot veilig ontwerpen en anderzijds op het opleiden van toekomstige ingenieurs en ontwerpers. Daarbij hoort ook – in het kader van de circulaire economie – het stimuleren van Safe & Circular Design. Hiervoor zijn samenwerkingsagenda’s met universiteiten opgesteld die in de komende jaren verder worden uitgewerkt.

    Verder is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet meten.

REACH

In het kader van de Europese stoffenregelgevingen (REACH en CLP) worden stoffen beoordeeld en indien nodig van maatregelen voorzien (geharmoniseerde classificatie en labelling, autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage, waarbij de inzet wordt ingegeven door de eerder ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria (bv. specifieke zorg voor, of productie dan wel gebruik in Nederland). De daadwerkelijke invulling van Nederlandse dossiers wordt afgestemd met de opdrachtgevende ministeries. Onderstaande tabel geeft aan wat de realisatie is in 2019 bij deze producten van het Europese systeem en wat naar verwachting de Nederlandse inbreng en voor de hele EU is in 2020 en 2021. Daarbij betreft de Nederlandse bijdrage de door Nederland ingebrachte dossiers en door andere lidstaten ingebrachte dossiers waar Nederland actief input op levert.

Tabel 62 Tabel resultaten REACH in 2019, 2020 en 2021
  

Realisatie 2019

Geraamd 2020

Geraamd 2021

  

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven.

126

339

80

1400

75

300

2

Door Nederland uitgevoerde (en beoordeelde ontwerpbesluiten van) stofevaluaties.

2‒ 11

31

1‒ 30

50

2‒ 20

20

3a

Door Nederland gescreende stoffen.

11

n.v.t.

Circa 20

n.v.t.

5

n.v.t.

3b

Door Nederland ingediende (en becommentarieerde) RMO-analyses.

6‒ 7

15

6‒ 10

n.v.t.

5‒ 8

n.v.t.

4a

Door Nederland ingebrachte (en becommentarieerde) Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen.

1‒ 6

7

2‒ 15

15

1‒ 8

15

4b

Door Nederland gerapporteerde (en becommentarieerde) opinies over clusters van autorisatieverzoeken.

1‒ 80

80

2‒ 30

40

2‒ 30

30-50

5

Door Nederland RAC en SEAC leden gerapporteerde (en becommentarieerde) opinies over restrictiedossiers.

2‒ 10

10

2(8-10)

10

2‒ 6

6

6

Door Nederlandse ingebrachte (en becommentarieerde) voorstellen voor geharmoniseerde classificatie & labelling.

6‒ 52

52

5-10‒ 40

80

8-15‒ 40

70

7

Behandelde vragen door de REACH & CLP helpdesk.

571

n.v.t.

600

n.v.t.

550

n.v.t.

Bronnen: RIVM, Werkprogramma 2020 Bureau REACH en Jaarverslag Bureau REACH 2019. ECHA, Programming Document 2019-2022 – MB/52/2018 final (december 2018) & Programming Document 2020-2023 – MB/55/2019 final (januari 2020).

Toelichting:

Algemeen: De looptijd van beoordeling- en besluitvormingstraject met betrekking tot de REACH-werkprocessen stofevaluatie, autorisatie, restrictie en geharmoniseerde classificatie en labelling beperkt is doorgaans langer dan één kalenderjaar waarmee de daarmee samenhangende werklast over meerdere jaren wordt verspreid. De getallen betreffen door NL ingebrachte of becommentarieerde dossiers of door Nederlandse leden van de wetenschappelijke comités (RAC en SEAC) gedragen (co)rapporteurschappen. De aantallen door Nederland beoordeelde ontwerpbesluiten en becommentarieerde dossiers staan steeds tussen haakjes. De RAC- en SEAC-leden leveren input op alle dossiers, al dan niet met ondersteuning vanuit het RIVM.

Ad 1) Naar aanleiding van de evaluatie van REACH hebben de lidstaten in 2020 besloten dat het aandeel beoordelingen door het Europese agentschap van registratiedossiers moet worden verhoogd van 5% naar 20% van de 90.000 registraties over 22.000 verschillende stoffen. Hierdoor zullen meer conceptbesluiten voor commentaar worden voorgelegd. Het RIVM zal daardoor moeten prioriteren tussen dossiers om het aantal te beoordelen ontwerpbesluiten en de daarmee gepaarde werklast gelijk te laten blijven.

Ad 2) Er wordt naar gestreefd om voor 2021 twee geschikte stoffen te selecteren voor stofevaluatie.

Ad 3a) Betreft het screeningswerk om tot de selectie te komen voor kandidaten voor maatregelen (stofevaluatie, classificatie, autorisatie of restrictie). ECHA zet hier sterk op in, Bureau REACH leunt voor het screeningswerk sterk op ECHA en zal mogelijk enkele stoffen in aanvulling hierop screenen.

Ad 3b) Aan de hand van een RMO-analyse worden de meest adequate regulatoire maatregelen met ministeries en lidstaten afgestemd.

Ad 4a) De Nederlandse inbreng aan Annex XV SVHC dossiers wordt voor 2021 op één dossier geschat. Het lastige daarbij is om tot een geschikte stof te komen, deze volgt veelal uit andere processen zoals RMO-analyse en stofevaluatie.

Ad 4b) De taken met betrekking tot de autorisatieverzoeken laten zich lastig beschrijven in aantallen. De autorisatieaanvragen betreffen in de regel één tot drie gebruiken die afzonderlijke opinies behoeven. Aanvragen worden veelal geclusterd in groepen van vergelijkbare aanvragen die door dezelfde rapporteurs worden behandeld uit efficiëntieoverwegingen. Naast twee beoogde rapporteurschappen levert Nederland op circa 75% van alle opinies m.b.t. autorisatieverzoeken.

Ad 5) Nederland levert input op vrijwel alle restrictiedossiers. Bureau REACH stelt een restrictiedossier op voor DMAC en NEP, dit zijn oplosmiddelen met specifieke eigenschappen die echter zeer schadelijk kunnen zijn voor werknemers die hieraan worden blootgesteld, welke in 2021 gereed zal komen. Er worden twee rapporteurschappen voorzien. Bureau REACH heeft in 2020 de additionele opdracht gekregen om in samenwerking met enkele andere lidstaten en ECHA in drie jaar tijd een restrictiedossier op te stellen voor PFAS. Deze opdracht ter grootte van in totaal €6 miljoen verdeeld over de jaren 2020, 2021 en 2022 wordt financieel verantwoord op artikel 19 van de begroting (19.02.03 bijdrage aan RIVM).

Ad 6) De aantallen Nederlandse CLH-voorstellen nemen iets toe nu Ctgb zelf dossiers opstelt en Bureau REACH deze toetst, indient en procesmatig de dossiers afhandelt. Voor classificatievoorstellen worden circa zes rapporteurschappen voorzien.

Ad 7) Het RIVM beantwoordt zowel vragen van de REACH Helpdesk als de CLP-Helpdesk. Het aantal vragen lijkt in de afgelopen jaren zeer beperkt af te nemen.

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

Het ZZS-beleid is gericht op het terugdringen van emissies van ZZS in de leefomgeving. Bij emissies naar de lucht en het water is dat vormgegeven door bronbeleid door het gebruik van ZZS te vermijden, substitutie van de ZZS door een minder gevaarlijke stof of door het productieproces aan te passen. Verder geldt voor de emissies een minimalisatieverplichting. Via een proces van een vijfjaarlijkse melding aan bevoegd gezag van de maatregelen die de producenten nemen om gebruiken en emissies van ZZS terug te dringen, wordt een continu proces van verbetering beoogd. De eerste vijfjaarlijkse melding van ZZS-emissies aan bevoegd gezag eindigt op 1 januari 2021. Na die datum ontstaat een beter beeld van de omvang en verspreiding van ZZS in de leefomgeving en op de maatregelen die worden genomen om ZZS in de leefomgeving terug te dringen.

Asbestdaken

Op basis van het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 is het beleid erop gericht om asbestdaken als belangrijkste resterende bron van asbestvezels in de leefomgeving te saneren. Uit onderzoek is gebleken dat asbestdaken al na 15 jaar verweren en asbestvezels naar de leefomgeving verspreiden. Daarnaast hebben branden regelmatig tot gevolg dat de omgeving wordt verontreinigd met asbest, hetgeen risico’s voor de gezondheid en hoge opruimkosten met zich meebrengt.

Een wetsvoorstel dat moest voorzien in de juridische grondslag om asbesthoudende dakbedekkingen te kunnen verbieden, is op 4 juni 2019 verworpen door de Eerste Kamer. Desondanks blijft het streven om alle asbestdaken in Nederland zo snel en verantwoord mogelijk te verwijderen.

Het kabinet heeft na bestuurlijk overleg met een aantal provincies, gemeenten, betrokkenen uit de bouw- en asbest sector en andere maatschappelijke partijen ingezet op een pakket niet-wettelijke maatregelen.

Het aantal vierkante meters asbestdak in Nederland is in 2012 ingeschat op 120 mln. Het Ministerie van IenW volgt de sanering van de asbestdaken en brengt per kwartaal in beeld hoeveel daken er zijn gesaneerd. In onderstaande tabel wordt op jaarbasis de stand van zaken en de planning van de saneringsoperatie in beeld gebracht. Omdat momenteel verschillende provincies en gemeenten de asbestdaken op hun gebied in kaart brengen op basis van feitelijke waarnemingen, zal onderstaand overzicht met betrekking tot het resterend aantal vierkante meters zo nodig worden geactualiseerd.

Tabel 63 Sanering asbestdaken (aantallen in miljoenen m2

Jaar

Gesaneerd

Resterend

2012

(-)

120

2013

4,5

115,5

2014

5,9

109,6

2015

6,9

102,7

2016

9,9

92,8

2017

10,8

82

2018

12,8

69,2

2019

9,8

59,4

Bron: Startmeldingenbestand van de Inspectie SZW (meldingen saneerders bij aanvang sanering), bewerkt door RWS.

Bevt

Voor het oplossen van knelpunten veroorzaakt door het Basisnet is de milde saneringsregeling Bevt (Besluit externe veiligheid transport) gestart.35 Deze regeling heeft betrekking op het oplossen van huidige en mogelijke toekomstige knelpunten bij bestaande woningen langs basisnetroutes. Bij aanvang van deze regeling was er sprake van 42 kwetsbare objecten en per 1 januari 2020 resteren nog 4 woningen. Deze regeling loopt nog tot en met 2020 (bron: RWS).

GGO’s

Er is gekozen om over de uitvoering van de GGO-regelgeving niet alleen kengetallen te vermelden maar ook indicatoren. Immers, kengetallen geven uitsluitend een beeld van wat de bestede middelen voor vergunningverlening aan resultaten hebben opgeleverd, maar zij bieden geen inzicht in de mate waarin vergunningverlening aan het bereiken van het beleidsdoel heeft bijgedragen.

Kengetallen zijn de aantallen ontvangen vergunningaanvragen, aanvragen voor wijziging van vergunningen, kennisgevingen, wijzigingen op kennisgevingen en art.2.8-verzoeken.

Indicatoren zijn het percentage van het aantal vergunningaanvragen, kennisgevingen of art.2.8 verzoeken voor handelingen waarbij het risico voor mens en milieu gelijk of lager is dan een verwaarloosbaar risico.

De GGO-regelgeving is op 1 maart 2015 gewijzigd36 waarbij naast vergunningen ook algemene regels, de mogelijkheid tot het doen van kennisgevingen en verzoeken ingevolge art. 2.8 van het Besluit ggo milieubeheer 2013 zijn geïntroduceerd en de structuur van de vergunningverlening is gewijzigd. Dit gegeven zorgt ervoor dat nog maar een beperkte set historische kengetallen voorhanden is. De prognose voor 2021 is dat de realisatie eenzelfde beeld als 2019 te zien zal geven.

Tabel 64 Realisatie 2019

2019

Kengetal

Indicator

Ingeperkt gebruik:

  

Aanvragen vergunningen[3]

413

100%

Kennisgevingen[4]

53

100%

Verzoeken ex art. 2.8 Besluit ggo

145

100%

Introductie in het milieu, landbouw (inclusief marktaanvragen)

0

100%

Introductie in het milieu, medisch, veterinair

34

100%

Totaal

645

n.v.t.

Bron: RIVM, Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen.

Majeure risicobedrijven

Jaarlijks rapporteert de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer de Staat van de Veiligheid bij de Brzo-bedrijven. De Staat van de Veiligheid Brzo-bedrijven schetst vanuit een breed perspectief een beeld van de naleving en de veiligheidssituatie van de Brzo-bedrijven in Nederland. Met deze benadering wordt vanuit verschillende invalshoeken het beeld over de veiligheid bij deze groep bedrijven losgekoppeld van de individuele casuïstiek bij bedrijven. Op basis van een jaarlijks terugkerende rapportage (eerste rapportage in 2014) kunnen tevens trends en ontwikkelingen over de veiligheid bij de Brzo-bedrijven zichtbaar worden en waar nodig specifieke sturingsmaatregelen worden genomen. In 2021 zal verder worden gewerkt aan het identificeren en gestart worden met monitoren van aanvullende indicatoren die een breder beeld van de veiligheidssituatie bij Brzo-bedrijven kunnen geven. De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven is een monitoringsinstrument voor de stelselverantwoordelijke departementen (IenW, JenV en SZW). Voor de zomer 2020 zal de Staat van de Veiligheid Brzo-bedrijven (Kamerstukken II 2019-2020 26956, nr. 214) over 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Asbest

Om particuliere dakeigenaren te helpen bij het verwijderen van hun asbestdak, wordt samen met andere overheden een fonds opgericht waaruit leningen kunnen worden verstrekt aan dakeigenaren die niet in aanmerking komen voor een reguliere lening. Het voornemen is om leningen uit dit fonds tot en met 2028 te verstrekken om realisatie van vrijwillige sanering maximaal te stimuleren. Daarnaast wordt onderzocht of er ook een zakelijk fonds kan worden opgericht. Hiervoor wordt in 2020 een aantal juridische en financiële vraagstukken onderzocht.

Naast het oprichten van het fonds wordt samengewerkt aan meer en gerichte communicatie om dak eigenaren te wijzen op het belang van sanering van asbestdaken. Gemeenten worden geholpen met het uitwisselen van best practices. Monitoring zorgt voor een goed beeld van de resterende saneringsopgave en helpt bij een doelgroepgerichte aanpak. Ook wordt ingezet op vereenvoudiging van de uitvoering van de asbestdakensanering, waar dit veilig en verantwoord kan. Hierdoor kunnen de kosten mogelijk worden verlaagd.

De Tweede Kamer wordt over de resultaten van de initiatieven onder deze samenwerking voor het eind van 2020 geïnformeerd.

Duurzame veiligheid

Binnen het programma Duurzame Veiligheid 2030 (DV2030) wordt ernaar gestreefd om per 2030 een (petro-)chemische industrie zonder noemenswaardige incidenten te bewerkstelligen. Partners uit het bedrijfsleven, wetenschap en overheid werken hiertoe samen in vijf themagewijze roadmaps. In deze roadmaps worden diverse projecten en onderzoeken uitgevoerd. Eind 2020 zal DV2030 na een evaluatie worden afgerond. Onderdelen van DV2030 zullen landen in de in 2020 opgerichte Safety Delta Nederland (SDN). In deze organisatie zetten overheid, wetenschap en bedrijfsleven de met DV2030 ingezette samenwerking en koers voort waardoor de (petro-)chemische industrie in Nederland in 2030 de veiligste ter wereld moet worden. Zo worden bijvoorbeeld een Kenniscentrum opgericht en diverse onderzoekstrajecten in gang gezet.

Omgevingswet

In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een ramp of crisis voorkomen of de gevolgen er van beperken. Onder de Omgevingswet is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgesteld. In het Bkl is onder andere vastgelegd dat er een Register voor externe veiligheidsrisico’s (REV) moet komen, dat door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt beheerd en dat voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk moet zijn (artikel 10.8 Bkl).

Kort samengevat staat in de Omgevingswet dat vanaf 2022 in het REV de informatie van circa 40 activiteiten vanuit ruim 400 bronhouders langs elektronische weg toegankelijk gemaakt moet worden.

Deugdelijke informatie over de leefomgeving is cruciaal voor uitvoering van de zorgplicht in de Omgevingswet. Vanaf 2021 gaat het REV voorzien in de informatiebehoefte van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Daarnaast moet het REV ook aan burgers en bedrijven/organisaties inzicht geven in de lokale situatie van externe veiligheid.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan, een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevaarlijke stoffen moet het bevoegd gezag in deze aandachtsgebieden expliciet nadenken over de risico’s en mogelijke effecten van een incident met gevaarlijke stoffen. Mede op basis van het risicoprofiel van de activiteit met gevaarlijke stoffen overweegt het bevoegd gezag maatregelen in het aandachtsgebied om personen te beschermen en om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen.

Doordat het aandachtsgebied en de risicocontouren visueel worden gemaakt op kaarten, zullen ruimtelijke ordenaars in hun plannen eerder rekening kunnen houden met de gevaren, zoals een brand, explosie of giftige wolk. In 2020 en 2021 ligt het accent op het vaststellen van de aandachtsgebieden rondom alle Seveso-bedrijven en rondom andere risicovolle activiteiten, waarvan het aandachtsgebied berekend moet worden.

Veiligheid en gezondheid moeten, mede als voorwaarde voor het realiseren van een circulaire economie, van meet af aan in innovatieve ontwikkelingen worden meegenomen omdat alleen dan ook in de toekomst een gezonde en veilige leefomgeving realiseerbaar is. Safe-by-Design (‘Veilig aan de Voorkant’) wordt ingezet om invulling te geven aan die voorwaarde en is daarom van groot belang voor het voorkomen van milieurisico’s. Met de brief ‘Beleidsaanpak omgevingsveiligheid en milieurisico’s’ is de Kamer geïnformeerd over deze nieuwe ambities voor de aanpak van milieurisico’s en de acties die daar in 2020 en verder uit voortvloeien (Kamerstukken II 2017-2018 28 089, nr. 88).

In 2020 is verder invulling gegeven aan de beleidsmodernisering veiligheid biotechnologie die in de Kabinetsreactie Trendanalyse Biotechnologie37 is aangekondigd. Op 4 april 2019 is hierover een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2018-2019 27 428, nr. 355). Het doel van de beleidsmodernisering is ten minste te waarborgen dat de veiligheid van mens, dier en milieu is gewaarborgd bij toepassingen van biotechnologie en dat beleid en regelgeving zijn toegesneden op toekomstige ontwikkelingen. Hiertoe vindt continu dialoog plaats met (wetenschappelijke) onderzoekinstellingen, bedrijven, maatschappelijke organisaties, het RIVM, de COGEM en medeoverheden. De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de ontwikkelingen.

In 2020 eindigt een tweejaarlijkse cyclus van aanpassing van de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en binnenwateren. De regels zijn dan aangepast aan de laatste stand van wetenschap en techniek, en zij worden in 2021 geïmplementeerd in nationale wetgeving. In het internationale overleg hierover zet Nederland in op voortdurende verbetering van de veiligheid en harmonisatie van voorschriften. Moderne informatie- en communicatietechnieken spelen hierin een belangrijke rol, evenals het intrinsiek veilig ontwerpen van vervoermiddelen. Hiermee sluit Nederland aan bij de nieuwe VN-strategie voor duurzaam vervoer, die in februari 2019 is vastgesteld.

Vuurwerk

Ook in 2021 is de beleidsinzet voor vuurwerk gericht op het realiseren van een veilige en feestelijke jaarwisseling. Begin 2021 worden de uitkomsten van het onderzoek naar verbeteren van de vuurwerkveiligheid (uitgezet cf. advies OVV) verwacht. Deze vormen in combinatie met de evaluatie van de jaarwisseling 2020-2021 de basis voor mogelijke nieuwe maatregelen. Verder is aanpassing van het Vuurwerkbesluit voorzien (met o.a. technische wijzigingen). Zoals ieder jaar worden middelen ingezet voor monitoring van de jaarwisseling door rapporten van VeiligheidNL, het ontwikkelen van een vuurwerkcampagne en een lesprogramma voor basisscholen.

Tabel 65 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 22 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

21.788

39.680

42.980

42.924

55.717

55.733

60.787

        

Uitgaven

30.339

37.499

36.210

42.609

55.402

55.418

60.472

Waarvan juridisch verplicht

  

76%

    
        

1 Veiligheid chemische stoffen

6.773

7.959

8.250

7.980

8.072

8.091

8.633

Opdrachten

3.820

4.426

4.389

4.125

4.249

4.268

4.810

Subsidies

102

468

215

209

177

177

177

Bijdrage aan agentschappen

2.851

3.065

2.646

2.646

2.646

2.646

2.646

- Overige Bijdragen aan agentschappen

220

228

228

228

228

228

228

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.631

2.837

2.418

2.418

2.418

2.418

2.418

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

        

2 Veiligheid biotechnologie

3.250

3.771

2.778

2.802

2.811

2.811

2.811

Opdrachten

3.250

3.771

2.778

2.802

2.811

2.811

2.811

        

3 Veiligheid bedrijven en transport

20.316

25.769

25.182

31.827

44.519

44.516

49.028

Opdrachten

3.461

11.899

17.635

23.643

36.322

36.318

40.828

- Overige Opdrachten

2.447

7.615

5.253

12.238

22.147

22.142

22.148

- Omgevingsveiligheid

1.014

4.284

12.382

11.405

14.175

14.176

18.680

Subsidies

11.115

7.709

2.864

2.887

2.896

2.897

2.898

- Overige Subsidies

193

523

567

571

573

574

574

- Subsidies inrichtingen & transport

2.040

7.104

2.297

2.316

2.323

2.323

2.324

- Subsidies Asbest

8.800

0

0

0

0

0

0

- Subsidies Caribisch Nederland

82

82

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

1.933

2.341

1.573

1.573

1.573

1.573

1.573

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.933

2.341

1.573

1.573

1.573

1.573

1.573

Bijdrage aan medeoverheden

100

88

0

0

0

0

0

- Caribisch Nederland

100

88

0

0

0

0

0

Inkomensoverdrachten

3.707

3.732

3.110

3.724

3.728

3.728

3.729

        

Ontvangsten

1

250

250

250

250

250

250

Budgetflexibiliteit

22.01 Veiligheid chemische stoffen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen en bijdrage ZBO’s/RWT’s (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachten- en subsidiebudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten en subsidies, waaronder opdrachten in de sfeer van wettelijke taken inzake het (inter)nationale stoffenbeleid evenals de vergunningverlening op dat gebied en de jaarlijkse bijdragen aan de Gezondheidsraad. 

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel heeft met name betrekking op het uitvoeren van de programma’s REACH, waaronder ook de onderzoeken in het kader van de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen en Safe-by-Design («Veilig aan de voorkant»).

22.02 Veiligheid biotechnologie

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht als gevolg van de jaarlijkse bijdrage aan de COGEM en de uitgaven in het kader van het meerjarenonderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt aangewend voor uitgaven in het kader van de beleidsondersteuning voor de uitvoering van beleid en regelgeving op het gebied van Veiligheid Biotechnologie. De werkzaamheden die aan het RIVM worden uitbesteed ter uitvoering van opgedragen wettelijke taken op het gebied van Veiligheid Biotechnologie (vergunningverlening, regelgeving en beleidsondersteuning) worden verantwoord op beleidsartikel 19 van de begroting (onder 19.02.03 bijdrage aan RIVM).

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen, bijdragen aan medeoverheden (Caribisch Nederland) en inkomensoverdrachten zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van (wettelijke) taken inzake basisnetten, omgevingsveiligheid en asbest. Van het subsidiebudget wordt het budget voor de subsidieregeling Versterking omgevingsveiligheid chemische sector 2021 in de Staatscourant gepubliceerd en is hiermee juridisch verplicht. 

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt voor een deel aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid en het beheer van het VTH-stelsel, veiligheid van vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk en asbest.

1 Veiligheid chemische stoffen

Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt aan onder andere de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid. Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van zeer zorgwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening), voor de uitvoering van taken op de gebieden «veiligheid en gezondheid» (gezonde leefomgeving) en «nieuwe risico’s » (nanotechnologie en synthetische biologie).

Subsidies

De subsidies hebben betrekking op het onderwerp veiligheid stoffen.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor voornamelijk de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp «asbest». Daarbij wordt inzet geleverd voor het beheer en verdere ontwikkeling van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS). Daarnaast wordt een bijdrage aan de NVWA verstrekt inzake toezicht op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Dit betreft de bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor de uitvoering van het werkprogramma.

2 Veiligheid biotechnologie

Opdrachten

Ter uitvoering van de wettelijke taak wordt jaarlijks een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) voor het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij de uitvoering van werkzaamheden met GGO's kunnen worden toegepast. Daarnaast worden de uitgaven in het kader van het meerjarige onderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid hier verantwoord.

3 Veiligheid bedrijven en transport

Opdrachten

Omgevingsveiligheid

Het betreft hier uitgaven in het kader van de ‘Versterking uitvoering omgevingsveiligheid (2021-2024) voor de clusters Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo), Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS), Informatie/Kennisinfrastructuur, modernisering Omgevingsveiligheid, nieuwe ontwikkelingen en prioriteiten Rijks-omgevingsveiligheidsbeleid. Door middel van een programmatische aanpak wordt ingezet op het creëren van een veiligere leefomgeving. Het geheel wordt uitgevoerd onder auspiciën van het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb).

Voor de periode 2021 tot en met 2024 zijn de middelen ten behoeve van lokaal omgevingsveiligheidsbeleid toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds en daarmee opgenomen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Bij deze middelen is er afwegingsruimte voor provincies en gemeenten als het gaat om de concrete inzet van de middelen. Er is sprake van beleids- en bestedingsvrijheid met lokale verantwoording.

Overige opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor (wettelijke) taken in het kader van Brzo-bedrijven, vuurwerk, de monitoring van basisnetten (weg, water, spoor), modellenbeheer buisleidingen (Bevb), onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de stelselontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductie maatregelen alsmede de ondersteuning en begeleiding van het verwijderen van asbestdaken.

Subsidies

Asbest

Het betrof hier de uitgaven in het kader van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken die door de RVO is uitgevoerd over de periode 2016-2018. In 2019 zijn de laatste uitgaven gedaan en inmiddels is de subsidieregeling beëindigd.

Inrichtingen en tansport

Het betreft hier de uitgaven in het kader van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid chemische sector, die door de RVO wordt uitgevoerd. Jaarlijks wordt in de Staatscourant het beschikbare jaarbudget gepubliceerd. De huidige regeling loopt af in oktober 2021. Eind 2020 wordt de regeling geëvalueerd en een besluit genomen over het vervolg van de regeling na 2021. Als onderdeel van de uitvoeringsagenda Brzo kunnen ook subsidies worden toegekend onder de noemer «Safety Deals». De Safety Deals zijn complementair aan de maatregelen die versterking van toezicht en handhaving tot doel hebben. Het gaat hier om het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij onder meer de bedrijfsprocessen binnen de chemiesector. Daarnaast zijn hier middelen gereserveerd voor een eenmalige tegemoetkoming aan vuurwerkondernemers om hen te helpen bij het verwerken en opruimen van restvoorraden vuurwerk.

Overige subsidies

De overige subsidies hebben voornamelijk betrekking op de vuurwerkcampagnes en subsidies aan organisaties die een bijdrage leveren aan het vervolmaken van het stelsel van Omgevingsdiensten.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen ‘kennisoverdracht omgevingsveiligheid’ en ‘vergunningverlening’. Daarnaast vinden hier uitgaven plaats voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnetten en vervoer gevaarlijke stoffen.

Bijdrage aan medeoverheden

In 2020 heeft IenW middelen bijgedragen uit de Reservering regionale knelpunten (waaronder BES) (Kamerstukken II 2017-2018 34 775, nr. 54) met betrekking tot de vernieuwing van de brandstofopslag op Bonaire middels een overboeking van € 5 miljoen van IenW naar EZK. De middelen zijn hiermee in de begroting van Ministerie van EZK opgenomen. Ontvangen prijsbijstelling in 2020 voor deze middelen resteert nog op de begroting van IenW.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS). Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom of asbestose heeft als gevolg van contact met asbest buiten de werksituatie.

35

Stcrt. 2015, 10961, Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes.

37

Brief aan TK, Beleidsnota Biotechnologie, reactie op Trendanalyse Biotechnologie 2016 «Regelgeving Ontregeld», 12-12-2016 (Kamerstukken II 2016-2017 27 428, nr. 335).

3.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

Het KNMI adviseert en waarschuwt de samenleving om risico’s met een atmosferische of seismische oorsprong terug te dringen. Het KNMI ontwikkelt daartoe hoogwaardige kennis, verricht waarnemingen, zet deze om in producten en diensten die de veiligheidsrisico’s verminderen, bijdragen aan een duurzame samenleving en economische mogelijkheden bevorderen.

Financieren

De minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT38, ECMWF39 en WMO40.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet taken meteorologie en seismologie. De Minister heeft deze taken belegd bij het agentschap KNMI. De rol ‘(doen) uitvoeren’ heeft betrekking op de volgende taken:

a. het kosteloos verstrekken van algemene weerberichten omtrent de toestand van het huidige weer en het te verwachten weer;

b. waarschuwingen aan het algemeen publiek bij verwacht of werkelijk gevaarlijk of maatschappij-ontwrichtend weer of waarschuwingen bij calamiteiten waarbij het weer een belangrijke rol speelt;

c. het onverwijld informeren van het algemeen publiek bij een significante bodembeweging door geofysische bronnen of vulkanische activiteit;

d. het kosteloos ondersteunen van bestuursorganen in gedefinieerde gevallen.

e. het voortbrengen of verzamelen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens in het kader van de uitvoering van de taken zoals opgenomen in de Wet meteorologie en seismologie;

f. het beheer en onderhoud van de voor de uitvoering van zijn taken noodzakelijke technische infrastructuur;

g. het overeenkomstig ministeriële regeling desgevraagd ondersteunen van bestuursorganen, de rechterlijke organisatie, overheidsbedrijven of openbare lichamen op het terrein van meteorologie, seismologie of andere geofysische terreinen bij de uitvoering van aan hen bij of krachtens wet opgedragen taken;

h. onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling met betrekking tot meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen;

i. meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens of het onderzoek, bedoeld in onderdeel h, op verzoek van internationale organisaties voortbrengen, verzamelen of beschikbaar stellen;

j. het voor hergebruik als bedoeld in de Wet hergebruik van overheidsinformatie, zonder dat daartoe een verzoek is gedaan op grond van die wet, beschikbaar stellen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens of onderzoeksresultaten, of de opzet daarvan, voor zover intellectuele eigendomsrechten van anderen dat niet beperken, waarbij er op basis van een overeenkomst aanvullende dienstverlening kan worden verleend;

k. internationale samenwerking op het gebied van meteorologie en seismologie en andere geofysische terreinen; en

l. het verlenen van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie.

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet.

Indicatoren en Kengetallen

In 2019 heeft de beleidsdoorlichting van artikel 23 plaatsgevonden. Daarin is aanbevolen om de beleidsindicatoren op het artikel te herzien. Hieronder zijn voor de volledigheid zowel de herziene indicatoren als de realisatie op de te vervangen indicatoren opgenomen. Hiernaast zijn in de agentschapsparagraaf van het KNMI de doelmatigheidsindicatoren opgenomen. 2020 geldt als een pilotjaar voor de nieuwe set aan indicatoren. Nadat realisatiegegevens bekend zijn zal worden bezien in hoeverre er nog aanvullingen dan wel kleine wijzigingen benodigd zijn om zo goed als mogelijk de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op artikel 23 aan te kunnen tonen.

In de onderstaande tabel zijn de nieuwe indicatoren voor artikel 23 opgenomen:

Tabel 66 Indicatoren Meteorologie, Seismologie en aardobservatie

Indicator

Streefwaarde/norm

Algemene Klanttevredenheid:

Overall een cijfer van ≥ 7,0.

Klanttevredenheidscijfer kwaliteit voor ontvangen producten/diensten

 

Klanttevredenheidscijfer voor communicatie over producten/diensten.

 

Weer:

 

Beschikbaarheid en ferequentie van de dagelijkse weersverwachtingen.

Minimaal 3x per dag, 365 dagen per jaar.

Percentage uitgegeven weerswaarschuwingen waarna daadwerkelijk gevaarlijk weer is opgetreden.

≥ 60%

Percentage van het algemeen publiek dat wordt bereikt met weerwaarschuwingen

≥ 80%

Percentage van het algemeen publiek dat gedrag aanpast na een weerwaarschuwing (code oranje of rood)

≥ 65%

Klimaat:

 

Beschikbaarheid klimaatbericht KNMI

Minimaal wekelijks 1 bericht

Klanttevredenheid onder gebruikers klimaatproducten KNMI

Overall een cijfer van ≥ 7,0.

Seismologie:

 

Publicatie bevingen in Nederland met magnitude ≥ 3

≥ 98%

Publicatie bevingen in Groningen met magnitude ≥ 1.5

≥ 98%

Percentage burgers dat KNMI op seismologisch gebied als betrouwbaar beschouwt

≥ 75%

Klanttevredenheid onder gebruikers seismologische producten KNMI

Overall een cijfer van ≥ 7,0.

Meetnetwerk en data verspreiding:

 

Beschikbaarheid van meetnetwerk en data met betrekking tot weer

≥ 98,5%

Beschikbaarheid van meetnetwerk en data met betrekking tot klimaat

≥ 98,5%

Beschikbaarheid van meetnetwerk en data met betrekking tot seismologie

≥ 98,5%

Luchtvaart-meteorologische dienstverlening:

Overall een rapportcijfer van ≥ 7,0.

Klanttevredenheidscijfer kwaliteit voor ontvangen producten/diensten.

 

Klanttevredenheidscijfer voor communicatie over producten/diensten.

 

Wetenschappelijk onderzoek:

 

Aantal wetenschappelijke publicaties

Minimaal 65 per jaar

Toelichting

Algemene klanttevredenheid

Deze indicator is een maatstaf voor de kwaliteit van dienstverlening van het KNMI aan haar directe afnemers, zowel aan betalende klanten als gebruikers van publiek-beschikbare data (extranet).

Dit klantbelevingsonderzoek zal iedere twee jaar afgenomen worden onder (professionele) gebruikers van KNMI producten en data en is daarmee een belangrijke aanvulling op het publiekgerichte imago-onderzoek. Daarbij wordt zowel gekeken naar productinhoudelijke als communicatieve aspecten. Het KNMI streeft naar een overall klanttevredenheidscijfer van ≥ 7,0.

Weer

Het KNMI brengt 3 keer per dag een weersverwachting uit. Weerswaarschuwingen worden uitgegeven op basis van de weersomstandigheden en zijn daarom niet genormeerd in aantal. Voor uitgegeven weerwaarschuwingen (code oranje en rood) wordt na afloop geëvalueerd in hoeverre daadwerkelijk gevaarlijk weer is opgetreden. In het imago-onderzoek (1x per 2 jaar) wordt onderzocht in hoeverre waarschuwingen burgers bereiken en leiden tot gedragsaanpassing.

Klimaat

Het KNMI informeert het algemeen publiek wekelijks ten aanzien van het klimaat middels een klimaatbericht. Daarnaast zal de klanttevredenheid van de gebruikers van klimaat-gerelateerde producten ook apart worden uitgelicht bij het klantbelevingsonderzoek.

Seismologie

Voor seismologie informeert het KNMI het algemeen publiek over elke beving in Nederland met een magnitude van 3,0 of hoger. Het uitgebreidere seismologische meetnetwerk in Groningen stelt het KNMI in staat om voor dit gebied ook alle bevingen met een magnitude van 1,5 of hoger waar te nemen. Voorwaarde voor waarneming is de beschikbaarheid van het netwerk, vandaar dat de norm hiervoor op minimaal 98% is gesteld. Ten aanzien van de kwaliteit van dienstverlening en berichtgeving zal ook gekeken worden naar de geloofwaardigheid van het KNMI onder burgers (imago-onderzoek) en de klanttevredenheid van de professionele gebruikers van seismologische data (klantbelevingsonderzoek).

Meetnetwerk en data verspreiding

Voor de beschikbaarheid van het meetnetwerk wordt een norm van ≥ 98,5% gehanteerd en wordt specifiek gekeken naar het netwerk voor weer, klimaat en seismologie.

Luchtvaart-meteorologische dienstverlening

Aangezien dit een specifieke categorie van de taken van het KNMI betreft wordt voor de luchtvaartsector (onder andere LVNL, vliegvelden en luchtvaartmaatschappijen) de klanttevredenheid separaat uitgelicht.

Wetenschappelijk onderzoek

Het KNMI realiseert minimaal 65 wetenschappelijke publicaties per jaar. Wetenschappelijk onderzoek is echter geen kwantitatief doel op zich, maar ondersteunend aan de overige taken en beleidsdoelstelling van het KNMI.

Hieronder volgt voor de volledigheid de realisatie tot en met 2019 van de vervangen indicatoren:

Tabel 67 Indicatoren en kengetallen m.b.t. weers- en maritieme verwachtingen
 

Realisatie

Streefwaarde/ norm

 

2015

2016

2017

2018

2019

 

Indicatoren

      

Algemene weersverwachtingen en adviezen

      

– afwijking min.temperatuur (°C)

0,45

0,44

0,34

0,17

0,31

ABS[1] (<0,5)

– afwijking max.temperatuur (°C)

‒ 0,31

‒ 0,36

‒ 0,31

‒ 0,34

‒ 0,41

ABS (<0,5)

– gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,00

0,26

‒ 0,12

‒ 0,1

0,13

ABS (<1,0)

Maritieme verwachtingen

      

– tijdigheid marifoonbericht (%)

99,5

98,9

99,4

99,8

99,5

> 99

Gereviewde publicaties

120

113

139

112

95

> 80

Kengetallen

      

Aantal uitgegeven weeralarmen

1

2

1

1

1

 

Percentage tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten (Bron: EUMETSAT)

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

Bron: KNMI, 2020

Toelichting

De indicatoren ten aanzien van algemene weers- en maritieme verwachtingen geven een indruk van de tijdigheid van de berichtgeving door het KNMI en de gemiddelde afwijking van verwachte waardes voor temperatuur en windsnelheid ten opzichte van de uiteindelijk waargenomen waardes. Voor bepaling van het kengetal voor de minimum- en maximumtemperatuur wordt gebruikgemaakt van de verwachting die de meteoroloog bepaalt om 09.00 uur ’s ochtends voor de dag van morgen, voor de regio midden-Nederland. De minimum temperatuur wordt na ca. 24 uur bereikt en de maximum temperatuur na ca. 30 uur. De bias tussen de verwachte- en opgetreden minimum- en maximumtemperatuur (het gemiddelde van de weerstations in midden-Nederland) wordt middels een geautomatiseerd systeem gegenereerd. Deze waarden worden maandelijks bepaald. Het aantal gereviewde publicaties in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften is een maatstaf voor de kwantiteit en kwaliteit van het onderzoek van het KNMI.

Het aantal weeralarmen is afhankelijk van de weersomstandigheden; hierdoor is er geen norm aan te verbinden. Bovendien is het afgeven van een weeralarm geen doel op zich. Wel is belangrijk dat het instrument weeralarm effectief wordt ingezet om de samenleving tijdig te waarschuwen voor maatschappij-ontwrichtend weer. In het jaarverslag zal worden ingegaan op het aantal opgetreden weeralarm-situaties en de mate waarin het KNMI gegrond heeft gewaarschuwd, dan wel gegrond niet heeft gewaarschuwd.

Het kengetal tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten geeft een beeld van de tijdige beschikbaarheid van de gegevens van de METEOSAT- en METOP-satellieten voor de meteorologische producten van het KNMI. Indien de streefwaarden niet worden gehaald, heeft dat een negatieve impact op de kwaliteit van de weersverwachting op de dagen van gebrekkige beschikbaarheid van de waarnemingen. Het gevolg hiervan is afhankelijk van de dan optredende weerssituatie.

De gevolgen van klimaatverandering zullen op termijn ook merkbaar worden in de weersomstandigheden wat mogelijk zal leiden tot meer overstromingen, meer droogte en hitte, meer extreme buien en zwaardere windstoten. Het maatschappelijke en economische belang van de kwaliteit, continuïteit en betrouwbaarheid van waarschuwingen en adviezen neemt hierdoor toe. Daarmee neemt de noodzaak om de samenleving eerder en preciezer te waarschuwen en adviseren ook toe. En dan niet alleen voor extreem weer, ook aardbevingen, zonnestormen of toekomstig (extreem) weer maken daar onderdeel van uit ‘(multi hazard’). In de periode 2020 ‒ 2025 werkt het KNMI aan de realisatie van het Early Warning Centre (EWC), van waaruit adviezen en waarschuwingen op het terrein van meteorologie, klimatologie, seismologie en aardobservatie worden gegeven en producten optimaal worden toegesneden op de behoeften van afnemers en het publiek. 

Om de ambities te realiseren is het nodig om de ICT integraal en fundamenteel op een hoger plan te brengen. Hiervoor is een I-strategie opgesteld waarvan de implementatie in 2020 als programma is gestart. De aanpak laat zich vooral kenmerken door het iteratieve karakter en de intensieve samenwerking met de staande organisatie om de plannen direct in de praktijk te toetsen, bij te stellen en te borgen. De werkwijze wordt geleidelijk ontwikkeld naar het alleen nog maar Werken onder Architectuur.

Ook modernisering van de waarneeminfrastructuur wordt als een programma uitgevoerd (Modernisering Waarneeminfrastructuur (MWI)). De realisatiefase is in 2020 gestart. Een van de belangrijkste sporen is een aanbesteding voor een deel van de nieuwe waarneeminfrastructuur en parallel de opbouw van de organisatie voor doorontwikkeling en beheer. Voor het Vrijwillig Neerslag Meetnet (VNM) wordt een nieuwe tool ontwikkeld voor het verzamelen van data. Voor metingen op schepen (de zgn. VOS-vloot) zal de verzameling deelnemende schepen geoptimaliseerd worden. Op deze schepen zullen automatische meetsystemen worden geïnstalleerd die door het KNMI zijn ontwikkeld in samenwerking met buitenlandse partners.

Tabel 68 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 23 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

55.852

59.537

60.011

59.428

54.332

52.435

52.984

        

Uitgaven

55.242

59.650

59.046

58.342

51.366

51.349

50.018

Waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

1 Meteorologie en seismologie

33.607

38.452

42.326

40.959

40.771

39.684

35.350

Bijdrage aan agentschappen

32.763

35.112

38.986

37.619

37.431

36.344

32.010

- Waarvan bijdrage aan meteorologie

31.490

33.059

36.933

36.025

35.836

34.749

30.415

- Waarvan bijdrage aan seismologie

1.273

1.010

1.011

942

943

943

943

- Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

0

1.043

1.042

652

652

652

652

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

844

3.340

3.340

3.340

3.340

3.340

3.340

- Contributie WMO (HGIS)

844

940

940

940

940

940

940

- Contributie ECMWF (HGIS)

0

2.400

2.400

2.400

2.400

2.400

2.400

        

2 Aardobservatie

21.635

21.198

16.720

17.383

10.595

11.665

14.668

Bijdrage aan agentschappen

21.635

21.198

16.720

17.383

10.595

11.665

14.668

- Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

21.635

21.198

16.720

17.383

10.595

11.665

14.668

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor de bijdrage aan het agentschap KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De bijdrage aan het agentschap KNMI heeft een structureel karakter.

1 Meteorologie en seismologie

Bijdrage aan agentschappen

KNMI Meteorologie

  • Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer (code geel, code oranje en weeralarm);

  • Ter beschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;

  • Ter beschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

  • Het leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario’s);

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de meteorologie;

  • Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij over weer en klimaat.

KNMI Seismologie

  • Continue monitoring van natuurlijke en geïnduceerde seismiciteit in Nederland;

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de seismologie;

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van aardbevingen en tsunami’s;

  • Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het Nationaal Data Centre (NDC) voor de CBTBO.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributies aan de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) en het European Centre for Medium-Range Weather Forecasts (ECMWF) te voldoen. Deelname aan de activiteiten van de WMO en het ECMWF wordt gefinancierd uit HGIS.

WMO

De WMO is de overkoepelende gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties op het gebied van weer, klimaat en water. De WMO is van groot belang voor internationale samenwerking op meteorologisch gebied, de uitwisseling van meteorologische gegevens en producten en het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van weer en klimaat.

ECMWF

Het Europees Centrum voor Weersverwachtingen op de Middellange Termijn (ECMWF), gevestigd in Reading, UK, is een intergouvernementele organisatie van 22 Europese lidstaten, waaronder Nederland. Het ECMWF ontwikkelt en onderhoudt numerieke globale weermodellen voor middellange en lange termijn weersverwachtingen. De operationele numerieke weersverwachtingen van het ECMWF worden 24/7 verspreid aan afnemers binnen de lidstaten. Ook stelt het ECMWF computer rekencapaciteit beschikbaar aan de lidstaten. Vanwege de Brexit is besloten om het Copernicus-gedeelte van het ECMWF naar het Europese vasteland te verplaatsen. Het is nog onduidelijk waar dit onderdeel zal worden gevestigd.

2 Aardobservatie

Bijdrage aan agentschappen

KNMI

Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten wordt in Europees verband uitgevoerd door EUMETSAT, een intergouvernementele organisatie van 30 lidstaten. Deze operationele satellieten leveren informatie die onontbeerlijk is voor het monitoren van weer en klimaat. Het KNMI vertegenwoordigt Nederland bij EUMETSAT. Het budget van EUMETSAT en daarmee ook de contributie aan EUMETSAT wordt jaarlijks in de Council vastgesteld.

De begroting volgt in grote lijnen de begroting van EUMETSAT. Deze begroting kende in de periode 2018-2022 een piek door het samenvallen van een aantal programma’s. Vanaf 2023 wordt de begroting van EUMETSAT lager waardoor ook de hier begrote bedragen lager zijn. Echter, de contributies van lidstaten aan EUMETSAT zijn mede afhankelijk van de kosten voor de ontwikkeling van de nieuwe generatie satellieten. Dergelijke programma’s kunnen soms vertraagd worden, zoals door een technisch probleem bij de ontwikkeling. Dit leidt tot een verschuiving van kosten naar latere jaren en soms ook een reductie van de contributie in het daaropvolgende jaar.

38

European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites; www.eumetsat.int.

39

European Centre for Medium-Range Weather Forecasts; www.ecmwf.int.

40

World Metereological Organization; www.wmo.ch.

3.12 Artikel 24 Handhaving en Toezicht

Het stimuleren en bewaken van veilige vervoers- en watersystemen en een duurzame leefomgeving.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving.

Binnen het departement is de uitvoering van de handhaving en het toezicht opgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De werkzaamheden van de inspectie worden grotendeels gefinancierd via bijdragen vanuit IenW. Een deel van de kosten van vergunningverlening wordt gefinancierd vanuit tarieven aan externe partijen.

De Autoriteit woningcorporaties als onderdeel van de ILT houdt namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toezicht op de woningcorporaties. Dit toezicht wordt, met uitzondering van het toezicht op de naleving van de Wet normering topinkomens (WNT) gefinancierd via een jaarlijkse heffing op deze woningcorporaties. Het toezicht op de naleving van de WNT wordt uit de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gefinancierd.

Namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt toezicht gehouden op het gebruik van gassen die invloed hebben op het klimaat. Naast ozonlaag afbrekende gassen zijn dit ook gassen die als broeikasgas worden bestempeld.

De ILT voert het toezicht uit en geeft vergunningen af voor de zogenaamde precursoren voor explosieven namens de Minister van Justitie en Veiligheid. Deze stoffen kunnen worden gebruikt om (terroristische) aanslagen te plegen. Verkoop ervan is door een vergunningstelsel beperkt.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap ILT.

De rol uitvoeren heeft betrekking op:

  • Toezicht door middel van inspecties / controles

  • Het houden van audits

  • Het afhandelen van incidenten / voorvallen

  • Het doen van onderzoeken

  • Vergunningverlening

  • Afhandeling meldingen

  • Afhandeling vragen

Een beschrijving van het uitvoeringsprogramma van de ILT is te vinden in het Meerjarenplan 2021 (MJP) dat in het najaar 2020 aan de Tweede Kamer wordt verzonden. In dit meerjarenplan wordt de Tweede Kamer ook verder geïnformeerd over het toezicht op de woningcorporaties van de Autoriteit woningcorporaties.

De ILT zet haar schaarse capaciteit selectief in op de terreinen waar de maatschappelijke risico’s het grootst zijn en waar het handelen van de ILT het meeste effect kan sorteren. Een belangrijke pijler voor deze afweging is de ILT-Brede Risicoanalyse (IBRA). Deze wordt tegelijk met het MJP aangeboden aan de Tweede Kamer. Deze ontwikkelde methode helpt de ILT om ordelijk te kiezen, op basis van maatschappelijke schade, aan welke taken zij prioriteit geeft en aan welke niet. De grootste maatschappelijke risico’s worden door de ILT programmatisch aangepakt, met telkens de meest kansrijke combinatie van disciplines, specialisten en instrumenten. Daarbij worden instrumenten ingezet van gerichte nalevingscommunicatie tot opsporing.

Ontwikkelingen binnen en buiten de ILT zorgen ervoor dat het werk van de ILT de komende tijd zal veranderen. De snel veranderende wereld en (technologische) ontwikkelingen in de maatschappij vragen dat van de ILT. Maar ook de conclusies uit de parlementaire enquête over de Fyra en de vele taken van de ILT eisen dat de organisatie verandert. De ILT wil haar taken kunnen uitvoeren en daarbij voldoende flexibel worden en blijven om te kunnen meebewegen met nieuwe ontwikkelingen. De basis voor de verandering is:

  • A. informatiegestuurd (data) werken en transparant over resultaten;

  • B. selectieve en effectieve inzet gebaseerd op de hiervoor genoemde risicoanalyse;

  • C. invulling geven aan reflectieve en signalerende functie;

  • D. optimale dienst- en vergunningverlening en verbetering kostendekkendheid.

De ILT heeft in 2020 een meerjarig hogere bijdrage ontvangen. Met deze impuls is het aantal inspecteurs vanaf 2021 structureel verhoogd. Op basis van de ILT-brede risicoanalyse (IBRA) worden de nieuwe medewerkers daar ingezet, waar het risico hoog is en waar de inzet vergroot moet worden om tot een voldoende niveau van toezicht te komen. De focus verschuift daarbij van reguliere werkzaamheden naar een meer programmatische aanpak. In het meerjarenplan 2021 van de ILT wordt verder ingegaan op de besteding van deze extra middelen.

Tabel 69 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 24 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

134.798

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

        

Uitgaven

134.798

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

Waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

1 Handhaving en toezicht

134.798

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

Bijdrage aan agentschappen

134.798

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

- Waarvan bijdrage aan agentschap ILT

134.798

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor de bijdrage aan het agentschap ILT zijn volledig juridisch verplicht. De bijdrage aan het agentschap ILT heeft een structureel karakter.

1 Handhaving en toezicht

Bijdrage aan agentschappen

Bijdrage aan agentschap ILT

De werkzaamheden die de ILT uitvoert zijn toe te wijzen aan de hieronder weergegeven onderdelen. In het MJP 2021 staat uitgebreider beschreven welke taken worden uitgevoerd en de bijbehorende kengetallen ten aanzien van programma’s, vergunningverlening en toezicht. De ILT voert haar werkzaamheden uit op basis van de volgende verdeling:

  • A. Programmatisch

  • B. Niet-programmatisch

  • C. Onderzoek en handhaving (incidenten)

  • D. Optimale dienstverlening en vergunningverlening

  • E. Autoriteit woningcorporaties

A. Programma's in 2020

De ILT zet haar middelen in op de taken met de grootste maatschappelijke risico’s, zoals die met behulp van de ILT-Brede Risicoanalyse (IBRA) zijn berekend. De maatschappelijke vraagstukken vereisen steeds vaker een integrale in plaats van sectorale benadering waarbij ook rekening is gehouden met de technologische ontwikkelingen. De grootste maatschappelijke risico’s worden als eerste programmatisch opgepakt. Deze nieuwe aanpak vraagt om samenwerking met collega’s van beleid en van andere inspecties op basis van een gedegen informatiepositie, een efficiënte inzet van multidisciplinaire teams en de juiste middelen, gericht op het grootste maatschappelijke effect.

Op basis van IBRA, de wettelijke verplichtingen, de beleidsinzet en het beeld van verwachte toekomstige risico’s breidt de ILT haar programmatische aanpak steeds verder uit. In 2021 lopen de volgende programma’s:

  • 1. Minder broeikasgassen

  • 2. Duurzame producten

  • 3. Bodem

  • 4. Onjuiste verwerking afvalstoffen

  • 5. Slim en veilig goederenvervoer over de weg

  • 6. Schoon schip

  • 7. Veilig en duurzaam Schiphol

  • 8. Veiligheid op het spoor

  • 9. Verstoring marktwerking bij taxivervoer

  • 10. Optimaliseren dienst- en vergunningverlening

  • 11. Regie en Toezicht op Externe Relaties en Producten

  • 12. Legionella

Het programma ‘Schiphol’ is ingegeven door het politiek-bestuurlijk belang.

B. Niet-programmatisch werken

Toezicht en opsporing

Toezicht en opsporing is in 2021 voor een groot deel (nog) niet ondergebracht in de programma’s. Het aantal taken dat de ILT via programma’s uitvoert zal de komende jaren steeds verder uitbreiden waardoor de omvang van het niet-programmatische werk kleiner zal worden. Een aantal taken van de ILT zijn erg specifiek en een integrale programmatische aanpak waarbij meerdere taken worden gecombineerd in één plan ter bestrijding van een maatschappelijk risico heeft dan geen meerwaarde. Er zal dan ook altijd een deel van het niet-programmatische toezicht blijven bestaan.

Het toezicht blijft zich door de verbetering van de informatiepositie van de ILT, de samenwerking met overige toezichthouders, de innovaties zoals het datalab en de toepassing van nieuwe methoden en technologieën ontwikkelen.

De inlichtingen en opsporingsdienst (IOD) van de ILT richt zich, veelal samen met andere bijzondere opsporingsdiensten en afgestemd met het Openbaar Ministerie, op de aanpak van criminele en ondermijnende activiteiten op het gebied van milieu, transport en wonen.

Regie en toezicht op externe relaties en productie

De ILT voert regie en houdt toezicht op ruim 1450 instellingen die een rol spelen in het stelsel van conformiteitsbeoordelingen binnen het werkveld van IenW. Het gaat daarbij om:

  • 1. Door de Minister gemandateerde partijen,

  • 2. ASBO’s (Assessement body’s). Conformiteitsbeoordelende instanties ten aanzien van personen, diensten, managementsystemen, producten en laboratoria,

  • 3. NOBO’s (Notifying Body’s)

  • 4. ZBO’s (Zelfstandige bestuursorganen). Hieronder tevens de RWT’s (Rechtspersonen met een wettelijke taak).

De inzet van de ILT richt zich op het verkrijgen van regie op het stelsel van conformiteitsbeoordelingen en het verbeteren van de governance van/op de gemandateerde instellingen. Gelet op de omvang van het toezichtsveld zal de ILT haar capaciteit risicogebaseerd inzetten op die terreinen waar het maatschappelijk effect het grootst is.

C. Onderzoek en Handhaving

Nederland is veiliger, maar het voelt niet altijd zo. Dat is een van de uitkomsten uit de ILT-omgevingsanalyse. Incidenten, bijzondere gebeurtenissen en niet te voorspellen ontwikkelingen vinden plaats en leiden tot een heftige reactie in de samenleving. De ILT onderzoekt incidenten als handhaver en kan handelend optreden.

D. Dienstverlening en Vergunningverlening

De ILT werkt aan kostenefficiency door het optimaliseren en verzakelijken van de dienstverlening en de vergunningverlening. De ILT is altijd bereikbaar via haar meld- en informatiecentrum. Via de informatievoorziening op de website, de webcare, mediavoorlichting, afstemming met sectoren en branches en door middel van direct contact met het klantcontactcentrum. Het klantcontactcentrum van de ILT herkent en vangt signalen op uit de omgeving, bundelt die signalen en zet deze door in de organisatie. Via klanttevredenheidsonderzoeken meet de ILT de tevredenheid van klanten.

De ILT ontwikkelt zich op het gebied van vergunningverlening verder tot een organisatie die de aanvrager duidelijkheid, eenvoud en gemak biedt. Bij de verdere verbetering van haar dienst- en vergunningverlening richt de ILT zich op:

  • Verhogen van de klantwaardering door duidelijkheid vooraf en transparantie tijdens de afhandeling;

  • Optimalisering van het interne proces door vereenvoudiging, verdere digitalisering, hergebruik en minimalisering van doorlooptijden;

  • De beoordeling van de aanvragen meer baseren op risico’s.

E. Autoriteit woningcorporaties

De ambitie van de Autoriteit woningcorporaties (AW) is een bijdrage leveren aan het vertrouwen in een goede taakuitoefening door corporaties in het belang van de volkshuisvesting.

Met het centraal stellen van de informatiepositie en de daarbij horende versterking van de analyse- en kennisfunctie, zal de focus van het huidige instellingstoezicht zich op termijn verplaatsen naar thematisch toezicht. Dit kan resulteren in een publicatie of collectieve actie. Ook kan het aanleiding zijn voor verdieping van het (governance-)toezicht met als doel: het intern toezicht op deze aspecten versterken.

Jaarlijks zal de AW verkenningen en onderzoeken uitvoeren die de opmaat kunnen vormen voor thematisch toezicht.

Het vertrouwen in woningcorporaties vergroten doet de AW door in te zetten op:

  • 1. Governance

  • 2. Integriteit van beleid en beheer

  • 3. Toezicht op rechtmatigheid

  • 4. Naleving wet normering topinkomens

  • 5. Toezicht op toewijzing in het kader van passendheid en staatssteun

  • 6. Toezicht op kruissubsidiëring en overcompensatie

  • 7. Corporaties onder verscherpt toezicht

  • 8. Toezicht op Waarborgfonds Sociale Woningbouw

  • 9. Toestemmingen ontheffingen en zienswijzen aanvragen corporaties

  • 10. Voorlichting over de Woningwet

3.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering

Het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraag-stukken door de twee krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personen-vervoer 2000 aangewezen openbare lichamen die verkeer- en vervoer-staken verrichten (vervoerregio’s). Dit betreffen thans de Vervoerregio Amsterdam en het samenwerkingsverband van gemeenten in de zuidelijke Randstad, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Financieren

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU), die het mogelijk maakt dat er in de gebieden waar de vervoerregio’s actief zijn maatwerkoplossingen kunnen worden geboden voor verkeers- en vervoervraagstukken. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid en artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

De samenwerkingsverbanden Vervoerregio Amsterdam en Metropool-regio Rotterdam Den Haag zijn verantwoordelijk voor de beleidsinhoude-lijke beslissingen over hun verkeer- en vervoeraangelegenheden.

Voor 2021 zijn er geen beleidswijzigingen.

Tabel 70 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

952.739

932.324

932.531

932.533

932.534

932.533

932.634

        

Uitgaven

955.610

953.451

932.532

932.532

932.534

932.533

932.634

Waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

1 Brede doeluitkering

955.610

953.451

932.532

932.532

932.534

932.533

932.634

Brede doeluitkering

955.610

953.451

932.532

932.532

932.534

932.533

932.634

- Bijdrage BDU

955.610

953.451

932.532

932.532

932.534

932.533

932.634

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Conform de Wet BDU wordt jaarlijks voorafgaand aan het uitkeringsjaar de brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoersbeleid geheel als betalingsver-plichting vastgelegd.

1. Brede doeluitkering

Jaarlijks wordt een beschikking verstrekt voor de Brede Doeluitkering aan de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Deze beschikking wordt berekend op basis van de in de Wet BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

De Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag zijn vrij in de afweging aan welke verkeer- en vervoertaken zij de BDU-middelen besteden. Zij bepalen dat aan de hand van de doelen die zij willen bereiken op hun verkeer- en vervoersterrein. Daarbij hebben zij veel ruimte voor een eigen invulling, rekening houdend met de specifieke kenmerken van hun regio.

3.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

Financieren

Zaken die op het Infrastructuurfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen op de begroting Hoofdstuk XII.

Voor de beleidswijzigingen wordt verwezen naar de betreffende beleidsartikelen.

Tabel 71 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 26 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

6.010.410

6.433.208

14.368.592

7.492.065

8.731.272

8.008.204

8.065.834

        

Uitgaven

6.010.410

6.432.359

14.366.592

7.488.065

8.730.272

8.008.154

8.065.834

        

1 Bijdrage Investeringsfondsen

5.133.045

5.597.916

13.312.853

6.370.804

7.371.706

6.729.130

6.637.736

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

5.133.045

5.597.916

13.312.853

6.370.804

7.371.706

6.729.130

6.637.736

- Bijdrage IF

5.133.045

5.597.916

13.312.853

6.370.804

7.371.706

6.729.130

6.637.736

        

2 Bijdrage Investeringsfondsen

877.365

834.443

1.053.739

1.117.261

1.358.566

1.279.024

1.428.098

Bijdrage aan het Deltafonds

877.365

834.443

1.053.739

1.117.261

1.358.566

1.279.024

1.428.098

- Bijdrage DF

877.365

834.443

1.053.739

1.117.261

1.358.566

1.279.024

1.428.098

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De mate van budgetflexibiliteit is terug te vinden bij de afzonderlijke artikelen op de beide fondsen van IenW.

1 Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Tabel 72 Opbouw art.ond. 26.01 Bijdrage aan het IF (bedragen x € 1.000)

Bedragen € x 1.000

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

2020 ‒ 2034

12

Hoofdwegennet

2.481.315

2.741.916

2.721.818

3.502.815

3.402.218

3.213.866

2.776.960

2.284.864

2.232.442

1.978.077

2.557.989

1.689.842

1.775.512

1.441.751

1.663.315

36.464.700

12.01

Verkeersmanagement

4.109

3.871

3.868

3.867

3.866

3.864

3.864

3.864

3.872

3.872

3.872

3.872

3.872

3.872

3.872

58.277

12.02

Beheer onderhoud en vervanging

713.293

823.681

868.907

892.002

902.386

850.825

776.685

518.349

554.961

600.793

635.944

602.832

490.236

492.597

499.480

10.222.971

12.03

Aanleg

465.568

745.934

743.323

1.256.376

1.292.299

1.140.363

810.657

575.428

590.710

221.565

848.277

22.323

225.706

100.368

182.869

9.221.766

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

620.196

476.835

457.786

708.646

586.776

596.771

628.603

635.173

524.265

597.613

515.662

506.581

501.489

290.705

422.407

8.069.508

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

678.149

691.595

647.934

641.924

616.891

622.043

557.151

552.050

558.634

554.234

554.234

554.234

554.209

554.209

554.687

8.892.178

13

Spoorwegen

1.694.362

8.873.501

1.861.080

2.076.619

1.724.490

1.441.228

1.729.464

1.837.991

1.408.702

1.386.914

1.546.680

1.424.262

1.493.749

1.492.844

1.664.106

31.655.992

13.02

Beheer onderhoud en vervanging

1.262.350

1.299.003

1.298.972

1.501.570

1.141.281

946.732

1.256.749

1.317.006

1.124.137

1.148.223

1.260.299

1.290.458

1.328.591

1.492.683

1.643.897

19.311.951

13.03

Aanleg

233.680

262.627

395.284

406.630

411.742

322.857

299.770

344.676

127.575

149.370

196.897

91.503

165.158

161

20.209

3.428.139

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

188.342

164.871

166.824

168.419

171.467

171.639

172.945

176.309

156.990

89.321

89.484

42.301

   

1.758.912

13.07

Rente en aflossing

9.990

7.147.000

             

7.156.990

14

Regionaal, lokale infrastructuur

103.766

84.083

90.007

33.232

34.351

40.962

41.543

16.729

12.491

0

0

0

0

0

0

457.164

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

73.250

84.082

42.531

33.232

34.351

40.962

41.543

16.729

12.491

      

379.171

14.02

Regionale Mob. Fondsen

               

0

14.03

RSP-ZZL: Pakket Bereikbaarheid

30.516

1

47.476

            

77.993

15

Hoofdvaarwegennet

906.429

1.224.655

1.121.868

1.044.013

1.016.155

1.007.619

1.005.050

862.264

830.074

781.805

768.360

731.826

708.544

701.455

628.451

13.338.568

15.01

Verkeersmanagement

11.010

10.501

9.993

9.332

9.129

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

8.976

139.725

15.02

Beheer onderhoud en vervanging

409.792

380.629

342.691

363.130

394.368

400.723

359.924

262.303

257.716

243.005

254.326

216.219

237.973

229.702

229.702

4.582.203

15.03

Aanleg

73.296

205.279

307.824

246.952

198.701

193.408

264.670

219.487

180.357

155.665

126.919

98.393

92.937

100.937

28.000

2.492.825

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

57.319

267.985

98.029

63.555

53.707

53.830

54.857

53.529

62.323

53.455

57.435

87.534

47.954

41.136

41.069

1.093.717

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

355.012

360.261

363.331

361.044

360.250

350.682

316.623

317.969

320.702

320.704

320.704

320.704

320.704

320.704

320.704

5.030.098

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

321.708

154.024

477.389

622.575

500.342

700.280

820.462

669.038

389.389

618.066

341.453

209.792

218.502

50.792

10.000

6.103.812

17.02

Betuweroute

                

17.03

Hogesnelheidstrein-Zuid

4.420

3.116

0

            

7.536

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

10.749

460

663

663

663

663

663

663

663

663

663

663

663

50.792

 

69.294

17.07

ERMTS

78.855

49.033

147.758

134.596

148.059

280.237

250.228

208.638

200.682

163.533

221.456

206.956

217.839

 

10.000

2.317.870

17.08

ZuidasDok

85.732

25.576

172.575

281.065

174.189

89.682

63.255

60.344

17.491

332.030

     

1.301.939

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

141.952

75.839

156.393

206.251

177.431

329.698

506.316

399.393

170.553

121.840

119.334

2.173

   

2.407.173

18

Overige uitgaven en ontvangsten

‒ 68.882

0

0

0

0

0

0

0

0

0

10.706

345.458

345.457

393.907

393.907

1.420.553

18.01

Saldo van de afgesloten rekeningen

‒ 74.526

              

‒ 74.526

18.06

Externe veiligheid

5.644

              

5.644

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

0

0

             

0

18.11

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

  

0

18.12

Nader toe te wijzen BenO en Vervanging

0

0

0

       

10.706

345.458

345.457

393.907

393.907

1.489.435

18.15

Ramingsbijstelling en Kasschuif

0

  

0

           

0

18.16

Reservering Omgevingswet

0

        

0

0

    

0

20

Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

159.218

234.674

98.642

92.452

51.574

233.781

348.020

322.581

519.341

479.911

729.929

1.629.489

1.545.285

1.473.054

1.504.338

9.422.289

20.01

Verkenningen

11.212

1.695

0

12.489

46.574

183.576

260.662

222.843

289.394

205.218

     

1.233.663

20.02

Korte termijn mobiliteitsmaatregelen

0

0

10.394

            

10.394

20.03

Reserveringen

148.006

232.979

88.248

79.914

5.000

5.000

55.000

55.000

156.400

252.500

105.000

105.000

124.000

106.700

106.050

1.624.797

20.04

Generieke investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

623.833

1.474.296

1.420.996

1.366.150

1.397.080

6.282.355

20.05

Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

0

0

49

0

45.205

32.358

44.738

73.547

22.193

1.096

50.193

289

204

1.208

271.080

                  
 

Totaal Uitgaven

5.597.916

13.312.853

6.370.804

7.371.706

6.729.130

6.637.736

6.721.499

5.993.467

5.392.439

5.244.773

5.955.117

6.030.669

6.087.049

5.553.803

5.864.117

98.863.078

2 Bijdrage aan het Deltafonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het Deltafonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Tabel 73 Opbouw art.ond. 26.02 Bijdrage aan het DF (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

2020 ‒ 2034

1

Investeren in waterveiligheid

251.796

354.297

397.260

484.488

420.581

502.605

357.967

337.364

425.593

352.527

184.086

107.391

62.123

155.932

143.168

4.537.178

1.01

Grote projecten waterveiligheid

153.978

123.174

97.422

96.424

955

11.726

23.735

13.051

71.802

0

0

0

8.951

0

0

601.218

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

80.085

219.338

291.598

376.869

411.030

482.590

327.443

317.224

346.702

345.438

176.997

100.302

46.083

148.827

136.319

3.806.845

1.03

Studiekosten

17.733

11.785

8.240

11.195

8.596

8.289

6.789

7.089

7.089

7.089

7.089

7.089

7.089

7.105

6.849

129.115

2

Investeren in zoetwatervoorziening

26.553

19.302

28.074

13.058

6.353

5.903

5.256

3.134

934

1.525

0

0

0

0

0

110.092

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

22.709

15.202

24.876

9.878

934

934

3.056

934

934

1.525

0

0

0

0

0

80.982

2.03

Studiekosten

3.844

4.100

3.198

3.180

5.419

4.969

2.200

2.200

0

0

0

0

0

0

0

29.110

3

Beheer, onderhoud en vervanging

150.379

154.524

145.728

167.997

195.101

253.233

169.145

172.025

213.519

207.826

187.049

306.253

296.350

240.332

233.857

3.093.318

3.01

Watermanagement

7.458

7.458

7.458

7.458

7.484

7.484

7.484

7.695

7.274

7.274

7.274

7.274

7.274

7.274

7.274

110.897

3.02

Beheer onderhoud en vervanging

142.921

147.066

138.270

160.539

187.617

245.749

161.661

164.330

206.245

200.552

179.775

298.979

289.076

233.058

226.583

2.982.421

4

Experimenteren cf. art. III Deltawet

20.627

42.699

42.564

227.913

60.886

58.730

57.880

57.043

56.391

55.590

54.802

54.028

53.873

53.495

53.767

950.288

4.02

GIV/PPS

20.627

42.699

42.564

227.913

60.886

58.730

57.880

57.043

56.391

55.590

54.802

54.028

53.873

53.495

53.767

950.288

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

307.089

352.173

371.339

368.358

441.598

490.951

478.299

577.557

439.113

403.795

555.395

599.470

533.470

760.843

845.197

7.524.647

5.01

Apparaat

261.744

258.451

245.404

236.663

242.061

247.606

242.614

242.363

241.611

241.611

241.611

241.611

241.611

241.611

241.611

3.668.183

5.02

Overige uitgaven

33.856

74.581

69.601

67.555

67.799

67.900

66.150

67.686

64.177

63.859

63.859

63.859

63.859

63.819

63.819

962.379

5.03

Investeringsruimte

6.989

4.900

21.391

12.925

7.425

27.425

18.585

101.608

17.325

27.325

17.325

16.200

16.200

243.613

327.967

867.203

5.04

Reserveringen

4.500

14.241

34.943

51.215

124.313

148.020

150.950

165.900

116.000

71.000

232.600

277.800

211.800

211.800

211.800

2.026.882

7

Investeren in waterkwaliteit

77.999

130.744

132.296

96.752

154.505

116.676

114.340

109.357

21.000

21.000

2.000

0

0

0

0

976.669

7.01

Real. progr. Kaderrichtlijn water

20.504

93.238

88.647

46.342

55.191

85.144

93.340

88.357

0

0

0

0

0

0

0

570.763

7.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

31.189

18.282

24.199

31.310

74.314

29.532

21.000

21.000

21.000

21.000

2.000

0

0

0

0

294.826

7.03

Studiekosten waterkwaliteit

26.306

19.224

19.450

19.100

25.000

2.000

0

0

0

0

0

0

0

0

0

111.080

                  
 

Totaal Uitgaven

834.443

1.053.739

1.117.261

1.358.566

1.279.024

1.428.098

1.182.887

1.256.480

1.156.550

1.042.263

983.332

1.067.142

945.816

1.210.602

1.275.989

17.192.192

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 97 Algemeen Departement

Op dit artikel worden de IenW-brede programma-uitgaven verantwoord.

Tabel 74 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 97 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

142.070

76.434

41.876

42.310

47.056

47.496

47.680

        

Uitgaven

79.742

85.016

56.945

56.131

56.351

56.641

56.675

        

1 Algemeen departement

74.742

78.257

56.945

56.131

56.351

56.641

56.675

Opdrachten

44.134

51.485

32.188

31.590

31.800

32.091

32.123

- van A naar Beter

1.654

2.515

1.740

1.839

1.887

1.886

1.886

- Ext. juridische adv.

1.417

1.552

1.371

1.553

1.638

1.637

1.653

- Onderzoeken PBL

5.211

6.002

2.714

2.342

2.355

2.355

2.355

- Onderzoeken ANVS

3.208

4.249

3.745

3.752

3.808

3.808

3.809

- Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing

7.684

7.295

7.270

7.273

7.272

7.272

7.274

- Regeringsvliegtuig

21.979

25.567

9.393

9.400

9.400

9.400

9.402

- Overige Opdrachten

2.981

4.305

5.955

5.431

5.440

5.733

5.744

Subsidies

1.000

1.000

724

502

502

502

502

Bijdrage aan agentschappen

24.481

25.772

24.033

24.039

24.049

24.048

24.050

- Waarvan bijdrage aan agentschap ILT

12.718

13.118

13.116

13.120

13.125

13.125

13.126

- Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

2.583

2.608

218

218

218

218

218

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.706

2.806

2.809

2.811

2.814

2.813

2.813

- Overige Bijdragen aan agentschappen

6.474

7.240

7.890

7.890

7.892

7.892

7.893

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

5.127

0

0

0

0

0

0

- StAB

5.127

0

0

0

0

0

0

        

2 Sanering Thermphos

5.000

6.759

0

0

0

0

0

Subsidies

5.000

6.759

0

0

0

0

0

- Sanering Thermphos

5.000

6.759

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

944

2.895

1.101

1.101

1.101

1.101

1.101

1 Algemeen departement

Opdrachten

Van A naar Beter

Het betreft de uitgaven voor beleidscommunicatie voor de grote publiekscampagne van A naar Beter.

Externe juridische advisering

Om de kosten voor het inhuren van juridische expertise, voornamelijk voor het inschakelen van de Landsadvocaat, (en andere advocaten) beheersbaar te houden, worden opdrachten hiertoe centraal gegeven door de Bestuurskern. Dit om de kwaliteit te bewaken en tevens wordt hiermee voorkomen dat er meerdere malen vanuit verschillende diensten dezelfde vragen worden uitgezet.

Onderzoeken PBL

Dit betreft uitgaven ten behoeve van onderzoeksactiviteiten van PBL, zoals de aanschaf van databestanden, onderhoud en ontwikkeling van modellen, uitbesteding van onderzoek en vervaardiging van (web)publicaties. Een deel van deze uitgaven wordt door externe opdrachtgevers vergoed. Voor nieuws en publicaties van het PBL, zie de website van het PBL (www.pbl.nl).

Onderzoeken ANVS

Het betreft uitgaven voor opdrachten aan (inter)nationale technische supportorganisaties (waaronder de dienstverlening door agentschappen) inzake technische ondersteuning, advisering en onderzoek op terreinen van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming alsmede beveiliging en waarborging (safeguards). Daarnaast worden ook de uitgaven die verband houden met samenwerking tussen ANVS en internationale organisaties (zoals bijvoorbeeld HERCA, OECD/NEA en IAEA) inzake voornoemde terreinen op dit artikel verantwoord.

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing (DCC)

DCC is verantwoordelijk voor een effectief crisisbeheersingsbeleid en een professionele aanpak van crises. Tijdens een (dreigende) crisis coördineert het DCC-IenW de informatievoorziening binnen het ministerie op het gebied van Infrastructuur en Waterstaat en is het DCC verantwoordelijk voor het crisisbeheersingsproces. Het beleid op het gebied van crisisbeheersing is het laatste decennium flink in ontwikkeling. Dit is vooral veroorzaakt door de opkomst van andere crisisvormen (terreuraanslagen, extreme weersomstandigheden en infectieziekten), door de internationale dimensies van crises en de verantwoordelijkheid voor nucleaire crisisbeheersing.

Regeringsvliegtuig

Dit betreft de uitgaven van IenW voor het onderhoud, exploitatie en aanschaf van het regeringsvliegtuig.

Overig opdrachten

Dit betreft uitgaven voor corporate communicatie, voor opdrachten op het gebied van Kennis, Innovatie en Strategie (KIS) en voor analyses van mobiliteit en mobiliteitsbeleid door het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) die doorwerken in de beleidsafwegingen. Soms worden deelonderzoeken uitbesteed, omdat expertise op een bepaald deelonderwerp niet in huis is.

Subsidies

Deze uitgaven hangen samen met subsidies die IenW verstrekt, met name aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek voor het programma SURF (Smart Urban Regions in the Future), Urban Futures en het programma Duurzame Logistiek.

Bijdrage aan agentschappen

ILT

De bijdrage aan ILT is bestemd voor de kosten van vergunningverlening die niet geheel gedekt worden door de inkomsten die de ILT verkrijgt vanuit de tariefheffing. Dit wordt veroorzaakt door tarieven, waarvan het bij ministeriële regeling vastgestelde bedrag lager is dan de werkelijke kosten van de vergunningverlening en door vergunningverlenende activiteiten van ILT waarvoor geen tarief is vastgesteld, waardoor de betreffende aanvragers van vergunningen de kosten van de aanvraag niet aan ILT hoeven te vergoeden. De vastgestelde tarieven worden in de Staatscourant gepubliceerd.

KNMI

Dit betreft de bijdrage aan het KNMI voor afname van meteorologische producten en diensten relevant voor de uitvoering van diverse taken door RWS waaronder gladheidbestrijding en afname van maatwerk dienstverlening door ANVS.

RWS

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van beleidsondersteuning en advies en de capaciteitsinzet van het DCC.

Overige

Het RIVM is de vaste partner van de ANVS voor een aantal taken op het terrein van stralingsbescherming. Dit zijn taken als beleidsondersteuning bij stralingsbescherming, ondersteuning bij stralingsinspecties, het beheer van de ongeval-organisatie, het in stand houden van het Radionucliden laboratorium alsmede het beheer van het Nationaal Meetnet Radioactiviteit en de stralingsmeetwagens. De bijdrage aan het RIVM hangt hiermee samen.

Bijdrage aan ZBO's/RWT’s

StAB

Met ingang van 2020 is de subsidiëring en ministeriële verantwoordelijkheid van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) overgegaan van het Ministerie van IenW naar het Ministerie van J&V.

2 Sanering Thermphos

Subsidies

Naar aanleiding van het kabinetsbesluit in 2017 is in 2018 besloten dat het Rijk een bijdrage van maximaal € 27,7 miljoen levert bij de sanering van voormalig bedrijventerrein Thermphos, waarbij IenW als beleidsverantwoordelijk departement is aangesteld.

Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de sanering van de opstallen en het terrein van het voormalige bedrijf Thermphos aan de uitvoerende partij. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht

Ontvangsten

Hierop worden de ontvangsten geraamd die IenW ontvangt voor het gebruik van het Regeringsvliegtuig en voor onderzoeken van het PBL.

4.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met uitzondering van de agentschappen Inspectie Leefomgeving en Transport, Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut en Rijkswaterstaat. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel, inhuur externen en ICT, bijdragen aan rijksbrede SSO's en overige materiële voor het kerndepartement.

Tabel 75 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 98 (bedragen x € 1.000)

Apparaat Kerndepartement

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

329.738

351.003

327.912

324.034

321.575

320.714

312.779

        

Uitgaven

317.541

363.018

335.315

328.528

321.571

320.710

312.768

        

1 Personeel

236.880

268.480

244.156

235.394

230.023

228.994

223.784

- Waarvan eigen personeel

204.931

230.475

218.170

214.720

213.769

213.196

209.540

- Waarvan externe inhuur

25.722

31.057

19.210

14.517

10.064

9.661

8.107

- Waarvan overige personele uitgaven

6.227

6.948

6.776

6.157

6.190

6.137

6.137

        

2 Materieel

80.661

94.538

91.159

93.134

91.548

91.716

88.984

- Waarvan ICT

21.495

29.988

24.845

24.953

21.827

21.354

21.247

- Waarvan bijdrage aan SSO's

50.308

47.724

42.952

43.941

43.990

43.999

44.007

- Waarvan overige materiële uitgaven

8.858

16.826

23.362

24.240

25.731

26.363

23.730

        

Ontvangsten

21.274

11.808

8.297

7.778

5.430

5.430

5.430

1 Personele uitgaven

Dit betreft alle uitgaven van het eigen personeel, de externe inhuur en postactieven voor het kerndepartement.

Eigen personeel

Onder uitgaven eigen personeel vallen de loonkosten en de uitgaven voor de personele exploitatie.

  • Onder loonkosten wordt verstaan alle uit de rechtspositiebepalingen en aanverwante (wettelijke) regelingen voortvloeiende uitgaven aan en ten behoeve van de werknemers, zoals salaris, vakantie- en eindejaarsuitkering, vergoedingen voor inbesteding van personeel, toelagen, toeslagen en vergoedingen, gratificaties, onkostenvergoedingen waaronder woon-werkverkeer (ook collectieve inkoop openbaar vervoerskaarten), sociale lasten en de bijdrage aan de zorgverzekeringswet, pensioenpremies en de eindheffing loonbelasting.

  • Onder personele exploitatie worden andere personele uitgaven verstaan zoals verhuiskosten, hotels in het kader van dienstreizen, werving en selectie, keuringen, assessments, outplacement, loopbaanbegeleiding en re-integratie, arbeidsgezondheidskundige begeleiding, werkplekaanpassing, uitbesteding arbo-dienstverlening, bedrijfshulpverlening, representatie voor eigen personeel, opleiding, coaching, training, bezoek van symposia en congressen, personeelsevenementen, bijeenkomsten en recepties, noodzakelijke contributies van personeel, uitgaven sociaal flankerend beleid en dergelijke.

Externe inhuur

Dit betreft de uitgaven voor externe inhuur voor onder andere ICT-dienstverlening, de programma’s Vrachtwagenheffing, Duurzame mobiliteit, Fiets, en de Luchtruimherziening.

Overige personele uitgaven

De overige personele uitgaven betreft de uitgaven aan postactieven. Onder postactieven wordt verstaan uitgaven aan en ten behoeve van voormalig personeel, voor zover niet ten laste komend van derden (pensioen- of uitkeringsfonds) zoals Functioneel leeftijdsontslag (FLO), werkloosheidsuitkeringen, wachtgelden en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten van derden.

2 Materiële uitgaven

ICT

Bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties.

Bijdrage aan SSO's

De bijdrage aan de Shared Service Organisaties (SSO's) betreft onder andere SSC-ICT, FM Haaglanden en het Rijksvastgoedbedrijf.

Overige materiële uitgaven

Dit betreft materiële uitgaven van het kerndepartement waarvoor geldt dat deze betrekking hebben op uitgaven die bedoeld zijn voor activiteiten ter ondersteuning van het primaire proces.

Tabel 76 Apparaatsuitgaven per dienstonderdeel van de Bestuurskern (x € 1.000)

Beleidsterrein/Directoraat Generaal/artikel

2021

Totaal apparaat

335.315

Directoraat-Generaal Mobiliteit

41.586

Directoraat-Generaal Milieu en Internationaal

30.153

Directoraat-Generaal Water en Bodem

20.097

Directoraat-Generaal Luchtvaart en Maritieme zaken

24.889

Beleids- en Bestuursondersteuning

35.266

Financiën en Bedrijfsvoering

138.052

- Waarvan IenW-brede apparaatsuitgaven

84.902

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

19.576

Planbureau voor de Leefomgeving

25.696

Tabel 77 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

1.700.359

1.874.877

1.843.409

1.818.305

1.798.639

1.787.069

1.773.714

Kerndepartement

317.541

363.018

335.315

328.528

321.571

320.710

312.768

        
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

5.127

0

0

0

0

0

0

ProRail

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

n.n.b.

StAB

5.127

0

0

0

0

0

0

        

Totaal apparaatskosten Agentschappen

1.377.691

1.511.859

1.508.094

1.489.777

1.477.068

1.466.359

1.460.946

RWS

1.162.277

1.256.139

1.259.879

1.244.361

1.230.247

1.220.845

1.219.766

ILT

153.196

187.342

176.086

174.155

174.680

174.460

174.460

KNMI

62.218

68.378

72.129

71.261

72.141

71.054

66.720

        
Tabel 78 Invulling taakstelling (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

Structureel

Departementale taakstelling (totaal)

‒ 43.000

‒ 98.000

‒ 119.000

‒ 119.000

     

Kerndepartement

‒ 15.138

‒ 40.807

‒ 37.320

‒ 37.320

     

Agentschappen

    

Nea

‒ 90

‒ 180

‒ 269

‒ 269

KNMI

‒ 261

‒ 519

‒ 777

‒ 777

ILT

‒ 1.726

‒ 3.430

‒ 5.135

‒ 5.135

RWS

‒ 18.289

‒ 37.972

‒ 53.100

‒ 53.100

Totaal agentschappen

‒ 20366

‒ 42101

‒ 59281

‒ 59281

     

ZBO's

    

Kadaster

‒ 310

‒ 618

‒ 924

‒ 924

Totaal ZBO's

‒ 310

‒ 618

‒ 924

‒ 924

     

Overig

    

RIVM

‒ 361

‒ 824

‒ 1.000

‒ 1.000

Prorail

‒ 6.825

‒ 13.650

‒ 20.475

‒ 20.475

Totaal overig

‒ 7186

‒ 14474

‒ 21475

‒ 21475

4.3 Artikel 99 Nog Onverdeeld

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 99 worden gedaan. Het artikel dient hoofdzakelijk als tussenstation voor de overboeking van middelen naar de andere artikelen op de IenW begroting, zoals loon- en prijsbijstelling. Ook taakstellingen die nog niet direct kunnen worden doorgeboekt worden op dit artikel geadministreerd.

Tabel 79 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 99 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

1 Nominaal en onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

5. Begroting agentschappen

5.1 Agentschap Rijkswaterstaat

Introductie

Rijkswaterstaat (RWS) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. RWS beheert en ontwikkelt de rijkswegen, -vaarwegen en -wateren en zet in op een duurzame leefomgeving.

Samen met anderen werkt RWS aan een land dat beschermd is tegen overstromingen, waar voldoende groen is en voldoende en schoon water. En waar je vlot en veilig van A naar B kunt. Samenwerken aan een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland. Dat is Rijkswaterstaat.

Het Ministerie van IenW kent een scheiding tussen beleid, toezicht en uitvoering. RWS fungeert hierbij als uitvoeringsorganisatie van het ministerie. Het formuleren van beleid is belegd bij de beleidsdirectoraten-generaal. Dit betekent dat de doelstellingen van het agentschap afhankelijk zijn van de (veelal lange termijn-) beleidsdoelstellingen en kaders die door IenW worden aangegeven. Deze beleidsdoelen zijn geformuleerd in de beleidsartikelen van de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

Producten en diensten

RWS treedt op als manager van het gebruik van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken (hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet, hoofdwatersystemen), als beheerder van die netwerken, als realisator van uitbreidingen van deze netwerken en als adviseur voor het ten aanzien hiervan te voeren beleid. RWS voert deze taken uit vanuit een netwerkbenadering. Belangrijkste producten zijn:

  • Verkeersmanagement: het inzetten van instrumenten en hulpmiddelen om vraag en aanbod op elk moment zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen en om het verkeersaanbod zo goed mogelijk af te wikkelen. Het betreft vooral bediening van objecten als bruggen en sluizen, verstrekken van route-informatie en incidentmanagement.

  • Watermanagement: reguleren van de hoeveelheden water in het hoofdwatersysteem en van de kwaliteit daarvan, door het hanteren van de te onderscheiden categorieën «vasthouden/bergen/afvoeren» en «schoonhouden/scheiden/zuiveren».

  • Beheer, onderhoud en vervanging: instandhouding van objecten en areaal op een vooruitstrevende, toekomstgerichte manier, gericht op het ook in technische zin steeds verder ontwikkelen van het netwerk of systeem.

  • Aanleg: dit betreft investeringen om de functionaliteit van het netwerk te vergroten. Nieuwe verbindingen of verbreding van bestaande. Sleutelwoord: capaciteitsvergroting.

  • Beleidsondersteuning en –advisering: het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid.

  • Leveren van kennis, expertise en materieel: ten behoeve van beleidsondersteuning en -advisering, milieu en leefomgeving, grote (aanleg)projecten en aansturing projecten en uitvoeringsorganisaties, het verstrekken van subsidies en basisinformatie.

Tabel 80 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

2.757.301

3.056.843

3.132.829

2.612.853

2.548.451

2.513.320

2.588.588

- waarvan omzet moederdepartement

2.466.663

2.573.504

2.547.067

2.340.689

2.281.899

2.249.575

2.324.843

- waarvan overige departementen

66.107

74.634

73.134

73.134

67.522

64.715

64.715

- waarvan omzet derden

217.087

205.572

199.030

199.030

199.030

199.030

199.030

- waarvan nog uit te voeren werkzaamheden

7.444

203.133

313.598

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

3.595

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

4.083

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

2.764.979

3.059.843

3.135.829

2.615.853

2.551.451

2.516.320

2.591.588

        

Lasten

       

Apparaatskosten

1.162.277

1.256.550

1.259.879

1.244.361

1.230.247

1.220.845

1.219.766

Personele kosten

922.573

997.521

1.002.633

985.828

973.827

966.612

966.612

- waarvan eigen personeel

837.750

907.677

919.847

904.429

897.536

895.011

895.011

- waarvan inhuur externen

84.823

89.844

82.786

81.399

76.291

71.601

71.601

- waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

0

0

0

Materiële kosten

239.704

259.029

257.246

258.533

256.420

254.233

253.154

- waarvan apparaat ICT

37.120

38.711

39.261

38.667

38.501

38.501

38.501

- waarvan bijdrage aan SSO's

64.178

66.928

67.880

66.853

66.565

66.565

66.565

- waarvan overige materiële kosten

138.406

153.390

150.105

153.013

151.354

149.167

148.088

Beheer en Onderhoud

1.550.857

1.771.744

1.846.320

1.342.020

1.290.021

1.263.276

1.337.617

Afschrijvingskosten

24.308

21.027

19.097

18.863

20.499

21.447

23.276

Materieel

23.605

20.617

19.097

18.863

20.499

21.447

23.276

- waarvan apparaat ICT

4.847

5.610

5.271

5.021

4.918

4.616

4.369

- waarvan overige materiële afschrijvingskosten

18.758

15.007

13.826

13.842

15.581

16.831

18.907

Immaterieel

703

410

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

4.831

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

198

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

771

745

756

832

907

975

1.152

Totaal lasten

2.743.242

3.053.866

3.129.852

2.609.876

2.545.474

2.510.343

2.585.611

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

21.737

5.977

5.977

5.977

5.977

5.977

5.977

Agentschapsdeel Vpb-lasten

‒ 23.155

130

130

130

130

130

130

Saldo van baten en lasten

44.892

5.847

5.847

5.847

5.847

5.847

5.847

Dotatie aan reserve Rijksrederij

10.182

5.847

5.847

5.847

5.847

5.847

5.847

Te verdelen resultaat

34.710

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet

Omzet moederdepartement 

De omzet moederdepartement bestaat uit een apparaatsdeel en een programmadeel. Het apparaatsdeel dient ter dekking van de interne kosten van RWS (apparaatskosten inclusief rente- en afschrijvingskosten) die verband houden met verkeers- en watermanagement, beheer, onderhoud en vervanging, aanleg en beleidsondersteuning en –advisering. Het programmadeel dient ter dekking van de externe productkosten voor verkeers- en watermanagement, beheer en onderhoud, verkenningen en planuitwerkingen, servicepakketten, landelijke taken, Caribisch Nederland en Omgevingswet.

Tabel 81 Specificatie omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Agentschapsbijdrage Deltafonds

489.255

467.102

443.673

453.931

451.291

507.087

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

546

546

427

427

427

427

Artikel 3 Beheer Onderhoud en Vervanging

128.058

136.944

131.913

152.766

144.744

194.864

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overig

335.577

329.161

311.133

300.448

306.120

311.796

Artikel 7 Waterkwaliteit

25.074

451

200

290

  

Agentschapsbijdrage Infrastructuurfonds

2.017.667

2.022.681

1.841.419

1.778.781

1.749.098

1.768.990

Artikel 12 Hoofdwegennet

1.314.561

1.371.946

1.225.628

1.186.706

1.158.409

1.191.037

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

703.106

650.735

615.791

592.075

590.689

577.953

Agentschapsbijdrage Hoofdstuk XII

61.582

52.284

50.597

44.187

44.186

43.766

Artikel 11 Waterkwaliteit

14.490

14.365

14.366

14.366

14.366

14.366

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

6.881

5.696

5.542

3.737

3.737

3.737

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

12.007

7.464

7.203

7.198

7.198

7.198

Artikel 16 Spoor

832

823

826

830

830

830

Artikel 17 Luchtvaart

6.960

6.463

5.165

52

52

52

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

1.454

1.454

1.455

1.950

1.950

1.530

Artikel 19 Klimaat

326

142

142

142

142

142

Artikel 20 Lucht en geluid

2.111

1.580

1.599

1.610

1.610

1.610

Artikel 21 Duurzaamheid

8.537

7.497

7.497

7.497

7.497

7.497

Artikel 22 Externe veiligheid en risico's

5.178

3.991

3.991

3.991

3.991

3.991

Artikel 97 Algemeen departement

2.806

2.809

2.811

2.814

2.813

2.813

Overige omzet IenW

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Totaal

2.573.504

2.547.067

2.340.689

2.281.899

2.249.575

2.324.843

Van totaal omzet IenW

      

*apparaat (interne kosten)

1.164.469

1.171.679

1.156.003

1.147.122

1.140.497

1.141.424

*programma (externe productkosten)

1.409.035

1.375.388

1.184.686

1.134.777

1.109.078

1.183.419

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft met name betrekking op:

  • Vergoedingen van het ministerie van Defensie, het ministerie van Financiën en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het gebruik van de vaartuigen van de Rijksrederij.

  • Vergoedingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de capaciteit die RWS levert in het kader van de Omgevingswet en de bijbehorende externe productkosten.

  • Vergoedingen van diverse ministeries voor het door RWS ter beschikking stellen van kennis, expertise en materieel in het kader van Werken voor en met Partners.

  • Vergoedingen van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de capaciteit die RWS levert in het kader van beleidsondersteuning en -advisering en de bijbehorende externe productkosten.

Tabel 82 Specificatie omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rijksrederij

27.938

27.938

27.938

27.938

27.938

27.938

Omgevingswet

25.257

25.257

25.257

19.645

16.838

16.838

Werken voor en met Partners

11.500

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Beleidsondersteuning en -advisering (BOA)

7.939

7.939

7.939

7.939

7.939

7.939

Overig

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Totaal

74.634

73.134

73.134

67.522

64.715

64.715

Omzet derden

De omzet derden heeft met name betrekking op:

  • Vergoedingen van o.a. provincies, gemeenten en de Europese Unie in het kader van het beheer en onderhoud van de infrastructuur.

  • Uitkeringen van verzekeraars in het kader van Schaderijden en Schadevaren ter dekking van de kosten van reparatiewerkzaamheden.

  • Ontvangsten uit de pacht van benzinestations, de ingebruikgeving van RWS areaal (huur, pacht) en incidentele verloop van RWS areaal. Deze ontvangsten worden via het Rijkvastgoedbedrijf (RVB) ontvangen.

  • Opbrengsten voor de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBD) en de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW)

  • Vergoedingen van o.a. provincies, gemeenten, waterschappen, kennisinstellingen en bedrijven voor het door RWS ter beschikking stellen van kennis, expertise en materieel in het kader van Werken voor en met Partners.

  • Opbrengsten uit vergunningverlening in het kader van de Waterwet.

Tabel 83 Specificatie omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

       

Beheer en Onderhoud

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

Schaderijden en Schadevaren

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

51.200

51.200

51.200

51.200

51.200

51.200

Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBD)

25.500

22.200

22.200

22.200

22.200

22.200

Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW)

5.772

3.530

3.530

3.530

3.530

3.530

Werken voor en met Partners

16.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

Waterwet

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

Overig

14.100

14.100

14.100

14.100

14.100

14.100

Totaal

205.572

199.030

199.030

199.030

199.030

199.030

Omzet nog uit te voeren werkzaamheden

RWS is een agentschap met een baten-lasten administratie. Bij de instelling van het agentschap is met het ministerie van Financiën afgesproken dat RWS geen resultaat (verlies of winst) mag behalen op de kosten die worden gemaakt voor activiteiten die door de markt worden verricht. De middelen die aan het einde van een boekjaar over zijn of tekort worden gekomen, worden op de balans van RWS verantwoord onder de benaming Nog Uit Te voeren Werkzaamheden (NUTW). Via deze balanspost kunnen middelen eerder of later worden aangewend dan oorspronkelijk voorzien. Deze werkwijze is analoog aan de werkwijze die wordt gevolgd op het Deltafonds en het Infrastructuurfonds. Daar wordt immers een saldo dat in enig jaar ontstaat meegenomen naar of verrekend met het volgende begrotingsjaar. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van werkzaamheden kan immers blijken dat deze op een later of eerder moment gerealiseerd zullen worden dan bij het opstellen van de programmering en begroting was voorzien. De omvang van deze balanspost wordt aan het eind van ieder jaar bepaald door de kosten in dat jaar van de omzet af te trekken. De balanspost wordt in volgende jaren weer aan de omzet toegevoegd. De NUTW per ultimo 2019 bedraagt per saldo € 516,7 miljoen. In bijlage 4 «Instandhouding» van de begrotingen 2021 van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds is de opbouw van de NUTW per ultimo 2019 weergegeven.

Bijzondere baten

De geraamde bijzondere baten betreffen voornamelijk verwachte boekwinst op de verkoop van vaste activa.

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

Tabel 84 Specificatie personele kosten
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal fte

9.513

9.434

9.290

9.250

9.250

9.250

Eigen Personele kosten (x € 1.000)

910.978

919.847

904.429

897.536

895.011

895.011

Inhuur (x € 1.000)

86.543

82.786

81.399

76.291

71.601

71.601

Het aantal FTE is ten opzichte van de begroting 2020 met name gewijzigd als gevolg van onderstaande ontwikkelingen:

Capaciteit RWS

  • Tussen IenW en RWS is afgesproken om de capaciteit exclusief tijdelijke opdrachten te verhogen naar 9.100 FTE in 2020 en 9.200 FTE in 2021 t/m 2025. Dit betekent een verhoging van de formatie met 138 FTE in 2020 oplopend naar 984 FTE in 2025.

Omzetting inhuur – formatie Rijksrederij

  • Een deel van de inhuur van personeel op kerntaken bij de Rijksrederij wordt omgezet naar vaste formatie (eigen personeel). Dit betekent een structurele verhoging van de formatie met 50 FTE bovenop de eerder afgesproken 9.200 FTE.

Cyber Security

  • Om de Cyber Security op de netwerken te verbeteren zijn 53 FTE in 2020 en 51 FTE in 2021 aan RWS toegekend.

Banenafspraak arbeidsbeperkten

  • De formatie in 2020 is met 125 FTE opgehoogd voor de instroom van arbeidsbeperkten in het kader van de banenafspraak.

Eigen personeel

De kracht van Rijkswaterstaat ligt in de zakelijke en professionele wijze waarop het zijn kerntaken uitvoert. Om daarop te kunnen sturen is gedefinieerd welke taken RWS met eigen mensen uitvoert (de kerntaken) en welke taken aan de markt worden overgelaten (de niet-kerntaken).

De kosten van externe inhuur betreffen de inzet van derden op de kerntaken van RWS. Daarnaast vindt er inzet van derden plaats op taken die RWS van de markt betrekt (niet-kerntaken). 

Inhuur apparaat (kerntaken)

RWS streeft ernaar om de inhuur van externen op kerntaken zoveel mogelijk te beperken vanuit het basisprincipe dat Rijkswaterstaat op kerntaken eigen mensen inzet, ter vermindering van de kwetsbaarheid en het verkleinen van de afhankelijkheid van externen. Inhuur op kerntaken vindt in beginsel alleen plaats als er sprake is van piekbelasting in de directe productie of in geval van onderbezetting, ziekte of vervanging. Inhuur op kerntaken kan ook een keuze zijn als vanuit de arbeidsmarkt hele specifieke kennis/specialisme niet kan worden aangetrokken. Door een aantal maatregelen daalt de inhuur op kerntaken de komende jaren:

  • extra inzet op het werven van voldoende gekwalificeerd eigen personeel en versnelling van het wervingsproces om vacatures zo snel mogelijk in te vullen;

  • een flexibele interne pool om snel interne inzet te kunnen organiseren;

  • versterking van cruciale kennis binnen de organisatie is geborgd met interne loopbaanontwikkeling.

Inhuur programma (niet-kerntaken)

Gelet op de omvang van de productieopgave van RWS blijft de inhuur op taken die bij de markt zijn belegd (de niet-kerntaken) substantieel. Voor het betrekken van externe capaciteit op niet-kerntaken geldt dat deze zoveel mogelijk op basis van op productafspraken gebaseerde contracten zal worden gedaan, tenzij dat om inhoudelijke of aansturingsredenen niet doelmatig is.

De inhuur op niet-kerntaken in het primaire proces wordt met name verantwoord op de post beheer en onderhoud in deze agentschapsbegroting en de artikelonderdelen aanleg en vervanging en renovatie in de begrotingen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Tabel 85 Specificatie inhuur (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Apparaat (kerntaken)

89.844

82.786

81.399

76.291

71.601

71.601

Programma (niet-kerntaken)

108.255

107.346

105.716

105.258

105.258

105.258

Totaal

198.099

190.132

187.115

181.549

176.859

176.859

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit bezetting gerelateerde materiële kosten (o.a. ICT, huisvesting en diensten en middelen, zoals catering, schoonmaak en beveiliging) en areaal gerelateerde materiële kosten (o.a. auto’s weginspecteurs).

Beheer en onderhoud

Op deze post worden de externe productkosten voor verkeers- en watermanagement, beheer en onderhoud, servicepakketten, verkenningen en planuitwerkingen, landelijke taken, waterkwaliteitsprojecten, Caribisch Nederland, Omgevingswet en beleidsondersteuning- en advisering verantwoord.

Afschrijvingskosten

Dit betreft de reguliere afschrijvingskosten van zowel materiële als immateriële vaste activa.

Dotatie voorzieningen

Dit betreft de dotatie aan de voorziening groot onderhoud vaartuigen.

Rentelasten

Dit betreft de kosten van rentedragende leningen die bij het ministerie van Financiën zijn afgesloten. 

Tabel 86 Kasstroomoverzicht over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

772.238

758.654

551.288

256.265

274.453

292.223

301.052

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

2.753.589

2.856.710

2.822.231

2.615.853

2.551.451

2.516.320

2.591.588

 

-/- uitgaven operationele kasstroom

‒ 2.756.018

‒ 3.029.169

‒ 3.107.085

‒ 2.587.343

‒ 2.521.305

‒ 2.485.226

‒ 2.558.665

2

Totaal operationele kasstroom

‒ 2.429

‒ 172.459

‒ 284.854

28.510

30.146

31.094

32.923

 

-/- totaal investeringen

‒ 19.781

‒ 25.543

‒ 38.314

‒ 43.562

‒ 49.184

‒ 58.820

‒ 74.802

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

1.106

      

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 18.675

‒ 25.543

‒ 38.314

‒ 43.562

‒ 49.184

‒ 58.820

‒ 74.802

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

‒ 1.043

‒ 25.941

     
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

8.600

8.600

8.600

8.500

8.500

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 17.127

‒ 16.293

‒ 16.855

‒ 16.640

‒ 18.412

‒ 19.325

‒ 20.925

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

17.090

24.270

36.400

41.380

46.720

55.880

71.062

4.

Totaal financieringskasstroom

7.520

‒ 9.364

28.145

33.240

36.808

36.555

50.137

5.

Rekening courant RHB 31 december + depositorekeningen (=1+2+3+4)

758.654

551.288

256.265

274.453

292.223

301.052

309.310

Toelichting

Operationele kasstroom

Hieronder vallen de inkomsten en uitgaven uit de reguliere bedrijfsvoering.

Investeringskasstroom

Hieronder vallen de verkopen van activa en de nieuwe investeringen. De nieuwe investeringen hebben betrekking op het in stand houden van de activa van RWS. De hogere investeringen vanaf 2021 worden met name veroorzaakt door de investeringen in de steunpunten van RWS en het vlootvervangingsprogramma van de Rijksrederij.

Financieringskasstroom

Hieronder vallen alle geldstromen die gerelateerd zijn aan de financiering van het agentschap. RWS doet een beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën ter financiering van de investeringen. Daarnaast wordt in de begroting van het agentschap rekening gehouden met de aflossing op deze leenfaciliteit. De storting door moederdepartement betreft de aflossing van de langlopende vordering die RWS heeft op het moederdepartement. In 2020 is het surplus Eigen Vermogen (€ 25,9 miljoen) teruggestort naar het moederdepartement.

Tabel 87 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

        

Apparaatskosten per eenheid areaal (bedragen x € 1)

       

Hoofdwegennet

27,61

28,55

28,95

28,81

29,48

29,68

29,73

Hoofdvaarwegennet

27,48

28,24

28,26

28,18

28,84

28,86

28,89

Hoofdwatersystemen

1,31

1,34

1,33

1,33

1,34

1,34

1,34

        

% Apparaatskosten ten opzichte van de omzet

       

% Apparaatskosten ten opzichte van de omzet

26%

25%

22%

27%

24%

27%

27%

        

Tarief per FTE (bedragen x € 1)

       

Tarief per FTE

130.335

128.627

130.173

130.494

130.101

129.385

129.485

        

Omzet agentschap per productgroep (bedragen x € 1.000)

       

Hoofdwatersystemen

497.471

522.704

516.091

443.673

453.931

451.291

507.087

Hoofdwegennet

1.338.431

1.424.110

1.553.886

1.225.628

1.186.706

1.158.409

1.191.037

Hoofdvaarwegennet

593.652

755.025

721.039

615.791

592.075

590.689

577.953

Overig

44.553

74.798

69.649

55.597

49.187

49.186

48.766

TOTAAL

2.474.107

2.776.637

2.860.665

2.340.689

2.281.899

2.249.575

2.324.843

        

Bezetting

       

FTE formatie*

9.333

9.513

9.434

9.290

9.250

9.250

9.250

% overhead

13,60%

13%

13%

13%

13%

13%

13%

        

Exploitatiesaldo (% van de baten)

       

Exploitatiesaldo (% van de baten)

1,60%

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

0,20%

        

Gebruikerstevredenheid

       

Publieksgerichtheid

 

70%

70%

70%

70%

70%

70%

Gebruikerstevredenheid HWS

 

70%

70%

70%

70%

70%

70%

Gebruikerstevredenheid HWN

88%

80%

80%

80%

80%

80%

80%

Gebruikerstevredenheid HVWN

74%

75%

75%

75%

75%

75%

75%

        

Ontwikkeling PIN-waarden

       

Hoofdwatersystemen

100

100

100

100

100

100

100

Hoofdwegennet

100

100

100

100

100

100

100

Hoofdvaarwegennet

100

100

100

100

100

100

100

*Voor het jaar 2019 is de bezetting opgenomen.

       

Apparaatskosten per eenheid areaal

Deze indicator geeft informatie over hoe de kosten die het apparaat van RWS maakt voor verkeersmanagement en beheer en onderhoud zich ontwikkelen ten opzichte van het areaal.

Percentage apparaatskosten ten opzichte van de omzet

Deze indicator geeft de verhouding weer tussen de kosten van het apparaat en de totale omzet (zowel BLS als GVKA) van RWS.

Tarief per FTE

Deze indicator geeft de ontwikkeling weer van de kosten (personele kosten, materiele kosten, afschrijvingskosten en rentelasten) per formatieve ambtelijke FTE.

Omzet agentschap per productgroep

In de tabel is de omzet moederdepartement (inclusief de omzet nog uit te voeren werkzaamheden) uitgesplitst naar de verschillende netwerken.

Bezetting

FTE formatie: deze voorgeschreven indicator geeft aan hoe de ambtelijke formatie van RWS zich ontwikkelt.

Percentage overhead: deze indicator geeft aan welk deel van het ambtelijke personeel (in FTE) binnen RWS zich bezig houdt met de bedrijfsvoering. Bedrijfsvoering bevat alle processen die ondersteunend zijn aan de organisatie. Het streven is daarbij voortdurend een optimale kwalitatieve en kwantitatieve omvang van de bedrijfsvoering.

Exploitatiesaldo (% van de baten)

Deze voorgeschreven indicator toont de ontwikkeling van het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten. 

Gebruikerstevredenheid

Publieksgerichtheid: deze indicator geeft aan hoe tevreden onze gebruikers en partners over RWS zijn als publieke dienstverlenende organisatie. Dan gaat het over zaken als «luisteren; verwachtingenmanagement; aanspreekbaarheid; houding en gedrag en de wijze waarop wij communiceren».

Gebruikerstevredenheid (per netwerk): deze indicator geeft aan hoe tevreden onze gebruikers over de kwaliteit van de drie netwerken zijn. Denk daarbij aan veiligheid, doorstroming; kwaliteit infrastructuur en tijdige en betrouwbare informatievoorziening (gekoppeld aan de netwerken).

Ontwikkeling PIN-waarden

De ontwikkeling van de PIN-waarden (prestatie-indicatorwaarden) geeft een beeld hoe de ontwikkeling is in de toestand van het door RWS beheerde areaal. Het weergegeven cijfer betreft een index ten opzichte van het jaar 2018. De bijlage instandhouding bij de begrotingen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds biedt inzicht in instandhouding en de gehanteerde PIN-waarden.

5.2 Agentschap Inspectie Leefomgeving en Transport

Introductie

Het Ministerie van IenW kent een scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht. Het formuleren van beleid en wet- en regelgeving is primair belegd bij de beleidsdirectoraten-generaal. De toezichthoudende taken zijn bij IenW belegd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT voert ook taken uit namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie en Veiligheid.

Producten en diensten

De producten en diensten van de ILT betreffen de toelating op de markt (vergunningen) en vervolgens de handhaving van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

De ILT zet haar schaarse capaciteit selectief in op de terreinen waar de maatschappelijke risico’s het grootst zijn en waar het handelen van de ILT het meeste effect kan sorteren. Een belangrijke pijler voor deze afweging is de ILT-Brede Risicoanalyse (IBRA). Deze ontwikkelde methode helpt de ILT om ordelijk te kiezen, op basis van maatschappelijke schade, aan welke taken zij prioriteit geeft en aan welke niet. De grootste risico’s worden door de ILT programmatisch aangepakt. De ILT gaat steeds meer in programma’s werken, met telkens de meest kansrijke combinatie van disciplines, specialisten en instrumenten. Daarbij worden verschillende instrumenten ingezet: van gerichte nalevingscommunicatie tot opsporing. In 2021 lopen de volgende programma’s gebaseerd op IBRA:

  • 1. Minder broeikasgassen

  • 2. Duurzame producten

  • 3. Bodem

  • 4. Onjuiste verwerking afvalstoffen

  • 5. Slim en veilig goederenvervoer over de weg

  • 6. Schoon schip

  • 7. Veilig en duurzaam Schiphol

  • 8. Veiligheid op het spoor

  • 9. Verstoring marktwerking bij taxivervoer

  • 10. Optimaliseren dienst- en vergunningverlening

  • 11. Regie en Toezicht op Externe Relaties en Producten

  • 12. Legionella

Een nadere toelichting op deze programma’s is te vinden in het Meerjarenplan 2021.

1. Vergunningverlening

Nieuwe toetreders tot een markt moeten aantonen dat ze aan de wettelijke eisen voldoen. Wordt daar aan voldaan, dan verleent de ILT één of meer vergunning(en) of certificaten. De wetgever verbindt door die keuze veiligheidseisen aan marktordeningsprincipes: zonder vergunning mag het bedrijf niet handelen.

2. Handhaving

Het handhaven van wet- en regelgeving geschiedt door middel van dienstverlening, toezicht en opsporing. Het zwaartepunt van de inspectieactiviteiten ligt op het terrein van het toezicht. De ILT kent de volgende toezichtsvormen:

  • Objectinspecties;

  • Administratiecontroles;

  • Audits;

  • Dienstverlening (meldingen, vragen)

3. Incident- en ongevalsonderzoek

Ongevallenonderzoek is bij ernstige ongevallen opgedragen aan de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). In voorkomende gevallen levert de ILT expertise en deskundigen en soms (zoals bij scheepvaart en railvervoer) heeft de ILT een eigen taak bij het onderzoeken van ongevallen. Ongevallenonderzoek kan aanleiding zijn om de dienstverlening te vergroten en/of het toezicht te versterken. In ernstige gevallen van falen kan uit het onderzoek een toezichtmaatregel voortvloeien.

Incidenten en ongevallen vragen om een snelle respons en een gecoördineerde aanpak. Ondanks dat crisismanagement geen toezichtstaak is, is de (systeem)verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de crisisbeheersingstaak belegd bij de Inspecteur-generaal. Het betreft de preparatie, respons en (deels) nazorg van incidenten.

Tabel 88 De begroting van baten en lasten voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet t-2

Vastgestelde begroting, ontwerpbegroting of in voorkomende gevallen de 1e suppletoire begroting t-1

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

156.743

182.688

168.247

166.567

167.094

166.873

167.153

- waarvan omzet moederdepartement

131.945

157.988

143.547

141.867

142.394

142.173

142.453

- waarvan nog uit te voeren werkzaamheden

       

- waarvan omzet overige departementen

341

831

831

831

831

831

831

- waarvan omzet derden

24.457

23.869

23.869

23.869

23.869

23.869

23.869

Vrijval voorzieningen

2

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

429

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

157.174

182.688

168.247

166.567

167.094

166.873

167.153

        

Lasten

       

Apparaatskosten

153.196

182.440

168.014

166.337

166.863

166.642

166.922

Personele kosten

112.148

126.654

127.234

125.282

125.671

125.508

125.508

- waarvan eigen personeel

104.567

113.479

120.861

120.052

120.052

120.052

120.052

- waarvan inhuur externen

7.581

12.941

6.154

5.014

5.402

5.239

5.239

- waarvan overige personele kosten

0

234

219

216

218

217

217

Materiële kosten

41.048

55.787

40.780

41.055

41.192

41.134

41.415

- waarvan apparaat ICT

1

235

221

217

218

218

218

- waarvan bijdrage aan SSO's

28.560

23.699

19.779

19.924

19.990

19.962

20.102

- waarvan overige materiële kosten

12.457

31.853

20.780

20.914

20.984

20.954

21.095

Beheer en Onderhoud

       

Afschrijvingskosten

574

131

123

122

122

122

122

Materieel

574

131

123

122

122

122

122

- waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

- waarvan overige materiële afschrijvingskosten

       

Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

3.054

117

110

109

109

109

109

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

45

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

156.869

182.688

168.247

166.567

167.094

166.873

167.153

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

305

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

305

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Omzet IenW

De omzet IenW is een vergoeding voor de productgroepen vergunningverlening en handhaving (toezicht, incidentmelding en onderzoek).

Tabel 89 Specificatie omzet IenW (x € 1.000)

Specificatie omzet IenW

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Hoofdstuk XII

       

Omzet art 24 Handhaving en toezicht

131.498

144.870

130.431

128.747

129.269

129.048

129.328

Omzet art 97 Algemeen departement

12718

13.118

13.116

13.120

13.125

13.125

13.125

Totaal

144.216

157.988

143.547

141.867

142.394

142.173

142.453

De ILT ontvangt in 2021 een hogere structurele agentschapsbijdrage (€ 9,8 miljoen). Deze extra bijdragen zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van nieuwe taken en het intensiveren van bestaande taken; daarnaast betreft het eveneens de loon- en prijsbijstelling 2021. Op basis van de ILT-brede risico analyse (IBRA) worden de nieuwe medewerkers daar ingezet, waar het risico hoog is en waar de inzet vergroot moet worden om tot een voldoende niveau van toezicht te komen. De focus verschuift daarbij van reguliere werkzaamheden naar een meer programmatische aanpak.

Omzet overige departementen

De omzet afkomstig van andere departementen betreft de middelen voor het toezicht op naleving van de Wet normering topinkomens in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook zet de ILT, in opdracht van dezelfde Minister, haar werkzaamheden voort op het gebied van de handhaving van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het energielabel in het kader van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen.

Omzet derden

De opbrengsten derden betreffen de doorberekende kosten aan de afnemers van de vergunningen en overige externe opdrachten. Het toezicht op de woningcorporaties wordt doorbelast aan de sector en is ook opgenomen onder omzet derden (raming 2021: € 14,3 miljoen).

Tabel 90 Specificatie omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Opbrengsten vergunningverlening

9.284

9.065

9.065

9.065

9.065

9.065

9.065

Opbrengsten woningcorporaties

13.773

14.691

14.304

14.304

14.304

14.304

14.304

Overige opbrengsten

960

500

500

500

500

500

500

Totaal omzet derden

24.017

24.256

23.869

23.869

23.869

23.869

23.869

Lasten

Personele kosten

De ILT ontvangt in 2021 een hogere agentschapsbijdrage. Op basis van de ILT-brede risico analyse (IBRA) worden de nieuwe medewerkers daar ingezet, waar het risico hoog is en waar de inzet vergroot moet worden om tot een voldoende niveau van toezicht te komen. De focus verschuift daarbij van reguliere werkzaamheden naar een meer programmatische aanpak. De externe inhuur betreft voornamelijk inhuur op ICT-terrein.

Tabel 91 Specificatie personele kosten
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal FTE

1.149

1.184

1.262

1.264

1.264

1.264

1.264

Eigen personele kosten (x € 1.000)

104.567

113.479

120.861

120.052

120.052

120.052

120.052

Inhuur (x € 1.000)

7.581

12.941

6.154

5.014

5.402

5.239

5.239

Totale kosten

113.297

126.420

127.015

125.066

125.453

125.290

125.290

Materiële kosten

De materiële kosten omvatten onder andere ICT, huisvesting, opleidingen en overige kosten voor middelen ten behoeve van de uitvoering van de inspectietaken. De eerder begrote kostendalingen op huisvesting en ICT-beheer worden vanaf 2021 en verder gerealiseerd.

De organisatieverandering bij ILT is in 2020 afgerond. Onder meer het programmatisch werken wordt geïmplementeerd zoals in het Meerjarenplan ILT 2021 verder wordt toegelicht. Daarnaast wordt het IV- landschap verder vernieuwd. Dit levert de komende jaren naar verwachting besparingen op de ICT-kosten op, afhankelijk van het tempo waarmee de verouderde applicaties kunnen worden vervangen en stopgezet. Mede daardoor kunnen de kosten voor externe ICT-inhuur worden teruggebracht.

Tabel 92 Kasstroomoverzicht over het jaar 2021 (x € 1.000)
  

Stand slotwet t-2

Vastgestelde begroting, ontwerpbegroting of in voorkomende gevallen de 1e suppletoire begroting t-1

2020

2021

2022

2023

2024

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

26.542

34.721

39.825

39.825

39.825

39.825

39.825

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

611

157.174

163.931

163.613

163.713

164.391

164.414

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

6.359

‒ 137.201

‒ 178.609

‒ 163.413

‒ 163.513

‒ 164.191

‒ 164.214

2.

Totaal operationele kasstroom

6.970

19.973

‒ 14.678

200

200

200

200

 

-/- totaal investeringen

‒ 5

‒ 9

‒ 200

‒ 200

‒ 200

‒ 200

‒ 200

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

114

18

     

3.

Totaal investeringskasstroom

109

9

‒ 200

‒ 200

‒ 200

‒ 200

‒ 199

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

       
 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

1.100

     
 

-/- aflossingen op leningen

       
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

4.

Totaal financieringskasstroom

1.100

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

34.721

54.703

24.947

39.825

39.825

39.825

39.826

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen.

Investeringskasstroom

De investeringenkasstroom is naar verwachting beperkt omdat de ILT overgaat van eigen auto’s naar leaseauto’s. De resterende investeringen betreffen bedrijfsspecifieke apparatuur.

Financieringskasstroom

Gelet op de beschikbare liquiditeiten is het doelmatig om de beperkte investeringen te financieren met eigen kasmiddelen.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 93 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Stand slotwet t-2

Vastgestelde begroting t-1

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

1. Kostprijzen per product (groep)

       

- Handhaving

129.094

151.631

139.645

138.251

138.688

138.505

138.737

- Vergunningverlening

26.860

31.057

28.602

28.316

28.406

28.368

28.416

2. Tarieven/uur

       

- Handhaving

144

142

142

145

145

146

146

- Vergunningverlening

142

134

131

132

132

133

133

3. Omzet per productgroep (PxQ)

       

- Handhaving

125.386

151.631

139.645

138.251

138.688

138.505

138.737

- Vergunningverlening

13.169

12.949

15.034

14.750

14.836

14.793

14.841

4. FTE-totaal (excl. externe inhuur)

1.103

1.184

1.262

1.264

1.264

1.264

1.264

(excl. externe inhuur)

       

5. Saldo van baten en lasten (%)

‒ 2,29%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

        

6. Kwaliteitsindicator 1: doorlooptijd vergunning

n.b.

95%

95%

95%

95%

95%

95%

7. Kwaliteitsindicator 2: wachttijden informatiecentrum

27 sec.

< 20 sec.

80% < 35 sec.

80% < 35 sec.

80% < 35 sec.

80% < 35 sec.

80% < 35 sec.

Omschrijving Specifiek Deel

       

8. Kwaliteit Handhaving:

       

Klachten (bezwaar en beroep)

787

1000

1000

1000

1000

1000

1000

Gegrond verklaard (%)

n.b.

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Toelichting

Bovenstaand overzicht bevat de doelmatigheidsindicatoren van de ILT en is opgesteld conform de Rijksbegrotingsvoorschriften.

De kwaliteitsindicatoren (6, 7 en 8) betreffen de kwaliteit van vergunningverlening, dienstverlening en handhaving. Aangezien «gegronde klachten» in het Inspectieproces niet bestaan, cq. van de klachten niet formeel wordt vastgesteld of deze wel of niet gegrond zijn, is deze vervangen door «bezwaar- en beroepszaken». De ILT streeft naar 0% gegrond verklaarde bezwaren en beroepen.

5.3 Agentschap Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

Introductie

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) adviseert en waarschuwt de samenleving om risico’s met een atmosferische of seismische oorsprong terug te dringen. Het KNMI ontwikkelt daartoe hoogwaardige kennis, verricht waarnemingen, en zet die om in producten en diensten die de veiligheidsrisico’s verminderen, bij­dragen aan een duurzame samenleving en economische mogelijkheden bevorderen.

Per 1 januari 2016 is de Wet taken meteorologie en seismologie in werking getreden.

Producten en diensten

De samenleving wordt steeds gevoeliger voor extreem weer, klimaatverandering, luchtkwaliteit, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Om deze toegenomen risico’s zoveel mogelijk te helpen beperken past het KNMI het concept van de risico-reductie-cyclus toe.

We bewaken en waarschuwen, maar we geven ook adviezen en handelingsperspectieven voor zowel acute als toekomstige gevaren. Daarbij trekken we actief lessen uit gebeurtenissen om toekomstige adviezen nog beter te maken en zo tot risico reductie te komen. Dit doen we samen met onze omgeving: het algemene publiek, overheden en (weer)bedrijven. We innoveren permanent onze dienstverlening en creëren daarbij (duurzame) economische kansen voor het bedrijfsleven terwijl we bijdragen aan een veilig, bereikbaar en leefbaar Nederland.

Het KNMI heeft zijn producten en diensten ingedeeld in de productgroepen Meteorologie en Seismologie. Daarnaast wordt Aardobservatie als product onderscheiden. Meetbare gegevens voor deze productgroepen zijn opgenomen in beleidsartikel 23.

Tabel 94 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting, ontwerpbegroting of in voorkomende gevallen de 1e suppletoire begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       
        

Omzet

85.950

89.053

87.491

87.787

81.180

81.162

79.831

- waarvan omzet moederdepartement

57.918

57.813

53.953

54.235

47.261

47.543

46.212

- waarvan omzet overige departementen

2.419

3.005

3.005

3.005

3.372

3.372

3.372

- waarvan omzet derden

25.613

28.235

30.533

30.547

30.547

30.247

30.247

Vrijval voorzieningen

21

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

‒ 724

3.750

4.584

4.084

4.083

4.084

4.084

Rentebaten

1

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

85.248

92.803

92.075

91.871

85.263

85.246

83.915

        

Lasten

       

Apparaatskosten

62.218

68.378

72.129

71.261

72.141

71.054

66.720

Personele kosten

35.896

38.495

40.879

41.499

41.499

40.020

37.547

- waarvan eigen personeel

32.135

35.301

37.034

38.009

38.009

36.576

34.640

- waarvan inhuur externen

3.611

3.036

3.641

3.320

3.320

3.202

2.628

- waarvan overige personele kosten

150

158

166

170

170

243

279

Materiële kosten

26.322

29.883

31.250

29.762

30.642

31.033

29.173

- waarvan apparaat ICT

4.250

5.465

5.465

5.465

5.465

5.465

5.465

- waarvan bijdrage aan SSO's

4.599

4.439

4.439

3.739

3.739

3.739

3.739

- waarvan overige materiële kosten

17.473

19.979

21.346

20.558

21.438

21.829

19.968

Beheer en Onderhoud

       

Afschrijvingskosten

2.835

3.202

3.202

3.202

2.502

2.502

2.502

Materieel

2.471

2.816

2.816

2.816

2.116

2.116

2.116

- waarvan apparaat ICT

1.008

1.051

1.051

1.051

351

351

351

- waarvan overige materiële afschrijvingskosten

1.463

1.765

1.765

1.765

1.765

1.765

1.765

Immaterieel

364

385

385

385

385

385

385

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

20.927

21.198

16.720

17.384

10.596

11.666

14.669

Bijzondere lasten

1

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

19

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

86.000

92.778

92.051

91.846

85.238

85.221

83.890

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

‒ 752

25

25

25

25

25

25

Agentschapsdeel Vpb-lasten

26

25

25

25

25

25

25

Saldo van baten en lasten

‒ 778

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement betreft een vergoeding voor de dienstverlening van het KNMI op het gebied van meteorologie, seismologie en aardobservatie. Hieronder wordt de bijdrage nader uitgesplitst. De fluctuatie in de bijdrage van het moederdepartement wordt vooral veroorzaakt door de fluctuatie in de bijdrage in het kader van Aardobservatie (contributie aan EUMETSAT).

Hierna volgt een nadere specificatie van de omzet moederdepartement en van de omzet per productgroep.

Tabel 95 Specificatie Omzet Moederdepartement (bedragen x € 1.000)

Specificatie omzet moederdepartement

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Hoofdstuk XII

       

Artikel 11 Integraal Waterbeleid

1.271

612

386

385

385

385

385

Artikel 16 Openbaar vervoer en Spoor

45

46

46

46

46

46

46

Artikel 17 Luchtvaart

14

14

14

0

0

0

0

Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

75

0

0

0

0

0

0

Artikel 20 Lucht en Geluid

90

0

0

0

0

0

0

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

54.098

52.260

50.822

50.618

43.644

43.926

42.595

Bijdrage RWS

2.370

2.390

2.390

2.390

2.390

2.390

2.390

ANVS

213

218

218

218

218

218

218

Overige omzet IenW

‒ 258

2.273

77

577

577

577

577

* Waarvan nog uit te voeren werkzaamheden

‒ 735

1.696

‒ 500

0

0

0

0

* Waarvan gefactureerde omzet

477

577

577

577

577

577

577

Totaal

57.918

57.813

53.953

54.235

47.261

47.543

46.212

Toelichting

Binnen de bijdrage vanuit artikel 23 wordt een bijdrage beschikbaar gesteld voor de realisatie van de transformatie van de informatievoorziening. Deze projecten dragen voor een belangrijk deel direct bij aan de producten, maar zijn niet opgenomen in de kostprijzen van deze producten. Zie ook de toelichting onder bijzondere baten.

Hiernaast wordt confrom afspraak tot en met 2023 een bijdrage vanuit de eigenaar beschikbaar gesteld voor het behoedzaam opbouwen van het eigen vermogen van het KNMI.

Tot slot betreft ook een gedeelte de omzet nog uit te voeren werkzaamheden bestaat uit opbrengsten die in eerdere jaren van IenW zijn ontvangen en waar in een later jaar de dienstverlening voor worden geleverd.

Tabel 96 Specificatie Omzet Moederdepartement per product (bedragen x € 1.000
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Meteorologie

35.718

35.326

35.771

35.848

35.661

34.873

30.539

Seismologie

1.273

1.288

1.462

1.003

1.004

1.004

1.004

Aardobservatie

20.927

21.198

16.720

17.384

10.596

11.666

14.669

Totaal

57.918

57.813

53.953

54.235

47.261

47.543

46.212

Omzet overige departementen

De opbrengst overige departementen heeft betrekking op van andere ministeries ontvangen vergoedingen voor de inzet van KNMI-capaciteit voor het door hen verzochte maatwerk.

Tabel 97 Specificatie Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rijksinstituut voor Veiligheid en Milieu

‒ 7

57

57

57

57

57

57

Het ministerie van Defensie

1.166

1.383

1.383

1.383

1.383

1.383

1.383

Het ministerie van Economische Zaken

999

1.439

1.439

1.439

1.806

1.806

1.806

Het ministerie van Buitenlandse Zaken

22

      

Overig

239

126

126

126

126

126

126

Totaal

2.419

3.005

3.005

3.005

3.372

3.372

3.372

Toelichting

  • Het KNMI ontvangt een vergoeding van het Rijksinstituut voor Veiligheid en Milieu (RIVM) voor de levering van luchtkwaliteitsverwachtingen.

  • De bijdrage van het Ministerie van Defensie is vooral voor onderhoud en beheer van de meetinfrastructuur.

  • De bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat betreft dienstverlening op seismologisch en klimatologisch gebied. Vanaf 2023 komt daar dienstverlening op het gebied van Space Weather (€ 0,4 miljoen) bij.

Omzet derden

Tabel 98 Specificatie omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Opbrengsten luchtvaart

8.897

13.772

14.272

14.272

14.272

14.272

14.272

Projecten extern gefinancierd

14.141

12.273

13.773

13.773

13.773

13.773

13.773

Dataverstrekkingen en licenties

644

650

650

650

650

650

650

Overige opbrengsten

1.930

1.540

1.838

1.852

1.852

1.852

1.852

Totaal

25.612

28.235

30.533

30.547

30.547

30.547

30.547

Toelichting

  • Opbrengsten luchtvaart zijn inkomsten uit een drietal tarieven die via Eurocontrol of LVNL bij luchtvaartmaatschappijen in rekening worden gebracht. De verhoging van € 5 miljoen vanaf 2020 betreft een stijging door het aangaan van een nieuw contract per 1 januari 2020.

  • Projecten extern gefinancierd bestaat uit gelden van de Europese Unie, ESA/ESTEC (bv. Copernicus Sentinel-2 Misson Performance Centre), EUMETSAT (bv. Ocean and Sea Ice Satellite Application Facilities), ECMWF (bv. Copernicus Atmosphere Monitoring Service projecten), Universiteiten en NSO (bv. Ozon Monitoring Instruments en Ruisdeal Observatory) ter financiering van onderzoeksprojecten in de meteorologie en seismologie.

  • De opbrengsten dataverstrekking en licenties bestaan uit ontvangsten van voornamelijk weerproviders voor door het KNMI aan hen geleverde meteorologische data.

  • De overige opbrengsten betreffen met name lopende contracten met derden (zoals bijvoorbeeld NAM en Havenbedrijven).

Bijzondere Baten

Tabel 99 Specificatie bijzondere baten (bedragen x €1.000)
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

IT-Migratie

 

2.500

2.500

2.000

2.000

2.000

2.000

I-Strategie

 

1.250

2.084

2.084

2.083

2.084

2.084

Terugbetaling EU

‒ 724

      

Totaal

‒ 724

5.203

5.794

5.305

4.991

4.916

5.009

Toelichting

In lijn met de rijksbegrotingsvoorschriften is een aandeel van de omzet moederdepartement overgeheveld naar de post bijzondere baten. In de specificatie is aangegeven voor welke projecten dit het geval is. Het betreffen de ontvangen middelen voor de verbetering van en transformatie van de informatievoorziening. Deze projecten dragen voor een belangrijk deel direct bij aan de diensten van het KNMI, maar zijn niet opgenomen in de kostprijzen hiervan.

Lasten

Personele kosten

De specificatie van de personele kosten is als volgt:

Tabel 100 Specificatie personele kosten (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal fte's

357

381

400

411

411

396

375

Eigen personeelskosten

32.135

35.301

37.034

38.009

38.009

36.576

34.640

Inhuur

3.611

3.036

3.679

3.320

3.320

3.202

2.628

Overige personele kosten

150

158

166

170

170

243

279

De tijdelijke stijging van het aantal fte’s wordt veroorzaakt door extra benodigde capaciteit in het kader van het verder uitvoeren van de projecten I-strategie, EWC en extra taken voor de luchtvaart voortvloeiend uit het nieuwe contract per 1 januari 2020. Na afloop van het EWC project (2024/2025) nemen de kosten en het aantal fte’s weer af door een combinatie van natuurlijk verloop en afloop van tijdelijke contracten.

Materiële kosten

De materiële uitgaven omvatten onder andere ICT, huisvesting, communicatie en contributies.

Apparaat ICT

De kosten bestaan met name uit uitbestede kosten voor netwerk- en werkplekvoorzieningen.

Apparaat SSO

Deze kosten nemen vanaf 2022 af als gevolg van een geplande afstoting van gehuurde ruimten.

Overige materiële kosten

Dit zijn voor een belangrijk deel kosten voor uitbesteding van werkzaamheden (specifieke ICT, diverse subsidieprojecten), facilitaire dienstverlening, onderhoud, communicatie en internationale contributies.

De stijging ten opzichte van de voorgaande begroting wordt met name veroorzaakt door het nieuwe luchtvaartcontract (€ 1,5 miljoen), masterplan De Bilt (€ 1,4 miljoen), Geoweb (€ 0,8 miljoen) en subsidieprojecten (€ 0,5 miljoen). Daarnaast door een verschuiving van personele kosten. Dit betreft I-strategie (€ 0,5 miljoen) en EWC (€ 0,3 miljoen).

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen voornamelijk de afschrijvingskosten voor ICT-apparatuur (Rekenserver en Massa opslagsysteem) en waarneemapparatuur (regenradars, wolkenradars en een veelheid aan sensoren).

Overige kosten – Aardobservatie

Dit betreft volledig de contributie aan de internationale organisatie EUMETSAT. EUMETSAT ontwikkelt en exploiteert Europese meteorologische satellieten.

Tabel 101 Kasstroomoverzicht over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

Kasstroomoverzicht over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

       

2025

  

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

13.501

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + stand depositorekening

13.112

14.112

5.430

4.846

9.157

11.275

 

2a.

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

      

2.502

2b.

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

4.375

4.161

5.702

7.588

4.116

4.392

‒ 1.183

2.

Totaal operationele kasstroom

‒ 1.951

‒ 11.326

‒ 4.058

‒ 750

0

0

‒ 2.500

3a.

Totaal investeringen (-/-)

‒ 1.017

‒ 5.330

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.500

0

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+/+)

‒ 44

0

0

0

0

0

‒ 2.500

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 1.061

‒ 5.330

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.500

0

4a.

Eenmalige uitkeringen aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

4b.

Eenmalige storting door het moederdepartement (+/+)

300

300

300

300

300

0

‒ 2.451

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 1.689

‒ 1.817

‒ 2.528

‒ 2.828

‒ 2.298

‒ 2.165

2.500

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+/+)

1.026

5.330

2.500

2.500

2.500

2.500

49

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 363

3.813

272

‒ 28

502

335

12.368

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

14.112

5.430

4.846

9.157

11.275

13.501

 

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en vooruit ontvangen bedragen. De grote uitgaven operationele kasstroom in 2020 worden vooral veroorzaakt door vertraagde en lagere ontvangsten van de luchtvaartsector als gevolg van de coronacrisis (€ 5,8 miljoen) en door een daling van de vooruitontvangen bedragen (€ 4,3 miljoen). De uitgaven in 2021 hebben betrekking op aardobservatie (€ 2 miljoen), op een verdere afname van de vooruitontvangen bedragen (€ 1,3 miljoen) en lagere afdrachten luchtvaart (€ 1,3 miljoen).

Investeringskasstroom

Investeringen vinden vooral plaats in waarneemapparatuur.

Financieringskasstroom

Het beroep op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën betreft investeringen met een afschrijvingstermijn van 3 jaar of langer. Voor 2020 en latere jaren betreft het vooral investeringen in waarneemapparatuur. De aflossingen betreffen de reguliere aflossingen op de reeds afgesloten leningen en de aflossingen op nog af te sluiten leningen.

Tabel 102 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Realisatie 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kostprijzen per product (groep)

       

- percentage overhead (*)

100

100

98

98

97

97

98

- fte's overhead/indirect

92

105

104

104

99

99

99

        

Tarieven/uur

106

111

111

111

111

111

111

        

Omzet per produktgroep

       

- Meteorologie

61.975

68.878

72.455

72.045

72.224

71.137

66.804

- Seismologie

3.048

2.727

2.901

2.442

2.443

2.443

2.443

- Aardobservatie

20.927

21.198

16.720

17.384

10.596

11.666

14.669

        

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

357

381

400

411

411

396

375

        

Saldo van baten en lasten (%)

‒ 1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

        

Algemene weersverwachtingen en adviezen

       

- afwijking min.temperatuur (°C)

0,31

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

- afwijking max.temperatuur (°C)

‒ 0,41

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

ABS (<0,5)

- gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,13

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

ABS (<1,0)

Maritieme verwachtingen

       

– tijdigheid marifoonbericht (%)

99,5

> 99

> 99

> 99

> 99

> 99

> 100

Toelichting

  • De (tijdelijke) stijging van het aantal fte’s overhead/indirect wordt vooral veroorzaakt door een stijging van het aantal begrote uren verbetering van de weerkamer (m.n. Geoweb).

  • De tarieven per uur stijgen vooral door de gestegen loonkosten (cao en stijging sociale lasten). Hiervoor is vanuit het moederdepartement een compensatie ontvangen.

  • De omzet voor de productgroep Meteorologie stijgt enerzijds door toevoegen van extra middelen voor EWC en de I-strategie en anderzijds door extra taken en opbrengsten luchtvaart. Zie ook de toelichting bij de omzet moederdepartement.

  • Ook het aantal fte’s stijgt vanaf 2020 vooral door uitvoeren van de projecten I-strategie en EWC en door de extra taken voor de luchtvaart. Zie ook de toelichting bij de personeelskosten.

6. Bijlagen

Bijlage 1: ZBO's en RWT's

Tabel 103 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)

Naam organisatie1

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1.000)2

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

APK-erkenninghouders

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Straling (ANVS)

Zbo en rwt

97

n.v.t.

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2020Z00679&did=2020D01433

 

Bevoegde Autoriteiten Rijnvaart

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t. (EZ)

 

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)*

Zbo en rwt

14

3.038

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D38364&did=2018D38364

 

College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

Zbo en rwt

22

1.000

Evaluatieplicht n.v.t. (EZ)

 

Commissie m.e.r.

Rwt

13

0

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Dienst voor het Wegverkeer (RDW)*

Zbo en rwt

14

n.v.t.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/12/12/aanbieding-rapport-wettelijke-evaluatie-aan-tweede-kamer

2021

Havenbeheerders

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Stichting VAM (IBKI)*

Zbo en rwt

n.v.t.

n.v.t.

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D44534&did=2018D44534

 

Keuringsartsen Scheepvaart

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Keuringsinstanties Explosieven

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Keuringsinstanties Kabelbaaninstallaties

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Keuringsinstanties Pleziervaartuigen

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Keuringsinstanties Scheepsuitrusting

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

KIWA

Rwt

div.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Klassebureaus art. 6 Schepenwet en art. 6 en 3.1 Schepenbesluit 1965 en Binnenvaart

Zbo en rwt

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)*

Zbo en rwt

17

100

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019D45470&did=2019D45470

 

Nederlands Loodswezen BV

Rwt

18

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Nederlandse Loodsencorporatie (NLC)

Zbo

18

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

ProRail

Rwt

13. IF

2.366.176

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Regionale Loodsencorporaties (RLC’s)

Zbo en rwt

18

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Rijkshavenmeester Rotterdam en Amsterdam

Zbo en rwt

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Airport Coordination Netherlands (ACNL)*

Zbo

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Stichting Buisleidingenstraat Nederland (LSNed)

Rwt

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Stichting Milieukeur

Zbo

21

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

De Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)*

Zbo en rwt

21

n.v.t.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/11/08/wettelijke-evaluatie-niwo-2013-2018

 

Stichting Scheepsafvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart (SAB)

Rwt

18

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

Stichting Vaarbewijs- en Marifoonexamens (VAMEX)*

Zbo en rwt

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 

VTS-operators

Zbo en rwt

n.v.t.

n.v.t.

Evaluatieplicht n.v.t.

 
1

Organisaties met een (*) zijn onder de werking van de Kaderwet zbo’s gebracht. Een groot aantal organisaties is deeltijd-zbo/-rwt.

2

Het overgrote deel van de onder IenW ressorterende zbo’s en rwt’s wordt gefinancierd vanuit tarieven.

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

Tabel 104 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

11 Integraal waterbeleid

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

53.480

47.803

42.702

39.124

38.919

41.132

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

730

     

Mutatie Amendement 2020

       

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

5.924

4.490

‒ 225

2.503

2.533

2.653

Nieuwe mutaties

 

‒ 403

9.772

8.637

4.925

5.155

1.038

Stand ontwerpbegroting 2021

 

59.731

62.065

51.114

46.552

46.607

44.823

Tabel 105 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

11.01

Algemeen waterbeleid

      

1

Bijdrage IenW - brede problematiek

0

‒ 1.397

‒ 647

‒ 360

‒ 360

‒ 360

 

Diversen

‒ 285

1.359

‒ 141

‒ 141

‒ 141

‒ 102

11.02

Waterveiligheid

      
 

Diversen

‒ 168

‒ 152

‒ 31

0

0

0

11.03

Grote oppervlaktewateren

      
 

Diversen

0

0

0

230

0

0

11.04

Waterkwaliteit

      

2

Uitvoering Noordzeeakkoord

0

9.962

9.456

5.426

5.656

1.500

 

Diversen

50

0

0

‒ 230

0

0

Totaal

‒ 403

9.772

8.637

4.925

5.155

1.038

Ad. 1 Dit betreft een bijdrage van DGWB aan IenW-brede problematiek apparaat 7 procent en programma 32 procent.

Ad. 2 Meerjarige bijdrage van IenW van € 46,8 miljoen ten behoeve van het Noordzeeakkoord. IenW ontvangt de departementale bijdragen (excl. EMVAF) en herverdeelt het daarna middels aparte overboekingen naar de begrotingen waar de uitgaven gedaan zullen worden. Het Kabinet stelt voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord een transitiebedrag van € 200 miljoen euro tot en met 2030 beschikbaar. Dit budget is bedoeld voor sanering en verduurzaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor het de veilige doorvaart van de aan te leggen windparken, en voor extra handhaving door de NVWA.

Tabel 106 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

13 Bodem en Ondergrond

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

30.784

133.171

132.536

136.068

136.262

134.049

Mutatie Nota van wijziging 2020

       

Mutatie Amendement 2020

       

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

3.227

4.205

3.843

2.344

1.894

230

Nieuwe mutaties

 

‒ 140

5.280

1.805

   

Stand ontwerpbegroting 2021

 

33.871

142.656

138.184

138.412

138.156

134.279

Tabel 107 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

13.01

Ruimtelijke instrumentarium

      

13.04

Ruimtegebruik bodem

      

1

Coronamaatregel drinkwater Caribisch Nederland

0

3.352

0

0

0

0

 

Diversen

‒ 396

‒ 32

0

0

0

0

13.05

Eenvoudig Beter

      

2

Transitiekosten RWS Omgevingswet

268

1.960

1.805

0

0

0

 

Diversen

‒ 12

0

0

0

0

0

Totaal

 

‒ 140

5.280

1.805

0

0

0

Ad. 1 Dit betreft een bijdrage aan RWS voor de kosten die RWS maakt voor de transitie in het kader van de Omgevingswet aan de hand van een leer & ontwikkeltraject omgevingswet en de ontwikkeling van de aansluiting van RWS op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Tabel 108 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

14 Wegen en verkeersveiligheid

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

85.836

82.958

75.937

82.455

85.004

72.304

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

1.000

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

84.491

63.328

79.340

99.692

116.275

97.877

Nieuwe mutaties

 

5.907

7.503

‒ 880

‒ 718

‒ 716

‒ 715

Stand ontwerpbegroting 2021

 

177.234

153.789

154.397

181.429

200.563

169.466

Tabel 109 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

14.01

Netwerken

      

1

Snelfietsroutes

15.481

6.806

0

0

0

0

2

Middelen BenO CN Bonaire

‒ 14.500

     
 

Diversen

65

‒ 49

‒ 202

‒ 181

‒ 182

‒ 184

14.02

Veiligheid

      

3

Middelen bijdrage CBR

2.100

2.100

0

0

0

0

4

Middelen bijdrage CBR eigenaar

3.800

0

0

0

0

0

5

Bijzondere bromfiets

‒ 455

‒ 455

‒ 455

‒ 455

‒ 455

‒ 455

6

Inboeking KIWA tarieven

‒ 352

‒ 352

0

0

0

0

 

Diversen

‒ 232

‒ 89

‒ 15

14

11

7

14.03

Slimme en Duurzame Mobiliteit

      
 

Diversen

0

‒ 458

‒ 208

‒ 96

‒ 90

‒ 83

Totaal

 

5.907

7.503

‒ 880

‒ 718

‒ 716

‒ 715

Ad. 1 Dit betreft een overboeking van middelen vanuit het Infrastructuurfonds naar HXII ten behoeve van de Regeling Snelfietsroutes.

Ad. 2 Dit betreft de terugboeking van de middelen voor onderhoudsimpuls infrastructuur 2020-2023 (€ 11 miljoen) en de bijbehorende showcases (€ 3,5 miljoen) die zijn bestemd voor Bonaire naar het Infrastructuurfonds. De governance moet eerst op orde worden gebracht, zodat de middelen doelmatig en rechtmatig kunnen worden ingezet. In afwachting hiervan worden de middelen gereserveerd op artikel 20 van het Infrastructuurfonds.

Ad. 3 Dit betreft de bijdrage aan het CBR, omdat het CBR onvoldoende middelen heeft om haar taken uit te kunnen voeren door een stapeling van benodigde wijzigingen in de regelgeving, politieke toezeggingen en beleidswensen.

Ad. 4 Het eigen vermogen van het CBR wordt eenmalig aangezuiverd, omdat het CBR onvoldoende buffer heeft om onvoorziene extra kosten en eventuele tegenvallende opbrengsten zelf op te kunnen vangen. Besloten is om deze eenmalige aanzuivering IenW breed te dekken.

Ad. 5 Dit betreft een overboeking vanuit artikel 14 naar artikel 24 ter compensatie voor de kosten voor onder andere bijzondere bromfiets.

Ad. 6 Dit betreft een overboeking vanuit artikel 14 naar artikel 24 ten behoeve van het inboeken van tarieven voor Kiwa. Kiwa is een bedrijf dat gespecialiseerd is in testen, inspectie en certificering op het gebied van onder andere de bouw en infrastructuur.

Tabel 110 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

16 Spoor

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

28.508

28.006

26.817

23.524

10.123

10.123

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

1.488.000

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

7.022

775

780

775

539

291

Nieuwe mutaties

 

‒ 332

‒ 472

‒ 70

‒ 47

‒ 49

‒ 50

Stand ontwerpbegroting 2021

 

1.523.198

28.309

27.527

24.252

10.613

10.364

Tabel 111 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

16.01

Spoor

      
 

Diversen

‒ 332

‒ 472

‒ 70

‒ 47

‒ 49

‒ 50

Totaal

 

‒ 332

‒ 472

‒ 70

‒ 47

‒ 49

‒ 50

De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en hoeven daarom niet te worden toegelicht. 

Tabel 112 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1000)

17 Luchtvaart

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

24.443

11.898

9.504

8.872

8.009

6.126

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

861

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

1.202

443

393

29

12

1.102

Nieuwe mutaties

 

8.668

14.740

11.085

2.580

2.083

1.721

Stand ontwerpbegroting 2021

 

35.174

27.081

20.982

11.481

10.104

8.949

Tabel 113 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

17.01

Luchtvaart

      

1

Aanleg platformen Bonaire

0

4.500

4.500

0

0

0

2

Aanpak erosie Sint Eustatius

3.000

0

0

0

0

0

3

Bijdrage RDW drones

1.100

0

0

0

0

0

4

Drones opdrachten

400

2.000

782

648

648

648

5

Hybride elektrisch vliegen

0

1.000

575

0

0

0

6

Kasschuif

‒ 1.841

0

0

724

860

257

7

Klimaatbeleid luchtvaart

200

2.300

2.000

0

0

0

8

Update masterplan Sint Eustatius

1.200

0

0

0

0

0

 

Diversen

4.609

4.940

3.228

1.208

575

816

Totaal

8.668

14.740

11.085

2.580

2.083

1.721

Ad 1. Met de aanleg van de platformen wordt de laatste bevinding van de International Civil Aviation Organization (ICAO) verwerkt. Deze investeringen zijn nodig om te kunnen voldoen aan internationale ICAO veiligheidsstandaarden.

Ad 2. Sint Eustatius is in september 2017 getroffen door de orkanen Irma en Maria. De orkanen hebben de problematiek van de erosie op het eiland verder verslechtert. Deze middelen zijn bestemd voor de aanpak hiervan.

Ad 3. Dit betreft een bijdrage aan de RDW voor de bouw van het droneregister.

Ad 4. Deze middelen zijn bestemd om de tijdige implementatie van Europese regelgeving met betrekking tot drones te kunnen realiseren en om goed voorbereid te zijn op kwaadwillend gebruik van drones.

Ad 5. Dit betreft een subsidie in het kader van het actieprogramma Hybride Elektrisch Vliegen. Omdat er nog veel technologische uitdagingen zijn op het gebied van hybride elektrisch vliegen ligt de nadruk de komende jaren op onderzoek, kennisontwikkeling en kennisoverdracht. Voor 2021 en 2022 worden de middelen onder andere gebruikt voor onderzoek naar nieuwe businessmodellen.

Ad 6. Met deze kasschuif worden de GIS-budgetten op artikel 17 in het juiste kasritme gezet om overeen te stemmen met de verwachte uitgaven.

Ad 7. Deze middelen betreffen subsidies voor onder andere het stimuleren van Research en Development en scale up productie voor duurzame brandstoffen.

Ad 8. Deze middelen zijn bedoeld als hulp bij de uitvoering van de update van het masterplan voor Sint Eustatius. Het geeft de connectiviteit in de Caribische regio een impuls.

Tabel 114 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

18 Scheepvaart en Havens

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

39.881

9.081

8.927

9.423

11.057

4.874

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

2000

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

2.913

390

163

179

206

93

Nieuwe mutaties

 

16.648

11.616

14.009

16.038

16.032

5.032

Stand ontwerpbegroting 2021

 

61.442

21.087

23.099

25.640

27.295

9.999

Tabel 115 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

18.01

Scheepvaart en havens

      

1

Bouw Zeehaven Saba

2.250

0

0

0

0

0

2

Elektrisch varen

5.440

0

0

0

0

0

3

Retrofit binnenvaart

4.000

12.000

14.000

16.000

16.000

5.000

4

Rijksbijdrage Wilhelminakanaal fase 1.5

4.750

0

0

0

0

0

 

Diversen

208

‒ 384

9

38

32

32

Totaal

16.648

11.616

14.009

16.038

16.032

5.032

Ad 1. Deze middelen zijn bestemd om bij de nieuwe zeehaven op Saba te zorgen voor een veilige en efficiënte scheiding van vrachtverkeer en personenverkeer.

Ad 2. Voor het bekostigen van een rijksbijdrage aan het Modular Energy Concepts (MEC) consortium wordt budget overgeboekt van de investeringsruimte Hoofvaarwegen naar HXII artikel 18 ten behoeve van stimulering elektrisch varen in de binnenvaart door middel van een subsidie voor de ontwikkeling van batterijcontainers.

Ad 3. Dit betreft een overboeking van de aanvullende post naar artikel 18 voor de subsidiemaatregel Retrofit binnenvaart teneinde de stikstofuitstoot door de binnenvaartsector te reduceren.

Ad 4. Dit betreft een bijdrage aan de Gemeente Tilburg voor de optimalisatie van de binnenvaartinfrastructuur om het bereiken van een modal shift op de corridor naar Rotterdam en Venlo bespoedigen.

Tabel 116 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

19 Klimaat

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

44.374

44.347

43.577

43.492

43.489

43.489

Mutatie Nota van wijziging 2020

       

Mutatie Amendement 2020

 

‒ 1.000

     

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

16.117

1.118

1.199

1.214

1.214

1.215

Nieuwe mutaties

 

3.565

740

852

‒ 1.130

‒ 1.130

‒ 1.089

Stand ontwerpbegroting 2021

 

63.056

46.205

45.628

43.576

43.573

43.615

Tabel 117 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

        

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

      

1

Climate Action Summit (CAS)

545

600

0

0

0

0

2

Bronbeleid PFAS

2.000

2.000

2.000

0

0

0

3

Nederlands Polair Programma

0

‒ 792

0

0

0

0

4

Bijdrage apparaat actuele beleidsdossiers

0

‒ 782

‒ 803

‒ 815

‒ 815

‒ 815

 

Diversen

1.020

‒ 286

‒ 345

‒ 315

‒ 315

‒ 274

Totaal

3.565

740

852

‒ 1.130

‒ 1.130

‒ 1.089

        

Ad 1. Dit betreft een overboeking van middelen van diverse artikelen ter financiering van de Climate Action Summit (CAS). De conferentie - die in verband met COVID-19 digitaal zal plaatsvinden in 2021 - moet eraan bijdragen dat de resultaten van de Global Commission on Adaptation geborgd worden en de versnelling van klimaatadaptatie wordt gecontinueerd.

Ad 2. Dit betreft een overboeking vanuit artikel 20 van het Infrastructuurfonds (reservering Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit) naar artikel 19 in het kader van opdrachtverlening aan het RIVM voor werkzaamheden in het kader van het bronbeleid voor poly- en perfluoralkylstoffen PFAS à € 6 miljoen over een periode van 3 jaar. De opdracht aan RIVM wordt verantwoord op artikel 19.

Ad 3. Dit betreft een overboeking van IenW naar het ministerie van OCW inzake de samenwerking tussen de departementen en NWO ten aanzien van het Nederlands Polair Programma (NPP). IenW draagt bij aan de kosten.

Ad 4. Dit betreft een overboeking van artikel 19 naar artikel 98 (apparaat) in het kader van strategische personeelsplanning (SPP) en de benodigde capaciteit voor actuele beleidsdossiers zoals Circulaire Economie, het Schone Lucht Akkoord (SLA) en PFAS. Deze aanvullende capaciteit is benodigd om de nieuwe beleidsterreinen en programma’s adequaat uit te voeren.

Tabel 118 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

20

Lucht en Geluid

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

26.045

26.686

27.191

29.158

29.805

29.805

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

4.680

818

834

899

919

930

Nieuwe mutaties

 

2.783

‒ 250

73

158

156

7.166

Stand ontwerpbegroting 2021

 

33.508

27.254

28.098

30.215

30.880

37.901

Tabel 119 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

20.01

Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

      

1

Centrale voorziening geluidsgegevens (CVGG) + beheer

1.554

300

300

300

300

300

2

Aanvullingsspor Geluid

1.170

0

0

0

0

0

3

Subsidie CLICKNL

‒ 1.000

0

0

0

0

0

4

Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV)

1.425

0

0

0

0

0

5

Bijdrage IenW-brede problematiek

0

‒ 587

‒ 257

‒ 133

‒ 135

‒ 135

6

Extrapolatie geluidssanering

0

0

0

0

0

7.010

 

Diversen

‒ 366

37

30

‒ 9

‒ 9

‒ 9

Ad 1. Dit betreffen middelen voor de laatste fase van de ontwikkeling van de centrale voorziening geluidsgegevens (CVGG), inclusief een register voor geluidgevoelige objecten boven de maximale waarde. Het CVGG is één van de Informatieproducten Geluid, die nodig zijn om het Aanvullingsspoor Geluid binnen de Omgevingswet in werking te kunnen laten treden. De structurele reeks van € 0,3 miljoen betreft het beheer van de CVGG, monitoring van de gezondheidseffecten en kennisontwikkeling over laagfrequent geluid.

Ad 2. Voor het Aanvullingsspoor Geluid zijn middelen benodigd voor het World Health Organisation (WHO)-advies en het Geluidloket Geluid Productieplafond voor Rijksinfrastructuur.

Ad 3. Dit betreft een overboeking van artikel 20 naar artikel 21 ten behoeve van een subsidietoekenning aan CLICKNL in het kader van de stimulering van het programma Circulair Ontwerpen (CIRCO). CIRCO helpt ondernemers en creatieve professionals producten, diensten en businessmodellen te (her-)ontwerpen om vervolgens circulair te ondernemen.

Ad 4. Dit betreft een ophoging van het uitgavenbudget op artikel 20 met de teruggestorte middelen door het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV). Zie ook «ontvangsten artikel 20» beneden.

Ad 5. Deze middelen zijn ingezet ten behoeve van de dekking van een aantal IenW-prioritaire dossiers.

Ad 6. Dit betreft de extrapolatie van het budget voor de geluidsanering. Het budget voor de geluidsanering bij rijks- en spoorwegen (Meerjaren programma Geluidsanering) is destijds gevormd uit middelen van de toenmalig departementen VROM en V&W. Vastlegging in de rijksbegroting voor 2025 en verder was bij de start van de reeksen nog niet mogelijk. Deze extrapolatie regelt de technische verwerking hiervan.

Tabel 120 Ontvangsten beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

20 Lucht en Geluid

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

0

0

0

0

0

0

Nieuwe mutaties

 

1.425

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2021

 

1.425

0

0

0

0

0

Tabel 121 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Ontvangsten

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

20

Lucht en Geluid

      

1

Eindafrekening Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV)

1425

     

Totaal

1.425

     

Ad 1. Dit betreft een ophoging van het ontvangstenbudget op artikel 20 in het kader van de afwikkeling van een aantal verleende subsidies inzake de regeling sanering verkeerslawaai door het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV). Het BSV voert deze regeling uit namens IenW. Uit de eindafrekening blijken de werkelijke kosten lager te zijn uitgevallen dan de eerder verstrekte voorschotten. 

Tabel 122 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

21 Duurzaamheid

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

89.644

26.533

26.822

30.691

30.690

30.690

Mutatie Nota van wijziging 2020

       

Mutatie Amendement 2020

       

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

‒ 315

1.207

592

662

662

666

Nieuwe mutaties

 

416

23.242

14.878

4.932

4.931

‒ 69

Stand ontwerpbegroting 2021

 

89.644

50.982

42.292

36.285

36.283

31.287

Tabel 123 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

      
 

Diversen

0

‒ 18

‒ 5

‒ 3

‒ 3

‒ 3

21.05

Duurzame productketens

      

1

NNI: verscheidene opdrachten

833

93

0

0

0

0

2

PBL: monitoring en sturing werkprogramma CE

‒ 2.000

0

0

0

0

0

3

Subsidie CLICKNL

1.000

0

0

0

0

0

4

Circulaire economie

0

15.000

15.000

5.000

5.000

0

5

Urgenda 2 Vries- en koelkasten

 

1.000

    
 

Diversen

101

309

‒ 96

‒ 53

‒ 54

‒ 54

Ad 1. Dit betreft een overboeking vanuit artikel 22 naar artikel 21 in het kader van opdrachtverlening aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) voor de ontwikkeling en het beheer van Nederlandse normen (NEN). In dit geval gaat het om een opdracht aan de NNI voor het beheer van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, het voeren van het normcommissiesecretariaat Pyrotechnische artikelen en het beheer van de normen voor transportleidingen.

Ad 2. Dit betreft de financiering van de door het PBL uitgevoerde monitoring en sturing van het werkprogramma Circulaire Economie in opdracht van het ministerie van IenW.

Ad 3. Dit betreft een overboeking van artikel 20 naar artikel 21 ten behoeve van een subsidietoekenning aan CLICKNL in het kader van de stimulering van het programma Circulair Ontwerpen (CIRCO). CIRCO helpt ondernemers en creatieve professionals producten, diensten en businessmodellen te (her-)ontwerpen om vervolgens circulair te ondernemen.

Ad 4. Het werken naar een circulaire economie (CE) is een prioriteit in het regeerakkoord en het kabinet heeft zich gecommitteerd aan een Rijksbreed programma. Om de doelstellingen voor 2030 en 2050 daadwerkelijk te realiseren ‒ 50% minder gebruik van primaire grondstoffen in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050 - zijn deze aanvullende middelen vrijgemaakt. Hiermee kan onder andere invulling worden gegeven aan de transitieagenda's.

Ad 5. Het kabinet heeft besloten tot een tweede maatregelenpakket in het kader van Urgenda. Hiervoor worden middelen van de begroting van ministerie van Financiën (Aanvullende Post) naar de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overgeheveld. De uitgaven betreffen de kosten van communicatie en voorlichting over een retourpremie op koel- en vrieskasten en uitgaven voor Circulaire maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW).

Tabel 124 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico's

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

34.204

40.183

47.012

59.461

59.474

59.474

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

8.740

232

354

601

602

1.156

Nieuwe mutaties

 

‒ 5.445

‒ 4.205

‒ 4.757

‒ 4.660

‒ 4.658

‒ 158

Stand ontwerpbegroting 2021

 

37.499

36.210

42.609

55.402

55.418

60.472

Tabel 125 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

22.01

Veiligheid chemische stoffen

      

1

Atlas Leefomgeving

650

452

0

0

0

0

 

Diversen

‒ 431

‒ 166

‒ 36

‒ 17

‒ 17

‒ 17

22.02

Veiligheid biotewchnologie

      
 

Diversen

‒ 66

‒ 41

‒ 17

‒ 8

‒ 8

‒ 8

22.03

Veiligheid bedrijven en transport

      

2

Register Externe Veiligheid

1.165

517

0

0

0

0

3

NNI: verscheidene opdrachten

‒ 833

‒ 93

0

0

0

0

4

Beheer Inspectieview

‒ 600

0

0

0

0

0

5

Brandstofopslag Bonaire

‒ 5.000

0

0

0

0

0

6

Overboeking PF en GF Omgevingsveiligheid

0

‒ 4.500

‒ 4.500

‒ 4.500

‒ 4.500

0

 

Diversen

‒ 330

‒ 374

‒ 204

‒ 135

‒ 133

‒ 133

Totaal

‒ 5.445

‒ 4.205

‒ 4.757

‒ 4.660

‒ 4.658

‒ 158

        

Ad 1. In 2020 en 2021 worden ICT-gerelateerde kosten gemaakt in verband met de implementatie van de Omgevingswet, waaronder de Atlas Leefomgeving. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de gezondheidsaspecten van de Nederlandse leefomgeving.

Ad 2. In 2020 en 2021 worden ICT-gerelateerde kosten gemaakt in verband met de implementatie van de Omgevingswet, waaronder het Register Externe Veiligheid. In dit register zullen risicovolle objecten worden opgenomen, zoals lpg-tankstations, chemische fabrieken, vuurwerkopslagplaatsen én risicogevoelige objecten zoals scholen en ziekenhuizen.

Ad 3. Dit betreft een overboeking vanuit artikel 22 naar artikel 21 in het kader van opdrachtverlening aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) voor de ontwikkeling en het beheer van Nederlandse normen (NEN). De opdracht aan het NNI wordt verantwoord op artikel 21.

Ad 4. Dit betreft een bijdrage aan het beheer van Inspectieview (Inspectie Leefomgeving en Transport).

Ad 5. Dit betreft een bijdrage aan het ministerie van EZK voor de kosten van de vernieuwing van de brandstofopslag op Bonaire.

Ad 6. Dit betreft een overboekingen naar het Gemeentefonds en het Provinciefonds in het kader van de versterking van de omgevingsveiligheid.

Tabel 126 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

57.643

51.392

55.520

49.040

52.059

47.662

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

‒ 160

5.767

1.314

1.131

‒ 1.829

1.060

Nieuwe mutaties

 

2.167

1.887

1.508

1.195

1.119

1.296

Stand ontwerpbegroting 2021

 

59.650

59.046

58.342

51.366

51.349

50.018

Tabel 127 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

23.01

Meteorologie en seismologie

      

1

Masterplan De Bilt

1.453

1.210

1.221

908

832

925

 

Diversen

714

677

287

287

287

371

23.02

Aardobservatie

0

0

0

0

0

0

Totaal

2.167

1.887

1.508

1.195

1.119

1.296

Ad.1 De gebouwen van het KNMI zijn in slechte staat. Gebouw B is over enkele jaren technisch afgeschreven en gebouw A in de periode 2029-2034. Een sobere verbetering aan de gebouwen, een onderhoudsplan, is geen doelmatig scenario gezien de levensduur van beide gebouwen. De kwaliteit van de gebouwen is van dien aard dat een grote renovatie, dan wel nieuwbouw aan de orde is. Deze mutatie betreft alleen projectkosten en geen dekking van deelprojecten.

Tabel 128 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

24 Handhaving en toezicht

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

123.234

126.178

126.274

126.947

126.970

126.970

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

2.879

2.465

1.874

1.722

1.478

1.507

Nieuwe mutaties

 

3.867

1.788

600

600

600

851

Stand ontwerpbegroting 2021

 

129.980

130.431

128.748

129.269

129.048

129.328

Tabel 129 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

24.01

Handhaving en toezicht

      

1

Inspectieview beheer

1.200

0

0

0

0

0

 

Diversen

2.667

1.788

600

600

600

851

Totaal

3.867

1.788

600

600

600

851

Ad.1 Dit betreft extra middelen voor het systeembeheer Inspectieview.

Tabel 130 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

25 Brede doeluitkering

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

920.515

909.220

909.219

909.220

909.220

909.220

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

32.936

23.312

23.313

23.314

23.313

23.414

Nieuwe mutaties

       

Stand ontwerpbegroting 2021

 

953.451

932.532

932.532

932.534

932.533

932.634

Tabel 131 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

26 Bijdrage investeringsfondsen

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

6.979.233

7.429.495

7.549.902

8.057.663

7.969.872

7.445.050

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

‒ 166.876

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

‒ 469.236

‒ 464.231

‒ 551.653

4.861

‒ 113.609

472.068

Nieuwe mutaties

 

89.238

7.401.328

489.816

667.748

151.891

148.716

Stand ontwerpbegroting 2021

 

6.432.359

14.366.592

7.488.065

8.730.272

8.008.154

8.065.834

Tabel 132 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

26.01

Infrastructuurfonds

      

1

Loon- en prijsbijstelling 2020

128.218

82.824

90.247

118.583

123.678

120.784

2

Afroming eigen vermogen RWS

‒ 39.364

0

0

0

0

0

3

Spuk snelfietsroute

‒ 15.481

‒ 6.806

0

0

0

0

4

Subsidie Electrisch varen

‒ 5.440

0

0

0

0

0

5

Arbeidsbeperkten RWS

3.696

0

0

0

0

0

6

Bijdrage Wilhelminakanaal fase 1.5

‒ 4.750

0

0

0

0

0

7

Bijdrage RWS SAP

‒ 2.235

‒ 590

‒ 411

0

0

0

8

Bijdrage RWS OBS

‒ 6.339

0

0

0

0

0

9

Opdracht RIVM Bronbeleid PFAS

‒ 2.000

‒ 2.000

‒ 2.000

0

0

0

10

Reservering CN

390

5.493

830

580

0

0

11

Herschikking t.b.v. bijdrage Programma Open Overheid

‒ 913

‒ 2.144

‒ 2.144

‒ 2.144

‒ 2.144

0

12

Herschikking budgetten HXII via IF

2.111

‒ 1.059

‒ 795

‒ 257

0

0

13

Defensie: contractverlenging SAR helicopter

0

2.000

1.000

0

0

0

14

Maaslijn

5.979

0

0

0

0

0

15

Innovatieregeling bouw GWW

5.000

10.000

10.000

0

0

0

16

Terugboeking CN naar IF

14.500

0

0

0

0

0

17

Omvorming Prorail naar ZBO

0

7.130.300

‒ 40.000

‒ 40.000

‒ 40.000

‒ 40.000

18

Versnelling investeringen Infrastructuurfonds

0

174.325

423.235

578.865

57.800

57.800

26.02

Deltafonds

      

1

Loon- en prijsbijstelling 2020

13.151

15.431

15.866

18.235

14.395

16.471

2

Noordzeeakkoord

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

‒ 4.255

 

Diverse

‒ 3.030

‒ 2.191

‒ 1.757

‒ 1.859

2.417

‒ 2.084

Totaal

89.238

7.401.328

529.816

707.748

191.891

188.716

Voor een specificatie van de nieuwe mutaties wordt verwezen naar de verdiepingsbijlage van de begroting van het Infrastructuurfonds (artikel 19) en het Deltafonds (artikel 6). 

Tabel 133 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

97 Algemeen departement

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

60.451

53.752

54.055

54.218

54.508

54.508

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

19.802

984

918

922

922

929

Nieuwe mutaties

 

4.763

2.209

1.158

1.211

1.211

1.238

Stand ontwerpbegroting 2021

 

85.016

56.945

56.131

56.351

56.641

56.675

Tabel 134 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

97.01

Algemeen departement

      

1

Onderzoeken PBL

2.136

375

0

0

0

0

2

RIVM Stralingsmeetnet

600

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

3

Maatwerk KNMI-RWS

2.390

0

0

0

0

0

 

Diverse

‒ 363

534

‒ 142

‒ 89

‒ 89

‒ 62

Totaal

4.763

2.209

1.158

1.211

1.211

1.238

Ad 1. Dit betreft de bijdragen van ministeries van door PBL uit te voeren onderzoeksopdrachten, ten behoeve van het werkprogramma Circulaire Economie (IenW), de Quickscan mestbeleid (LNV), de Analyse programma Aardgasvrije Wijken (BZK) en de Monitoring Regionale Energie strategieën (EZK)

Ad 2. Dit betreft aanvullende uitgaven voor het gebruik van het RIVM stralingsmeetnet. Dit meetnet is benodigd voor het uitvoeren van de wettelijke taak van de ANVS. Er is echter sprake van achterstallig onderhoud en sterke veroudering met kans op uitval. Door planmatige meerjarige vervangingsinvesteringen en innovatieve toepassingen wordt het stralingsmeetnet toekomstbestendig gemaakt.

Ad 3. Naar aanleiding van de vastgestelde offerte wordt er vanuit Rijkswaterstaat budget beschikbaar gesteld voor de verstrekte maatwerkopdracht die het KNMI voor Rijkswaterstaat verricht.

Tabel 135 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

98 Apparaatsuitgaven kerndepartement

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

312.445

298.355

296.352

296.946

299.962

293.473

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

37.025

25.227

18.261

13.528

13.509

11.519

Nieuwe mutaties

 

13.548

11.733

13.915

11.097

7.239

7.776

Stand ontwerpbegroting 2021

 

363.018

335.315

328.528

321.571

320.710

312.768

Tabel 136 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

98.01

Personele uitgaven

      

1

Personele inzet LVNL

675

1.350

1.350

1.350

1.350

488

2

Inhuur PMO Luchtvaart

863

828

1.295

0

0

0

3

Bijdrage apparaat actuele beleidsdossiers

0

1.033

1.054

1.065

1.065

1.065

4

Uitbreiding CIO-office

0

1.050

1.575

1.575

1.575

1.575

98.02

Materiële uitgaven

      

5

Opvolging bedrijfsvoeringssysteem SAP

8.111

1.104

1.352

458

0

0

6

Programma Open Overheid

1.258

2.951

2.951

2.951

2.896

0

7

Arbeidsbeperkten

‒ 4.120

0

0

0

0

0

8

Huisvesting en ICT ANVS

1.500

1.450

1.450

1.450

1.450

1.450

9

Huisvestingsnorm 0.9

0

600

1.200

1.200

1.200

1.200

 

Diverse

5.261

1.367

1.688

1.048

‒ 2.297

1.998

Totaal

13.548

11.733

13.915

11.097

7.239

7.776

Ad 1. Dit betreft extra personele inzet voor het uitvoeren van de Luchtvaartnota.

Ad 2. Het PMO (Program Management Office) Luchtvaart is het motorblok voor het programma Luchtvaart en de daarin opgenomen projecten Schiphol, Lelystad en Luchtruim.

Ad 3. Dit betreft een overboeking van artikel 19 naar artikel 98 (apparaat) in het kader van strategische personeelsplanning (SPP) en de benodigde capaciteit voor actuele beleidsdossiers zoals Circulaire Economie, het Schone Lucht Akkoord (SLA) en PFAS. Deze aanvullende capaciteit is benodigd om de nieuwe beleidsterreinen en programma’s adequaat uit te voeren.

Ad 4. Gelet op alle ICT- ontwikkelingen wordt de capaciteit van het CIO-office uitgebreid vanaf 2021.

Ad 5. De leverancier SAP is gestopt met de doorontwikkeling van het huidige SAP platform (ECC). Dit betekent dat gezocht moet worden naar een nieuw bedrijfsvoeringssysteem ter ondersteuning van de bedrijfsvoeringsprocessen. Voor de hele technische migratie zijn extra kosten noodzakelijk.

Ad 6. Binnen IenW is, vooruitlopend op de invoering van de Wet open overheid (WOO), het Programma Open Overheid (POO) reeds van start gegaan. Voor het Programma Open Overheid worden onder andere programma’s aangeschaft die daarna ook beheerd moeten worden.

Ad 7. Diensten ontvangen vanuit een centraal budget een tegemoetkoming voor het in dienst nemen van arbeidsbeperkten. Dit betreft de bijdragen aan de agentschappen RWS, ILT en KNMI.

Ad 8. Als gevolg van gestegen huisvestingsuitgaven van het Rijksvastgoedbedrijf (huisvesting op de Koningskade in plaats van de Hoftoren) en uitgaven bij de ANVS voor ICT kosten (als gevolg van tariefstijging SSC-ICT) zijn aanvullende middelen nodig.

Ad 9. Vanaf 2021 wordt er binnen IenW uitgegaan van een werkpleknorm van 0,9 werkplek per fte (was 0,7).

Tabel 137 Ontvangsten beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

98 Apparaatsuitgaven kerndepartement

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

5.430

5.430

5.430

5.430

5.430

5.430

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

7.790

2.462

2.348

0

0

0

Nieuwe mutaties

 

‒ 1.412

405

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2021

 

11.808

8.297

7.778

5.430

5.430

5.430

Tabel 138 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Ontvangsten

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

98

Apparaat kerndepartement

      
 

Diverse

‒ 1412

405

0

0

0

0

        

Totaal

 

‒ 1412

405

0

0

0

0

Tabel 139 Uitgaven beleidsartikel (bedragen x € 1.000)

99 Nominaal en onvoorzien

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand ontwerpbegroting 2020

 

861

922

923

1.149

2.351

2.351

Mutatie Nota van wijziging 2020

 

0

0

0

0

0

0

Mutatie Amendement 2020

 

‒ 861

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

137.967

144.733

143.796

152.275

150.953

142.908

Nieuwe mutaties

 

‒ 137.967

‒ 145.655

‒ 144.719

‒ 153.424

‒ 153.304

‒ 145.259

Stand ontwerpbegroting 2021

 

0

0

0

0

0

0

Tabel 140 Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)

Uitgaven

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

99.01

Nog onverdeeld

      

1

Loon- en prijsbijstelling 2020

‒ 141.369

‒ 98.255

‒ 106.113

‒ 136.818

‒ 138.073

‒ 137.255

2

Luchtvaart

‒ 7.801

‒ 12.318

‒ 9.789

‒ 4.279

‒ 4.033

‒ 2.229

3

Circulaire economie

0

‒ 15.000

‒ 15.000

‒ 5.000

‒ 5.000

0

4

Problematiek Caribisch Nederland

‒ 9.759

‒ 13.302

‒ 5.330

‒ 580

0

0

5

Afgroomd Eigen vermogen RWS

39.364

0

0

0

0

0

6

Herschikking HXII t.b.v. dekking IenW brede problematiek

0

5.917

2.743

1.525

1.524

1.524

7

Dekking IenW brede problematiek

‒ 17.681

‒ 13.662

‒ 11.478

‒ 8.416

‒ 7.882

‒ 7.459

 

Diverse

‒ 721

965

248

144

160

160

Totaal

‒ 137.967

‒ 145.655

‒ 144.719

‒ 153.424

‒ 153.304

‒ 145.259

Ad 1 tm 7. De onderwerpen luchtvaart en circulaire economie zijn belangrijke dossiers voor IenW. Daarnaast is er een aantal dossiers die IenW-breed worden bezien zoals de bijdragen aan Caribisch Nederland. Deze worden gedekt middels een herprioritering van een deel van de uitgekeerde Loon- en prijsbijstelling, het afgeroomde deel van het overtollige eigen vermogen RWS (apparaat deel) en een interne herschikking binnen begroting HXII.

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

Tabel 141 Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

29 984, nr. 350 verzoekt de regering, na vijf jaar de ervaringen van de op dat moment reeds gedecentraliseerde lijnen in kaart te brengen en hierbij de wenselijkheid van het decentraliseren van aanvullende verbindingen te verkennen, en tevens te evalueren of een eventuele openbare aanbesteding van het hoofdrailnet vanaf 2025 in het belang van de reiziger is

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Hoofdlijnen integrale besluit marktordening op het spoor na 2024

 

20-12-2012

 
 

Vervoersconcessie Hoofdrailnet (aanvrager Hoogland/PvdA)

 

34 189, nr. 18 verzoekt de regering, te zoeken naar een prikkel waarmee de uitvoeringskosten van de tolheffing op de Blankenburgverbinding en de ViA15 onder de 20% van de totale tolopbrengsten worden gehouden en de Kamer te informeren over de verwachte kosten van de uitvoering van de tolheffing;

Parlementair agenda punt

Door verschuiving van de datum opstelling van de beide projecten naar Q4 2024 en samenhang met VWH wordt dit 2021

 

9-9-2015

 
 

Wetsvoorstel tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViaA15

 

29 684, nr. 128 spreekt uit, afhankelijk van de uitkomsten van het open planproces, eventueel mee te willen werken aan een wijziging van de dienstregeling en ruimte te willen bieden in de Structuurvisie Waddenzee voor een aanpassing van de vaargeul en optimalisatie van het vaargeulonderhoud,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

7-4-2016

 
 

Wadden

 

29 862, nr. 31 verzoekt de regering om, in overleg met de regio een plan te ontwikkelen dat voorziet in de gegarandeerde ontsluiting van Voorne, nr. Putten

Parlementair agenda punt

De Tweede Kamer zal over de voortgang van deze onderzoeken worden geïnformeerd via de MIRT-brieven naar aanleiding van de BO’s MIRT. Inmiddels is de aanbesteding (van de ingenieursdiensten) (vrijwel) afgerond en is een ingenieursbureau geselecteerd om de studies uit te voeren.

 

5-7-2016

 
 

Havens

 

34 550 XII, nr. 31 verzoekt de regering te voorkomen dat Europese luchtvaartmaatschappijen op achterstand worden gezet door boven op de mondiale afspraken op Europees niveau uitstoot apart te beprijzen

Parlementair agenda punt

In afwachting van voorstellen EU ETS Luchtvaart (Indicatie: 2021)

 

03-11-2016 Begrotingsbehandeling IenM

 

34 550 A, nr. 38 verzoekt de regering, eventuele aanbestedingsmeevallers bij de aanleg van deze projecten in mindering te brengen op de tolopgave

Parlementair agenda punt

Bij de Blankenburgverbinding is geen sprake van een meevaller die kan worden ingezet voor vermindering van de tolopgave. Voor de ViA15 loopt momenteel de aanbesteding van het project. Na de gunning (Contract Close/Financial Close) van het project is meer bekend over een eventuele aanbestedingsmeevaller. Dit zal naar verwachting in 2021 bekend zijn. De tolheffing gaat van start bij de openstelling van beide projecten. Een eventuele verlaging/verhoging in de tolopgave heeft alleen gevolgen voor de duur van de tijdelijke tolheffing.

 

28-11-2016

 
 

MIRT

 

34 550 XII, nr. 72 verzoekt de regering, de doelstellingen van de subsidie aan de Fietsersbond duidelijker te koppelen aan de doelen uit de Agenda Fiets, deze hierop tussentijds te evalueren en de subsidieregeling eventueel de komende jaren hier inhoudelijk op te herijken en de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

De subsidieregeling is naar aanleiding van deze motie zodanig aangepast dat de activiteiten in lijn zijn met de doelen van de agenda Fiets. Voor een evaluatie van de regeling is het nog te vroeg. Er is pas 1 jaar subsidie verstrekt op basis van deze regeling van de 5 jaar die totaal mogelijk is. In het najaar van 2020 wordt de evaluatie aan de Kamer gezonden.

 

22-2-2017

 
 

Subsidieregeling Fietsersbond

 

34 775 XII, nr. 38 verzoekt de regering om, in samenwerking met hyperlooppartijen en private partijen te onderzoeken of er een haalbare businesscase kan worden gemaakt voor een geschikte testlocatie voor het hyperloop, nr. concept,

Parlementair agenda punt

Er heeft een tweetal rondetafelsessies tussen de ministeries van IenW, EZK en potentiële investeerders in een hyperloop-ecosysteem plaatsgevonden om de investeringsbereidheid van partijen voor een testlocatie te onderzoeken. Gesprekken hierover lopen nog. Insteek is om voor het zomerreces tot een conclusie te komen over halbaarheid van een businesscase.

 

28-11-2017 Begrotingbehandeling IenW

 

34 775 A, nr. 48 verzoekt de regering, te onderzoeken of succesvolle maatregelen uit die projecten geïntegreerd kunnen worden in het programma Smartwayz, en dan in het bijzonder op het traject Weert – Eindhoven,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

11-12-2017

 
 

MIRT

 

34 775 A, nr. 35 verzoekt de regering, in overleg met de provincies Zuid, nr. Holland en Zeeland en de gemeenten Schouwen, nr. Duiveland en Goeree, nr. Overflakkee de extra investeringen in verkeersveiligheid op de N59 zo snel mogelijk te realiseren,

Parlementair agenda punt

Rijkswaterstaat heeft inmiddels de (interne) opdracht tot realisatie ontvangen en staat op het punt de uitvoeringsovereenkomst met de Provincie Zuid-Holland te sluiten. In deze overeenkomst zijn de afspraken zijn vastgelegd over de realisatie van de verkeersveiligheidsmaatregelen op de N59, die uiterlijk in het najaar van 2022 gereed zullen zijn, in overeenstemming met de minder hinder planning van de regio.

 

11-12-2017

 
 

MIRT

 

29 984, nr. 751 verzoekt de regering om, met alle betrokken partijen de verschillende opties voor betrokkenheid en inspraak van klanten en stakeholders van een zbo ProRail in kaart te brengen en voor te leggen aan de Tweede Kamer,

Parlementair agenda punt

Op dit moment worden er gesprekken gevoerd tussen ProRail, IenW en de sector om te komen tot afspraken over hoe de samenwerking er tussen het ZBO ProRail en de sector uit komt te zien. Tevens wordt het consultatierecht in de lagere regelgeving verder uitgewerkt.

 

6-2-2018

 
 

VAO Spoorordening

 

29 984, nr. 757 spreekt uit dat de omvorming van ProRail tot ZBO niet moet leiden tot prijsverhoging voor gebruik van het spoor door vervoerders en reizigers,

Parlementair agenda punt

Op bijna alle onderdelen zijn de gesprekken met de Belastingdienst afgerond. Alleen op enkele onderdelen lopen de gesprekken nog. Beeld is dat eind juli de omvang van alle effecten bekend zijn. Materieel maakt dit niet uit, omdat er ongeacht de omvang is afgesproken met MinFin dat de fiscale effecten budgettair neutraal in de Rijksbegroting worden ingepast. In de lagere regelgeving zijn bepalingen opgenomen voor de uitvoering van het compenseren van de btw.

 

6-3-2018

 
 

Spoorordening

 

31 936, nr. 471 verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat ook de overige ministeries gaan participeren in het Corporate Biofuel Programme, om zo het gebruik van en onderzoek naar duurzame biobrandstof als transitie, nr. brandstof voor de luchtvaart verder te stimuleren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Beantwoording Schriftelijk Overleg Luchtvaart d.d. 21 april 2020

 

19-4-2018

 
 

klimaatakkoord voor de luchtvaart

 

31 936, nr. 472 verzoekt de regering om zich na inwerkingtreding van CORSIA in het geval dat een andere ICAO, nr. lidstaat aantoonbaar (delen van) de afspraken niet nakomt zich niet terughoudend op te stellen in het aankaarten daarvan in de council de raad van ICAO opdat de raad adequaat kan optreden

Parlementair agenda punt

In afwachting van inwerkingtreding CORSIA (Indicatie: 2021)

 

19-4-2018

 
 

klimaatakkoord voor de luchtvaart

 

29 984, nr. 781 verzoekt de regering op, basis van deze onderzoeken samen met ProRail een afwegingskader op te stellen om te beoordelen of een locatie geschikt is voor gedifferentieerd rijden, en om het komende jaar een praktijkproef te doen op in ieder geval één locatie om de effecten in beeld te brengen; verzoekt de regering tevens, bij uitwerking van stimuleren goederenvervoer ook parallel te werken aan een robuust basisnet en onderzoek naar maatregelen om extra hinder te verminderen,

Parlementair agenda punt

Alle onderzoeken zijn gereed. Er wordt nu de laatste hand gelegd aan de rapportage over de metingen. Resultaten zullen eerst worden besproken in Spoorgoederentafel naar verwachting in juni. Daarna zullen de resultaten doorgeleid worden naar de Kamer.

 

14-6-2018

 
 

Spoor

 

31 936, nr. 485 verzoekt de regering, zich kabinetsbreed maximaal in te zetten voor de Nederlandse publieke belangen die met KLM zijn gemoeid;

Parlementair agenda punt

Afgehandeld. De Kamer op 26 juni 2020 geïnformeerd over het traject dat is doorlopen, de precieze vormgeving van het steunpakket, de bijbehorende voorwaarden en de verlenging van de opzegtermijn van de staatsgaranties (Kamerstuk 29232 Nr. 41

 

14-6-2018

 
 

nieuwe acties en stakingen binnen Air France/KLM

 

31 936, nr. 497 verzoekt de regering, met spoed in overleg te treden met Schiphol over het opnemen van een stop op hoofdstuk 3, nr. vliegtuigen in de eerstvolgende reconsultatie voor nieuwe tarieven; verzoekt de regering tevens, zich in te zetten voor uitbreiding van EU, nr. brede geluid gerelateerde exploitatiebeperkingen ten aanzien van lawaaiige vliegtuigen (EU, nr. verordening 598/2014) en te bezien welke vliegtuigen in de toekomst in categorieën komen die binnen de ruimte van de (lid)staat vallen om geluid gerelateerde beperkingen op te leggen, Verzoekt de regering om voorts, indien dit in de komende jaren niet haalbaar blijkt, te pleiten voor uitbreiding van de nationale bevoegdheden; verzoekt de regering verder om de Tweede Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling I&W te rapporteren,

Parlementair agenda punt

Het eerste gedeelte van de motie wordt meegenomen in het LVB-2 (indicatie: 20 december 2020). Het tweede gedeelte van de motie ligt de vraag nog voor of de EU een herziening zal voorstellen of dat een uitbreiding van nationale bevoegdheden moet worden overwogen (indicatie: geen)

 

4-7-2018

 
 

Luchtvaart

 

30 175, nr. 300 verzoekt de regering om een internationale schone luchtsamenwerking op te zetten met omringende landen,

Parlementair agenda punt

In Benelux-verband is er regelmatig overleg over luchtkwaliteit. Daarbij wordt informatie uitgewisseld. Naast de Benelux-landen nemen ook Noordrijn-Westfalen en Noord-Frankrijk deel aan de besprekingen. In het kader van de motie wordt onderzocht of er op specifieke onderwerpen een verdergaande samenwerking kan worden afgesproken. Hiertoe wordt onder de Benelux-vlag een internationale conferentie voorbereid. In verband met de COVID-19 maatregelen is nog geen definitieve datum vastgesteld. Gestreefd wordt naar een conferentie eind 2020 of begin 2021

 

5-7-2018

 
 

Luchtkwaliteit

 

35 000 A, nr. 9 verzoekt de regering binnen de NMCA, nr. en MIRT, nr. systematiek en bij de vorming van het Mobiliteitsfonds de niet, nr. stedelijke regio’s een prominente plek te geven,

Parlementair agenda punt

Vanwege de omvorming van het Infrastructuurfonds naar het Mobiliteitsfonds onderzoeken we hoe het huidige instrumentarium optimaler kan aansluiten bij de beoogde werkwijze en investeringsprincipes. We verkennen of en hoe de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) aangepast of aangevuld moet worden. De NMCA brengt opgave in heel NL in beeld. Daarnaast worden de MIRT-spelregels herzien.

 

25-9-2018

 
 

MIRT

 

35 000 A, nr. 10 verzoekt de regering om met ProRail en de betrokken regionale overheden in kaart te brengen welke investeringen mogelijk zijn om de dienstregeling op de trajecten Helmond, nr. Eindhoven en de IJssellijn (Zwolle, nr. Arnhem) te verbeteren; verzoekt de regering voorts, de Kamer hierover dit najaar te informeren zodat bij het notaoverleg MIRT vervolgstappen kunnen worden bepaald,

Parlementair agenda punt

Voor het NMCA knelpunt Eindhoven-Helmond geldt dat deze volgens BO MIRT-afspraken EIK-XL in het najaar 2019 betrokken zou worden bij het ProRail-onderzoek naar Eindhoven-Düsseldorf. Omdat hierin te gering een oplossing kon worden gevonden is in de stuurgroep Eindhoven-Düsseldorf (12 maart 2020) besloten om het knelpunt te betrekken bij de Toekomstbeeld OV 2030 studie. Daar zal het NMCA knelpunt Eindhoven-Helmond dus in «meelopen». Op de IJssellijn was sprake van een beperkt potentieel NMCA-knelpunt. Voor dit potentiele NMCA knelpunt zijn geen inframaatregelen uit de nadere analyse TBOV2030 naar voren gekomen. Voor de lange termijn worden er in TBOV2040 traject verschillende opties voor deze route onderzocht (personen en goederen).

 

25-9-2018

 
 

MIRT

 

35 000 A, nr. 11 verzoekt de regering, met de betrokken regionale overheden voorbereidingen te treffen, zodat in de MIRT, nr. najaarsronde 2018 op basis van cofinanciering tot besluitvorming kan worden gekomen over de trajecten Sneek, nr. Leeuwarden en Zwolle, nr. Enschede,

Parlementair agenda punt

De verwachting is dat er in het najaar 2020 tot afspraken te komen over cofinanciering.

 

25-9-2018

 
 

MIRT

 

32 852, nr. 67 verzoekt de regering om, te onderzoeken hoeveel bruikbare goederen/producten in Nederland worden vernietigd, om welke bedrijven en sectoren het gaat, en de Kamer tevens te informeren over de mogelijkheden om maatregelen te nemen,

Parlementair agenda punt

In de verzamelbrief Circulaire Economie (Kamerstuk 32 852, nr. 242) is de Kamer geïnformeerd over een onderzoek dat n.a.v. de motie Kröger loopt, om zwakke plekken in de textielketen in beeld te brengen en aan te geven welke interventies nodig zijn om vernietiging van goederen tegen te gaan in de verschillende schakels van de keten. Naar verwachting zijn de uitkomsten van dit onderzoek na de zomer gereed. Aan de hand van de uitkomsten wordt de Kamer schriftelijk geïnformeerd.

 

25-9-2018

 
 

Circulaire Economie

 

34 914, nr. 16 verzoekt de regering om te garanderen dat de invloed van externe factoren op de kwaliteitsverbetering nooit de reden kan zijn voor het niet onderhands gunnen van een concessie

Parlementair agenda punt

Deze motie wordt meegenomen in de nieuwe concessie waarbij hier rekening gehouden mee moet worden gehouden.

 

3-10-2018

 
 

Wijziging van de Spoorwegwet in verband met de implementatie van de EU-richtlijn betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie

 

34 914, nr. 15 verzoekt de regering om, in samenspraak met de medeoverheden en kennisinstellingen verschillende opties te onderzoeken waarmee gedurende de looptijd van een concessie gestuurd kan worden op het continu verbeteren van de kwaliteit van de prestaties en dat te borgen in de vast te stellen concessies,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Midterm reviews van de concessies van NS en ProRail en de internationale benchmark NS en ProRail

 

3-10-2018

 
 

Wijziging van de Spoorwegwet in verband met de implementatie van de EU-richtlijn betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie

 

34 675, nr. 33 verzoekt de regering, er bij bevoegde gezagen er op aan te dringen om het aantal incidenten van illegale stort van asbest goed te monitoren en de Kamer regelmatig over het landelijk beeld daarvan te informeren; verzoekt de regering, bij de Programmatische Aanpak Asbestdakensa, nr. nering in te zetten op de effectieve bestrijding door de bevoegde gezagen van het illegaal storten van asbest, daarbij de relevante partijen zoals natuurbeheerders te laten betrekken en het Landelijk Asbestvolgsysteem te benutten.

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt voor het einde van dit jaar geïnformeerd per brief.

 

10-10-2018

 
 

Wetsvoorstel verwijdering asbest en asbesthoudende producten

 

29 398, nr. 629 verzoekt de regering, om in Europees verband te pleiten voor een Europese typegoedkeuring voor deze categorie bijzondere voertuigen,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [14-05-2020] - Uitgebreide beleidsreactie op OvV rapport Wie stuurt? Verkeersveiligheid en automatisering in het wegverkeer

 

7-11-2018

 
 

Stint

 

35 000 XII, nr. 49 verzoekt de regering, om als Nederland in Europees verband voorop te lopen met de sector door Nederlandse pilots te starten met het beschikbaar stellen van een brandstofprijsvergelijker zichtbaar bij de tankstations en middels een app,

Parlementair agenda punt

Nederland neemt sinds het voorjaar van 2019 deel aan een Europees consortium onder leiding van Griekenland om de verplichting een brandstofprijsvergelijking te tonen nader uit te werken. Onderdeel van het werk van het consortium was het testen van de brandstofprijsvergelijking d.m.v. pilots in de deelnemende landen. In Nederland hebben pilots plaatsgevonden bij 10 deelnemende tankstations. De pilots zijn afgerond. Inmiddels ligt er een conceptrapport met aanbevelingen van het consortium aan de andere EU-lidstaten. Lidstaten kunnen de aanbevelingen gebruiken bij de implementatie van de verplichting, die waarschijnlijk per 6 juni ingaat (mogelijk komt er uitstel). Een app is geen onderdeel van de aanbevelingen. Nederland baseert zich op de aanbevelingen van het consortium. De prijsvergelijking zal komen te hangen bij bemande tankstations langs de snelweg en ondersteund worden door een website.

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000 XII, nr. 46 verzoekt de regering, zich in te spannen voor het organiseren van een buitengewone zitting in Nederland van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie over accijns op kerosine en daartoe steun te vergaren onder niet minder dan een vijfde van het totale aantal bij het Verdrag van Chicago aangesloten staten,

Parlementair agenda punt

Behandeld in Kamerbrief 31936-585 van 27 maart 2019 waarin conferentie 20/21 juni 2019 eerste stap uitvoering motie wordt genoemd. Verdere stappen nog niet aan te geven. (indicatie: geen).

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000 XII, nr. 45 verzoekt de Minister, om kansrijke projecten voor publiek, nr. private samenwerking aan te wijzen, zodat er private investeringen vloeien naar infrastructuurprojecten die Nederland bereikbaar houden,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000 XII, nr. 37 verzoekt de regering, onderzoek te doen naar kansen en mogelijkheden van private bekostiging van infrastructuurprojecten, dat te doen in overleg met de provincies en de Kamer daarover medio 2019 te informeren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000 XII, nr. 32 verzoekt de regering de positieve effecten van truck platooning nadrukkelijk te betrekken bij het voorkomen van files;verzoekt de regering voorts een pilot daarmee te starten op de A67

Parlementair agenda punt

Voor de Structuurvisie A67 zijn maatregel, w.o. truck platooning onderzocht. Met het oog op effectiviteit is truck platooning niet geselecteerd. Met de OSV is de Kamer over de geselecteerde maatregelen geïnformeerd en over de OSV is met de Kamer gesproken. De Kamer is niet expliciet gemeld dat truck platooning niet is geselecteerd.

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000 XII, nr. 51 verzoekt de regering, ProRail en NS aan te spreken op de afspraken uit de green deal, met als inzet te bevorderen dat het aantal stations waar afvalscheiding plaatsvindt de komende jaren wordt verhoogd naar ten minste alle IC, nr. stations, en te zorgen dat op deze stations meerdere soorten afval worden gescheiden, waaronder in elk geval plastics,

Parlementair agenda punt

De staatssecretaris is met de Green Deal partijen in overleg over de voort te zetten koers t.a.v. afvalscheiding en –reductie op basis van de ervaringen in de Green Deal tot nu toe. De focus ligt daarbij op afvalscheiding op de 50 grootste stations en in de Retail van de 22 grootste stations. Met de invoering van statiegeld per juli 2021 wordt vanaf dat moment een groot deel van het plastic afval op stations gescheiden ingezameld. Na de zomer zal de Kamer nader worden geïnformeerd over de koers van de Green Deal.

 

8-11-2018

 
 

Tweede termijn begrotingsbehandeling IenW

 

35 000A, nr. 31 verzoekt de regering om, het opwaarderen van de N35 tot een 2x2, nr. baans 100 km/u, nr. weg als prioriteit aan te merken,

Parlementair agenda punt

Voor het BO MIRT van het najaar vindt er nog een gesprek plaats tussen de Minister en de Gedeputeerde over de N35. De Kamer wordt na het BO MIRT hierover geïnformeerd.

 

29-11-2018

 
 

MIRT

 

35 000A, nr. 40 verzoekt de regering voorts, om in overleg met betrokkenen te zoeken naar mogelijkheden tot realisatie van de beoogde spoorse maatregelen in en om het emplacement van Venlo,

Parlementair agenda punt

De adaptieve strategie en monitoring wordt uitgewerkt door een binationale werkgroep voor een bestuurlijke ronde tafel (zomer 2020). Hierbij worden de mogelijkheden voor de gezamenlijke financiering betrokken. Resultaten worden betrokken bij het bo Mirt dit najaar, voortgang hiervan wordt aan de Tweede Kamer gemeld.

 

29-11-2018

 
 

MIRT

 

35 000 A, nr. 44 verzoekt de Minister, om samen met de provincie de financiële consequenties in beeld te brengen en deze voor te leggen aan de Kamer; verzoekt de regering, bovendien voor de Voorjaarsnota 2019 in beeld te brengen binnen welke termijn een MIRT, nr. verkenning kan worden gestart,

Parlementair agenda punt

Naar aanleiding van deze motie is een gezamenlijk verkeersonderzoek met de provincie afgelopen najaar gestart. Deze wordt rond 1 april 2020 afgerond waarna er een bestuurlijk overleg zal plaatsvinden tussen het Rijk en de provincie om afspraken te maken over mogelijke maatregelen/

 

29-11-2018

vervolgstappen. Dit kan dus ook mogelijk het starten van een MIRT-verkenning zijn zoals de motie hieronder oproept. De uitkomsten van dit bestuurlijk overleg zullen ook voor het AO MIRT in juni aan de Kamer worden gemeld.

 

MIRT

 

35 000 A, nr. 60 verzoekt de regering, om onafhankelijk onderzoek te laten verrichten om in kaart te brengen hoe het WHO, nr. rapport zich verhoudt tot de huidige (inter)nationale wet, nr. en regelgeving en naar de mogelijkheden om het WHO, nr. rapport te gebruiken ter versterking van het (inter)nationaal beleid en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse situatie, en de Kamer over de resultaten te informeren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [05-06-2020] - RIVM rapport motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018)

 

29-11-2018

 
 

MIRT

 

35 000 A, nr. 76 verzoekt de regering, om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om station Zwolle robuuster te maken zodat verstoringen minder grote gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van Noord, nr. Nederland,

Parlementair agenda punt

ProRail werkt aan het spoor bij Zwolle. De uitvoering van het project Zwolle-Herfte loopt door tot 2021. Binnen het programma Noord-Nederland werken we daarbij nog steeds aan reistijdverkorting en robuustheidsmaatregelen. Om de robuustheid van de verbinding met Noord-Nederland verder te vergroten zetten we vanuit het Rijk als onderdeel van het Toekomstbeeld OV onder andere in op mogelijkheden vanuit hoogwaardig OV met de bus.

 

29-11-2018 MIRT

 

29 984, nr. 801 verzoekt de regering tevens, als onderdeel van de financiële paragraaf in kaart te brengen wat de gevolgen zijn voor lopende of toegekende spoorprojecten en de kostenstijging voor decentrale overheden, indien zij na 2021 opdrachtgever zijn voor ProRail,

Parlementair agenda punt

In de MR is opgenomen dat ProRail eventuele kostenverhogingen niet aan decentrale overheden zal doorberekenen. Het materiële voordeel wordt in ieder geval tot 2040 behouden en in 2034 geëvalueerd. Er lopen nog gesprekken over cofinanciering. Beeld is dat deze niet leiden tot hogere kosten voor derden. Mocht daar sprake van zijn, dan worden die gecompenseerd

 

13-12-2018

 
 

Spoorordening

 

29 984, nr. 804 verzoekt de regering, parallel aan de voorbereiding van de besluitvorming over het hoofdrailnet in 2020, samen met de provincies de voorbereidingen te treffen die nodig zijn voor de besluitvorming over de decentralisatie van deze lijnen, zodat deze vervolgens zo snel mogelijk kan worden geeffectueerd, rekening houdend met de looptijd van de HRN, nr. concessie en de relevante regionale ov, nr. concessies,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Hoofdlijnen integrale besluit marktordening spoor na 2024

 

13-12-2018

 
 

Spoorordening

 

29 984, nr. 806 verzoekt de regering, om integraal naar de kosten en baten van het decentraal aanbesteden van deze spoorlijnen te kijken en de reiziger centraal te stellen en de meerwaarde voor het spoorgoederenvervoer mee te nemen in toekomstige besluitvorming over het al dan niet aanbesteden van deze spoorlijnen;

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Hoofdlijnen integrale besluit marktordening spoor na 2024

 

13-12-2018

 
 

Spoorordening

 

31 936, nr. 536 verzoekt de regering, te onderzoeken hoe in het nieuwe EASA, nr. systeem op basis van risico’s controles kunnen worden uitgevoerd bij niet, nr. Nederlandse luchtvaartmaatschappijen die een AOC hebben van een lidstaat die is aangesloten bij EASA, zodat deze vaker gecontroleerd kunnen worden als daar aanleiding voor is,

Parlementair agenda punt

Wordt meegenomen in de eerstvolgende verzamelbrief over luchtvaart (indicatie najaar 2020)

 

18-12-2018

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 540 verzoekt de regering zich in Europa ervoor in te spannen dat de slotverordening zo wordt gemoderniseerd dat landen bij de verdeling van slots kunnen sturen op duurzaamheid en netwerkkwaliteit, en verzoekt de regering, om de Kamer te informeren hoe binnen de EU, nr. slotverordening op duurzaamheid en netwerkkwaliteit kan worden gestuurd.

Parlementair agenda punt

De verwachting is dat het voorstel van de Europese Commissie pas in 2021 zal worden behandeld (indicatie: 2021)

 

18-12-2018

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 565 spreekt uit geen autonome groei en geen vracht op Lelystad Airport toe te staan

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Is onderdeel van de verkeersverdelingsregel (VVR) tussen Schiphol en Lelystad Airport. Publicatie van de VVR in het Staatsblad staat gepland voor augustus 2020. Publicatie plus het Raad van State advies wordt met de Kamer gedeeld.(Planning: afgehandeld op 31 augustus 2020)

 

18-12-2018

 
 

herziening van het Nederlandse luchtruim

 

31 409, nr. 215 verzoekt de regering, zich maximaal in te spannen het verbod op varend ontgassen door andere landen zo snel mogelijk te laten ratificeren en de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

Het is technisch niet mogelijk om het verbod in Nederland eerder van kracht te laten worden. Het verbod wordt pas van kracht 6 maanden nadat de laatste verdragsstaat heeft geratificeerd. Naar verwachting zal dat medio 2021 zijn.

 

20-12-2018

 
 

Maritiem

 

31 409, nr. 213 verzoekt de regering, voorstellen te doen om te komen tot een helder protocol binnen het kader «de reddingsmaatschappij redt, de bergers slepen en bergen en daarbij in ieder geval in te gaan op een duidelijke triage

Parlementair agenda punt

De Kamer is bij brief van 8 mei 2020 over de stand van zaken geïnformeerd. Het overleg is op dit moment nog steeds gaande.

 

20-12-2018

De verwachting is dat in het najaar 2020 hierover meer bekend is.

 

Maritiem

 

29 398, nr. 654 verzoekt de regering, om zo snel mogelijk nadat nieuwe wettelijke toelatingskaders zijn opgesteld, te komen met een voorstel voor de wettelijke verankering van toezicht en handhaving op de categorie bijzondere bromfietsen,

Parlementair agenda punt

De ILT heeft nu een toezichtstaak op bijzondere bromfietsen. Met de inwerkingtreding van de Verordening 2018/858 per 1-9-2020 wordt dit geformaliseerd. Bij het nieuwe nationale kader zal de ILT toezichthouder worden.

 

22-1-2019

 
 

TNO rapport Stint

 

28089, nr. 110 verzoekt de regering, om samen met IPO en VNG in beeld te brengen hoe de situatie, aanpak en kosten voor asbestleiendaken verschillen van andere asbestdaken, te bekijken welke gemeentelijke of provinciale subsidieregelingen voor deze doelgroep toegepast kunnen worden, en in overleg met deze partijen uit te werken hoe in aanvulling op het landelijk asbestfonds voor eigenaren van asbestleiendaken via maatwerk een passende oplossing gerealiseerd kan worden,

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd per brief.

 

7-2-2019

 
 

Externe Veiligheid

 

29 984, nr. 817 verzoekt de regering om, voor het einde van 2019 een eerlijke vergelijking mogelijk te maken voor de reiziger op reistijd, prijs en milieu, nr. impact tussen auto, trein en vliegtuig samen met de reisbranche (bijvoorbeeld door het sluiten van een green deal) op trajecten richting de grote Europese steden zoals Brussel, Parijs, Frankfurt en London.

Parlementair agenda punt

Gesprekken met partijen waren gestart maar zijn vanwege COVID-19 tijdelijk gestaakt

 

21-2-2019

 
 

Internationaal spoor

 

29 984, nr. 819 verzoekt de regering, bij het onderzoek naar het traject Amsterdam, nr. Berlijn de verschillende routevarianten op een volwaardige manier te onderzoeken voor de korte, middellange en lange termijn en uitgaande van een optimale combinatie van snelheid en de hoeveelheid stops op dit traject, en de Kamer daarover te informeren,

Parlementair agenda punt

Onderzoek is in uitvoering. Resultaten voor korte en middellange termijn volgt voor einde 2019. Lange termijn gaat mee in Toekomstbeeld OV, wat nu voorzien is eind 2020.

 

21-2-2019

 
 

Internationaal spoor

 

29 984, nr. 824 Verzoekt de regering om met alle hiervoor relevante partijen in overleg te treden met als inzet met hen afspraken te maken over het uitfaseren van de lijnvluchten tussen Amsterdam en Brussel;

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Zal worden afgehandeld met het actieprogramma trein/luchtvaart (Planning: afgehandeld op 18 december 2020)

 

21-2-2019

 
 

Internationaal spoor

 

29 84, nr. 834 : verzoekt de regering, dit te verduidelijken en te borgen in het Toekomst, nr. beeld OV 2040, en de Kamer in de aangekondigde verdiepingsslag over de resultaten te informeren

Parlementair agenda punt

In het toekomstbeeld OV wordt ingezet op de kracht van het OV. Tussen de steden Amsterdam, Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Eindhoven, Breda, Den Haag-Rotterdam, en Utrecht wordt verder ingezet op intensief aanbod van het openbaar vervoer. Op de verbindende assen tussen de Randstad en het Noorden, Oosten en Zuiden van het land wordt verdere kwaliteitsverbetering beoogd. Dit vraagt om maatwerk per as in termen van frequentie, stops en snelheid en hiermee samenhangende strategieën op het gebied van auto, fiets en HOV. In de verdiepingsfase van het Toekomstbeeld wordt dit meegenomen. In het najaar is voorzien om deze verdiepingsfase af te ronden en zal de Kamer op worden geïnformeerd.

 

18-4-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 835 : verzoekt de regering om als uitwerking van de contouren Toekomstbeeld OV, parallel aan het onderzoek naar het verbeteren van de spoorver, nr. binding met Berlijn, in samenwerking met de regio en relevante partners in Duitsland de alternatieven te onderzoeken voor deze rechtstreekse intercity inclusief de daarbij noodzakelijke infrastructurele maatregelen,

Parlementair agenda punt

Dit loopt mee in traject Toekomstbeeld OV waarbij we hebben aangegeven dat we in het najaar van 2020 een concrete ontwikkelagenda opleveren.

 

18-4-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 836:verzoekt de regering, in de onderhandelingen met de NVR het overleg zo spoedig mogelijk te gaan voeren om zo de randvoorwaarden en financiële gevolgen in kaart te brengen van een intercityverbinding via Heerlen naar Aken, en de Kamer hier uiterlijk in het derde kwartaal van 2019 over te informeren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Informatie voortgang verbinding Randstad-Heerlen-Aken

 

18-4-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 839: verzoekt de regering, om in de modellen voor de markt, nr. en capaciteits, nr. analyse de klimaatopgave mee te nemen als uitgangspunt zodat er een beter beeld ontstaat over de toekomstige vraag naar ov,

Parlementair agenda punt

Vanuit IenW wordt gewerkt aan de NMCA. Deze wordt naar verwachting in 2021 gepresenteerd. Ingezet beleid, inclusief concrete (klimaat)maatregelen, worden daarin als uitgangspunt meegenomen.

 

18-4-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 842: verzoekt de regering, samen met de decentrale overheden, verder in beeld te brengen welke locaties in Nederland op basis van de vervoersvraagkansrijk zijn voor een kwaliteitssprong in het ov, nr. aanbod, bijvoorbeeld als het gaat om frequentie en reistijd, om zo meer mensen een aantrekkelijk alternatief te bieden voor de auto,

Parlementair agenda punt

In het kader van het vervolg op de contouren van toekomstbeeld OV bespreken we deze kansrijke opties met regionale overheden. In dit proces werken we gezamenlijk deze opties uit met onderscheid naar frequentie, reistijd, en kosten efficiëntie. Daarbij wordt bekeken of deze opties kansrijk zijn op basis van vervoersvraag. De Kamer zal op verschillende momenten geïnformeerd worden over de verdiepingsslag. Afronding van de verdiepingsfase is voorzien eind 2020.

 

18-4-2019

 
 

Spoor

 

23 645, nr. 693: verzoekt de regering, ook andere vervoerders dan NS te betrekken bij de pilot met de App Alert,

Parlementair agenda punt

In de Kamerbrief van 27 maart sociale veiligheid in het OV is medegedeeld dat we de Tweede Kamer eind 2020 informeren over de voortgang.

 

18-4-2019

 
 

Openbaar vervoer en taxi

 

23 645, nr. 700: verzoekt de regering, voor het nieuwe systeem OV, nr. betalen een oplossing voor enkelvoudig in, nr. en uitchecken uit te werken die breder is dan alleen een landelijke uitrol van een app met locatiebepaling, en de Kamer voor september 2019 een update over de uitvoering te sturen,

Parlementair agenda punt

Dit jaar is in diverse Kamerbrieven gemeld dat enkelvoudig in- en uitchecken niet randvoorwaardelijk is voor de uitrol van nieuwe betaalwijzen. Wel blijven er acties ondernomen worden om de om checkproblematiek in de treinketen verder te verkleinen.

 

18-4-2019

 
 

Openbaar vervoer en taxi

 

30 821, nr. 75: verzoekt de regering, om de effecten op andere vitale sectoren van een cyberaanval op waterwerken in 2019 in beeld te brengen en daarbij voorstellen te doen om geëigende maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen dan wel te mitigeren,

Parlementair agenda punt

Er komt een IenW cyberbrief waarin alle moties nav ARK digitale dijkverzwaring debat worden toegelicht.

 

29-5-2019

 
 

Rapport van de Algemene Rekenkamer over cybersecurity van vitale waterwerken

 

30 821, nr. 76: verzoekt de regering, de uitvoering van de onderschreven aanbevelingen voor de zomer van 2020 te evalueren en de resultaten aan de Kamer te melden,

Parlementair agenda punt

Er komt een IenW cyberbrief waarin alle moties nav ARK digitale dijkverzwaring debat worden toegelicht.

 

29-5-2019

 
 

Rapport van de Algemene Rekenkamer over cybersecurity van vitale waterwerken

 

verzoekt de regering concreet aan te geven welke acties zij onderneemt om de doelen die eind 2017 al behaald hadden moeten zijn, alsnog te behalen, indien dit nodig blijkt de benodigde middelen hiervoor vrij te maken en de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren,

Parlementair agenda punt

Er komt een IenW cyberbrief waarin alle moties nav ARK digitale dijkverzwaring debat worden toegelicht.

 

29-5-2019

 
 

Rapport van de Algemene Rekenkamer over cybersecurity van vitale waterwerken

 

30 821, nr. 79: verzoekt de regering, het doen van een volwaardige pentest op de industriële automatiseringssystemen van de vitale waterwerken een integraal onderdeel te laten uitmaken van de cybersecuritymaatregelen bij alle vitale waterwerken,

Parlementair agenda punt

Er komt een IenW cyberbrief waarin alle moties nav ARK digitale dijkverzwaring debat worden toegelicht.

 

29-5-2019

 
 

Rapport van de Algemene Rekenkamer over cybersecurity van vitale waterwerken

 

35 000 A, nr. 100: verzoekt de regering, om de mogelijkheid tot omgekeerd aanbesteden waar mogelijk mee te nemen bij openbare aanbestedingen,

Parlementair agenda punt

Deze motie wordt binnen het traject Transitie Vitale Infra opgepakt. Hiervoor wordt door ICG onderzocht waar omgekeerd aanbesteden toepasbaar is. Vermoedelijk zijn er op de einddatum van de motie nog geen concrete resultaten te presenteren.

 

13-6-2019

 
 

Onderhoud Wegen en bruggen

 

35 000, nr. 101: Verzoekt de regering de resultaten van dat onderzoek met de Tweede Kamer voor 1 januari 2020 te delen,

Parlementair agenda punt

Het bestuur heeft in januari gesproken over wat de eerste pilots mbt smart maintenance hebben opgeleverd. Ervaringen worden omgezet in grootschaligere pilot in WNN. Met FME en WMC loopt hier contact over. Zodra vervolg robuust genoeg is (wat houdt vervolg in WNN in), zal de Kamer worden geïnformeerd.

 

13-6-2019

 
 

Onderhoud Wegen en bruggen

 

35 086, nr. 11 verzoekt de regering, maatregelen te treffen om ook de Rijkswaterstaat auto’s van boa’s waar nodig van camera’s te voorzien die het negeren van een rood kruis en ander roekeloos rijgedrag kunnen registreren teneinde een verkeersboete te kunnen heffen,

Debat 13 juni 2019

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

35 00 A, nr. 115: Verzoekt de regering zo snel mogelijk uitvoering te geven aan de motie die de N35 tot prioriteit stelde en met de provincie Overijssel tot een sluitende financiering te komen

Parlementair agenda punt

Voor het BO MIRT van het najaar vindt er nog een gesprek plaats tussen de Minister en de Gedeputeerde over de N35. De Kamer wordt na het BO MIRT hierover geïnformeerd.

 

19-6-2019

 
 

MIRT

 

35 200, nr. 11: verzoekt de regering, met ingang van het jaarverslag 2019 een integrale bijlage instandhouding op te nemen, waarin de gerealiseerde bedragen instandhouding, zowel regulier onderhoud als vervanging en renovatie, worden gepresenteerd inclusief de daarmee verband houdende omvang van het uitgesteld en achterstallig onderhoud,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Aanpak instandhouding Rijksinfrastructuur

 

27-6-2019

 
 

Jaarverslagen Infrastructuur en Waterstaat

 

35 140, nr. 9 verzoekt de regering, om in 2020 al te starten met de ontwikkeling van Integraal Rivier Management en op basis van cofinanciering, urgentie en haalbaarheid waar mogelijk de benodigde middelen vanuit de beleidsreservering voor IRM uit het Deltafonds naar voren te halen,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [15-06-2020] - Brief voor het Algemeen Overleg Water van 22 juni 2020

 

1-7-2019

 
 

Initiatiefnota’s Droge voeten en Veen red je niet alleen van de Leden Bromet en De Groot

 

35 140, nr. 11 verzoekt de regering, de afstemming tussen beide trajecten te verzekeren en in de nieuwe Beleidsnota Drinkwater de samenhang te verankeren,

Parlementair agenda punt

De Nieuwe Beleidsnota wordt eind dit jaar naar de Kamer gestuurd.

 

1-7-2019

 
 

Initiatiefnota’s Droge voeten en Veen red je niet alleen van de Leden Bromet en De Groot

 

35 140, nr. 12 verzoekt de regering een heffing uit te sluiten als instrument om de drinkwatervraag te beïnvloeden,

Parlementair agenda punt

De Nieuwe Beleidsnota wordt eind dit jaar naar de Kamer gestuurd.

 

1-7-2019

 
 

Initiatiefnota’s Droge voeten en Veen red je niet alleen van de Leden Bromet en De Groot

 

30872, nr. 237 verzoekt de regering, op basis van gegevens uit het lopende onderzoek (de telling) de hoeveelheid plastic in het milieu als gevolg van blik in het zwerfafval in kaart te brengen en de Kamer daarover te informeren,

Parlementair agenda punt

Het onderzoek naar de hoeveelheid plastic in blikjes is nog lopende, afhankelijk van de voortgang het onderzoek zal het resultaat worden opgenomen in de RWS rapportage monitoring zwerfafval aan de Tweede Kamer in september 2020.

 

3-7-2019

 
 

Ontwerpbesluit maatregelen kleine kunststof drankflessen

 

27428, nr. 35 9 verzoekt de regering, zich met andere Europese lidstaten in te spannen om de harmonisatie van ggo, nr. regelgeving te agenderen in het kader van het werkprogramma van de nieuwe Europese Commissie, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren,

Parlementair agenda punt

Het ministerie van LNV zal de Tweede Kamer op korte termijn informeren over de stand van zaken mbt dit proces, in een brief over precisielandbouw, nieuwe veredelingstechnieken en innovatie.

 

3-7-2019

 
 

Biotechnologie en kwekersrecht

 

27428, nr. 361 verzoekt de regering, zo veel mogelijk haast te maken met alle mogelijke verbeteringen van het beleid en hiervoor waar nodig met spoed extra capaciteit vrij te maken binnen het RIVM,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Voortgang verbetering vergunningverlening medische toepassingen biotechnologie en voorstel Europese Commissie spoedverordening COVID-19

 

3-7-2019

 
 

Biotechnologie en kwekersrecht

 

31 409, nr. 244 verzoekt de regering, om samen met andere vaarwegbeheerders spoedig en doortastend geschikte kegelligplaatsen feitelijk te realiseren en de Kamer daarover te informeren,

Parlementair agenda punt

Uit een door RWS uitgevoerde verkenning is de behoefte aan kegelligplaatsen op te vangen met het benutten van de mogelijkheden die de regelgeving biedt om af te wijken van de veiligheidsafstanden tussen schepen onderling. Er zal een beleidsregel komen ten behoeve van een eenduidige interpretatie en uitvoering van die bevoegdheid. In de planningsbrief voor de Kamercommissie is aangegeven dat de beleidsregel in Q4 wordt verwacht.

 

3-7-2019

 
 

Maritiem

 

27 625, nr. 479 verzoekt de regering, in overleg met betrokkenen te zoeken naar een maatwerkoplossing voor de brouwerij in Arcen zodat deze niet onder water zal komen te staan,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [15-06-2020] - Brief voor het Algemeen Overleg Water van 22 juni 2020

 

4-9-2019

 
 

Water

 

31 936, nr. 665: verzoekt de regering, het RIVM opdracht te geven werknemers op Schiphol mee te nemen in het lopende onderzoek naar effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van omwonenden van Schiphol,

Parlementair agenda punt

In overleg met het RIVM over de invulling van de motie. Voortgang is medegedeeld aan de Kamer op 10-02-2020 (Indicatie: Geen)

 

26-9-2019

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 683: verzoekt de regering, om bij de modernisering van het Europese luchtvaartbeleid te pleiten voor de mogelijkheid om sociale vestigingseisen op te kunnen nemen

Parlementair agenda punt

In afwachting van herziening EU-verordening luchtvaartdiensten. (Indicatie: 2021)

 

26-9-2019

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 668: verzoekt de regering, om de mogelijkheid om meer rustmomenten te creëren in de vroege ochtend in het weekend te onderzoeken en de Kamer hierover bij de uitwerking van de nieuwe systematiek te informeren

Parlementair agenda punt

Uitvoeringsplan hinderreductie wordt nu geconsulteerd.

 

26-9-2019

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 669: verzoekt de regering, de sector te vragen te onderzoeken in hoeverre voor de inwoners een «vliegweerbericht» kan worden ontwikkeld met daarin in ieder geval het te verwachten baangebruik, en de Kamer uiterlijk bij de uitwerking van de nieuwe systematiek hierover te informeren,

Parlementair agenda punt

Schiphol heeft een applicatie in ontwikkeling.

 

26-9-2019

 
 

Luchtvaart

 

31 936, nr. 673: verzoekt de regering, met meer concrete maatregelen te komen die tot een aantoonbare vermindering zullen leiden van de in Nederland veroorzaakte overlast door Luchthaven Luik, nr. Bierset,

Parlementair agenda punt

In uitvoering. BEL-NED expertgroep verkent mogelijke operationele oplossingen. Daarnaast zal er met de gemeente Eijsden-Margraten en de provincie Limburg een gesprek plaatsvinden over de aanpak van informatievoorziening over de uiteindelijke maatregelen richting omwonenden.

 

26-9-2019

 
 

Luchtvaart

 

33 997, nr. 146 verzoekt de regering, zich binnen de VN, nr. luchtvaartorganisatie ICAO in te spannen voor het bereiken van betere waarborging van veilige vliegroutes boven conflictgebieden, en de Kamer hierover te informeren

8-10 debat over de vervolging van vier verdachten voor betrokkenheid bij het neerhalen van de MH17

In uitvoering. ICAO Council Sessie is tot nadere orde verdaagd i.v.m. Covid-19 (Indicatie: geen)

35 300 XII, nr. 27 verzoekt de regering, een quickscan te laten opstellen die de innovatieve mogelijkheden en de potentiële maatschappelijke kosten en baten in kaart brengt die een nieuwe vorm van een supersnelle trein zeer aantrekkelijk zou kunnen maken als alternatief voor een korteafstandsvlucht,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

16-10-2019 Begrotingsbehandeling IenW

 

35 300 XII, nr. 36 verzoekt de regering, om de introductie van deze emissiecomponent in havengelden op de Nederlandse luchthavens overeenkomstig met Heathrow, Frankfurt en Zürich in het NLR, nr. onderzoek naar «milieuscores» mee te nemen, en de Kamer de mogelijkheden terug te rapporteren,

Parlementair agenda punt

Plan van aanpak door NLR wordt voorbereid (indicatie: 17 december 2020).

 

16-10-2019 Begrotingsbehandeling IenW

 

35 300 XII, nr. 56 verzoekt de regering om, in navolging van de proeftuin aardgasvrijwijken, te verkennen of een proeftuin circulaire wijken en dorpen kan worden gestart,

Parlementair agenda punt [16-10-2019] - Begrotingsbehandeling IenW

De in de motie genoemde verkenning wordt uitgevoerd met een inventariserend onderzoek naar de kansen en mogelijkheden voor circulaire proeftuinen en de wijze waarop die vanuit het Rijk het beste kunnen worden ondersteund. Het streven is om dit onderzoek in het najaar af te ronden.

35 300 XII, nr. 46 verzoekt de regering, stappen te zetten ter aanscherping van wet, nr. en regelgeving inzake het lozen van vervuilde grond in plassen; verzoekt de regering tevens, in gesprek te gaan met provincies, waterschappen en gemeenten met als doel intensivering van de handhaving,

Parlementair agenda punt

In het AO Externe Veiligheid van 10 juni is toegezegd de Kamer na de zomer per brief over de voortgang van de uitvoering van dit restrictieproject te informeren. Daarmee zullen ook de nu gestelde vragen worden beantwoord.

 

16-10-2019 Begrotingsbehandeling IenW

 

35 300 XII, nr. 58 verzoekt de regering Te onderzoeken of reisverboden die worden opgelegd, geldend kunnen worden voor het gehele openbaar vervoer zonder dat dit leidt tot een verplaatsing van problemen naar andere vervoersmodaliteiten zoals bijvoorbeeld de auto en daarmee tot een verslechtering van de verkeersveiligheid

Parlementair agenda punt

Deze gesprekken lopen en de Kamer zal na de zomer geïnformeerd worden over de uitkomsten van deze gesprekken.

 

16-10-2019 Begrotingsbehandeling IenW

 

29 398, nr. 761 verzoekt de regering, bij het introduceren van nieuwe voertuigen verkeersveiligheid boven innovatie te stellen,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [16-07-2020] - Uitgebreide beleidsreactie op OvV rapport Veilig toelaten tot de weg - Lessen naar aanleiding van het ongeval met een Stint

 

30-10-2019

 
 

Stint

 

29 398, nr. 764 verzoekt het ministerie, in overleg te treden met relevante partijen zoals politie en andere hulpverleners en verzekeraars om ongevallencijfers van licht gemotoriseerde voertuigen beter inzichtelijk te maken,

Parlementair agenda punt

Er is een PvA voor de taskforce verkeersveiligheidsdata opgesteld. De vertegenwoordigers van Politie, hulpverleners en verzekeraars deelnemen hier aan mee. De eerste bijeenkomst staat gepland eind mei 2020. Bijeenkomst is vertraagd vanwege Corona.

 

30-10-2019

 
 

Stint

 

verzoekt de regering, te onderzoeken of het effectief is om ook voor biomassa, nr. installaties met een vermogen van minder dan 15 MW een milieuvergunning opnieuw verplicht te stellen, en de Tweede Kamer hierover in de zomer van 2020 te informeren

Begroting Economische Zaken en Klimaat 2020

De motie valt samen met een rijksmaatregel uit het Schone Lucht Akkoord. De Rijksoverheid onderzoekt in 2020 welke emissie-eisen in de algemene regels kunnen worden aangescherpt. Met Eenvoudig Beter (EB) wordt momenteel verkend in hoeverre een algemeen geldende vergunningplicht noodzakelijk is onder het stelsel van de Omgevingswet, waarbij ruimtelijke wetgeving en lokale vergunningplicht een alternatief zou kunnen bieden voor een algemeen geldende vergunningplicht van rijkswege. De Tweede Kamer wordt in de zomer van 2020 geïnformeerd.

35 300 A, nr. 15 verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk met de regio de knoop door tehakken over de aanpak van de problemen op de N35 ,

Parlementair agenda punt

Voor het BO MIRT van het najaar vindt er nog een gesprek plaats tussen de Minister en de Gedeputeerde over de N35. De Kamer wordt na het BO MIRT hierover geïnformeerd.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 20, verzoekt de regering, om het knelpunt op de A15 bij Ridderkerk, nr. Gorinchem sneller te realiseren, en om het knelpunt op de A15 bij Gorinchem, nr. Valburg aan te pakken,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 24, verzoekt de Minister, er alles op te richten dit grote nationale project van de aanpassing van de A27/A12 met kracht voort te zetten, dus het tempo erin en daarbij de samenhang met de noordelijke rondweg Utrecht te blijven bewaken,

Parlementair agenda punt

Een nieuw Tracébesluit wordt voorbereid. De planning is dit medio 2020 vast te stellen. Onlangs heeft de CieMER een concept advies op het Tracébesluit gegeven. Een belangrijk onderdeel van dit Tracébesluit is de (passende) beoordeling van stikstof, en de samenhang met de SSRS. De Ring Utrecht is een van de 7 MIRT projecten die gebruik kan maken van de stikstofruimte in deze regeling.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 21, verzoekt de regering, om de verbreding van de A2 tussen knooppunt Het Vonderen en Kerensheide in overleg met de provincie sneller te realiseren,

Parlementair agenda punt

Aan RWS wordt dit te kennen gegeven om dit mee te nemen in de lopende voorbereiding realisatie die gepland staat voor 2026.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 26, verzoekt de regering, om te onderzoeken of en welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de doorstroming op het traject A15 Deil, nr. Ochten op peil te houden, waarbij rekening gehouden wordt met de uitkomsten van de reeds lopende onderzoeken, en de Kamer hierover voor het voorjaarnotaoverleg MIRT 2020 te informeren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 27, verzoekt de regering, te bezien of, zonder de tijdsplanning voor het hele project in gevaar te brengen, het mogelijk is om het fileleed van mensen te verminderen door in het kader van de Minder Hinderaanpak de file beperkende maatregelen op de A12 als eerste uit te voeren,

Parlementair agenda punt

Motie hangt samen met het onherroepelijk worden van het (wijzigings)-Tracébesluit van het project ViA15. Staat nu gepland voor Q3 2020. Nog afhankelijk of zitting bij Raad van State doorgaat half mei door COVID-19 crisis. Anders Kamerbrief over onherroepelijk worden TB inclusief planning en punt of de A12 als eerste kan worden uitgevoerd, in Q4 2020 richting Kamer.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 33, verzoekt de regering, een onderzoek te doen naar de aanhoudende ongevallen op de N9 en hierbij te bezien op welke wijze er infrastructurele maatregelen genomen kunnen worden die ervoor zorgen dat de kans op ongelukken op de N9 afneemt,

Parlementair agenda punt

Plan van aanpak is gereed. Er wordt in overleg met de regionale partners naar passende maatregelen gezocht.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 34 , verzoekt de regering, het aanbod van de provincie Overijssel zeer serieus te nemen en in het aparte bestuurlijk overleg een gezamenlijk einddoel af te spreken voor de verdere MIRT, nr. planning van de N35 en aan te geven onder welke condities (tijd, geld, oplossingsrichtingen) de N35 op de MIRT, nr. agenda kan komen,

Parlementair agenda punt

Voor het BO MIRT van het najaar vindt er nog een gesprek plaats tussen de Minister en de Gedeputeerde over de N35. De Kamer wordt na het BO MIRT hierover geïnformeerd.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 35 , verzoekt de regering in het haalbaarheidsonderzoek naar een betere bereikbaarheid van het Noorden via de Lelylijn de oplossing van een spoorlijn mee te nemen, indien de betrokken provincies bereid zijn dit via cofinanciering te ondersteunen,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Potentieonderzoek verbeterde OV-verbinding Noord-Nederland - Randstad

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 36, verzoekt de regering, om de Kamer tijdig voor de definitieve besluitvorming over de spoorordening te informeren over alle benodigde stappen en bijbehorende randvoorwaarden om in de periode na de huidige concessie een intercity Amsterdam, nr. Utrecht, nr. Eindhoven, nr. Heerlen, nr. Aken te kunnen laten rijden,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [11-06-2020] - Informatie voortgang verbinding Randstad-Heerlen-Aken

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 64, verzoekt de regering, kennis te nemen van The Global Pledge and Petition for Safe and Accessible Urban Environment for All en deze onder de aandacht te brengen van lokale overheden,

Parlementair agenda punt

Tijdens het BO zijn er bepaalde richtlijnen voor shared spaces onder de aandacht gebracht. Niet de plegde. Dit zal uiterlijk voor de zomer onder de aandacht van lokale overheden worden gebracht.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 41, verzoekt de regering, om als onderdeel van de adaptieve strategie het project spoor Terneuzen, nr. Gent op basis van de reeds uitgevoerde MKBA verder te onderzoeken, inclusief de mogelijkheden voor gezamenlijke financiering en het afstemmen van de procedures in België en Nederland met het oog op het opnemen van dit project in het MIRT 2020, en de Kamer over de voortgang hiervan te informeren,

Parlementair agenda punt

De adaptieve strategie en monitoring wordt uitgewerkt door een binationale werkgroep voor een bestuurlijke ronde tafel (zomer 2020). In beide overleggen participeert IenW. Hierbij worden de mogelijkheden voor de gezamenlijke financiering betrokken. Resultaten worden betrokken bij het bo Mirt dit najaar, voortgang hiervan wordt aan de Tweede Kamer gemeld. Het project wordt ook betrokken bij het compensatiepakket Marinierskazerne Vlissingen.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 42, verzoekt de regering, de Kamer in 2020 middels een voortgangsrapportage over de stand van zaken van de toegankelijkheid van stations en vervoersmiddelen te informeren en op basis daarvan aan te geven waar de prioriteiten liggen en met voorrang dienen te worden opgepakt; verzoekt de regering tevens, om binnen de bestaande financiële kaders op basis van de uitkomsten voortvarend aan de slag gaan met het verbeteren van de toegankelijkheid,

Parlementair agenda punt

ProRail en NS zijn bezig met het Actualisatierapport Toegankelijkheid 2020. Dat is op zijn vroegst klaar eind 2020. Daarna wordt het zo snel mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 43, verzoekt de regering, om in het geval van bomenkap bij infrastructurele werkzaamheden de voortgang van de herplantingsverplichting actief te monitoren, en de Kamer hierover periodiek te informeren,

Parlementair agenda punt

Er wordt een bijeenkomst georganiseerd over detaillering en invulling.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 47, verzoekt de regering ook bij al lopende projecten zo veel mogelijk in te zetten op duurzaamheidswinst,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [15-06-2020] - Strategie Naar klimaatneutrale en circulaire rijksinfraprojecten

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 51, verzoekt de regering, samen met de betrokken provincies een haalbaarheidsonderzoek te doen naar het realiseren van de Nedersaksenlijn, hierin de aansluiting voor goederen, nr. en personenvervoer op de Bentheimer Eisenbahn mee te nemen, en de Kamer hierover in het najaar van 2020 te informeren,

Parlementair agenda punt

Haalbaarheidsonderzoek wordt zoals afgesproken met de Kamer ingevuld door de onderzoeken in het Toekomstbeeld OV in combinatie met de eerdere onderzoeksresultaten uit de regio. Ook de verbinding Coevorden-Rheine over de Bentheimer Eisenbahn is hier onderdeel van. De Kamer wordt hierover in het najaar 2020 over geïnformeerd.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 53, verzoekt de regering, in 2020 in samenwerking met ProRail en de vervoerders met een stappenplan te komen voor de verhoging van de bovenleidingspanning naar 3kV,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [19-06-2020] - Voortgang Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 59 lid Dijkstra verzoekt de Minister, een inventarisatie te doen naar de benodigde budgetten voor:–een inhaalslag voor het achterstallige onderhoud aan infra;–regulier en uitgesteld beheer en onderhoud;–een oplossing voor de bestaande knelpunten uit de meest recente NMCA;–geplande investeringen die volgen uit het regeerakkoord; –nieuwe en toekomstige wensen in fysieke infra die het verdienvermogen van Nederland kunnen vergroten, en deze punten aan de Kamer te zenden

Parlementair agenda punt

Deel van de beantwoording staat in het jaarlijkse MIRT Overzicht dat in september naar de Tweede Kamer gaat. Verder wordt geïnventariseerd of er ook vanuit de verschillende geledingen info bij elkaar moet worden gelegd. De planning is deze motie af te doen bij het NO MIRT 25 november 2020.

 

25-11-2019

 
 

MIRT

 

31 305, nr. 300 verzoekt de regering, bij de implementatie van de Europese ILUC, nr. verordening, conform de afspraak in het Klimaatakkoord, te borgen dat in Nederland geen hoog, nr. ILUC, nr. biobrandstoffen mogen worden toegelaten als hernieuwbare energie; verzoekt de regering, bovendien in het kader van de actualisatie van de Europese ILUC, zich in te spannen om palm, nr. en sojaolie in Europees verband als hoog, nr. ILUC risico aan te merken, en de Kamer hierover te informeren,

Parlementair agenda punt

NL volgt de discussie in EU-verband over de hoog ILUC-criteria actief risico te kwalificeren. Bij de herziening van de gedelegeerde handeling (waarschijnlijk in 2021) wordt op basis van de meest actuele data opnieuw bekeken welke grondstoffen dienen te worden gekwalificeerd als hoog ILUC-risico.

 

5-12-2019

 
 

Duurzaam Vervoer

 

31 305, nr. 301 verzoekt de regering, de inzichten van deze verkenning te betrekken bij de ketenanalyse voor biobrandstoffen en het CCV te vragen om een «expert judgement» uit te voeren op de biobrandstoffenketen en de conclusies ten aanzien van toezicht en handhaving en sanctionering,

Parlementair agenda punt

Het CCV heeft een expert judgement uitgevoerd op de integrale ketenanalyse biobrandstoffen. Het oordeel van het CCV wordt samen met de ketenanalyse voor het zomerreces aan de Kamer toegezonden.

 

5-12-2019

 
 

Duurzaam Vervoer

 

31 305, nr. 305 verzoekt de regering, om in overleg met de betrokken brancheverenigingenen het Rijksvastgoedbedrijf voor 1 mei 2020 te komen totafspraken om knelpunten voor innovatie en verduurzaming gedurende delooptijd van de overeenkomsten met de pomphouders weg te nemen,

Parlementair agenda punt

Tankstations langs rijkswegen worden toegekend via een veiling. In de huurovereenkomst die op basis hiervan is afgesloten zijn afspraken gemaakt over de restwaarde van vastgoed en andere assets door middel van de ‘Regeling Restwaarde Opstallen’. Eventueel aanvullende voorzieningen, zoals energielaadpunten, vallen nu niet onder deze taxatieregeling. De mogelijkheid om de taxatieregeling aan te passen blijkt bij de branche zelf te liggen en wordt nu opgepakt in het kader van deze motie. Uiteindelijk is het Rijksvastgoedbedrijf verantwoordelijk voor het implementeren van de aangepaste regeling.

 

5-12-2019

 
 

Duurzaam Vervoer

 

31 305, nr. 307 verzoekt de regering, de uitkomsten van deze kwetsbaarheidsanalyse naar de Kamer te zenden voor, of gelijktijdig met, het in het eerste kwartaal2020 te ontvangen advies van de Sociaal Economische Raad voor een duurzaamheidskader biomassa,

Parlementair agenda punt

De integrale ketenanalyse biobrandstoffen n.a.v. het strafrechtelijk onderzoek naar biodieselfraude zal voor het zomerreces aan de Kamer worden toegezonden.

 

5-12-2019

 
 

Duurzaam Vervoer

 

29 684, nr. 198 lid De Vries verzoekt de regering, de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en Waddenhavens in beleidsstukken aan te merken als van maatschappelijk en economisch belang

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [09-07-2020] - Ontwerp-Agenda voor het Waddengebied 2050

 

11-12-2019

 
 

Wadden

 

21501, nr. 33, nr. 791 lid Dijkstra verzoekt de regering, in Europees verband te pleiten voor een gelijkstelling van passagiersrechten van internationale treinreizigers aan de rechten van vliegtuigpassagiers, zodat ook bij vertraging of een gemiste internationale aansluiting compensatie door spoorvervoerders kan gaan plaatsvinden

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt geïnformeerd als het proces in Brussel is afgerond.

 

11-12-2019

 
 

Transportraad

 

31 409, nr. 260 verzoekt de regering, om te verkennen welke maatregelen er zijn om de stikstofdepositie door zeescheepvaart te verminderen en om daarbij in ieder geval in te gaan op verandering van vaarsnelheid en verandering van routering van schepen

Parlementair agenda punt

De in juni 2019 gesloten Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens is ook het uitgangspunt voor vermindering van de stikstofdepositie. De in die deal opgenomen maatregel walstroom voor zeevaartschepen zal in het kader van de structurele aanpak van de stikstofproblematiek (KST 2020Z07478) worden ingezet als bronmaatregel gericht op stikstofreductie. Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft aangekondigd dat het voornemens is in mei een rapport uit te brengen over de structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Hierin zal voor het eerst ook aandacht worden geschonken aan de maritieme sector. IenW is ook zelf aan het inventariseren welke maatregelen in dit kader nog meer kunnen worden genomen. Er wordt aan MARIN gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de relatie vaarsnelheid scheepvaart en stikstof depositie. In Kamerbrief 29684, nr 200, van 23 januari 2020 is ingegaan op de relatie verandering vaarroute en het verschil in stikstofdepositie tussen de noordelijke en zuidelijke vaarroute boven de Wadden.

 

11-12-2019

 
 

Maritiem

 

29 984, nr. 876 lid Van Dijk verzoekt de regering, te onderzoeken of eenzelfde pilot als in de binnenvaart ook mogelijk is binnen het spoorgoederenvervoer

Parlementair agenda punt

Ook is onderzocht of het mogelijk is om goederenvervoer zero emissie te laten rijden zonder de aanwezigheid van bovenleiding, zoals de motie Van Dijk (kamerstuk 29 984, nr. 876) heeft verzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit technisch mogelijk is, maar dat er nog diverse uitdagingen zijn om tot een pilot te kunnen komen. Deze worden de komende maanden in kaart gebracht. U wordt voorafgaand aan het Nota Overleg MIRT van dit najaar over de laatste stand van zaken geïnformeerd.

 

11-12-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 878 verzoekt de regering, om in nauw overleg te blijven met ons omringende landen over ontwikkelingen rond nachttreinen, aan te sluiten bij (bestaande) initiatieven en in kaart te brengen waar de kansen en knelpunten liggen om nachttreinen op kansrijke corridors te rijden

Parlementair agenda punt

Het KIM-onderzoek en het marktonderzoek hebben vorig jaar reeds een aantal kansen en knelpunten getoond. Mede naar aanleiding daarvan is contact gezocht met verschillende vervoerders om contact met IenW op te nemen in het geval zij ideeën hebben op welke wijze we de nachttrein in Nederland ook op langere termijn kunnen herintroduceren. Daarnaast hebben we contact gezocht met de Zweedse overheid die ook een grote ambitie heeft t.a.v. nachttreinen en zijn we in gesprek met de EC over internationaal treinvervoer en de nachttrein in het bijzonder.

 

11-12-2019

 
 

Spoor

 

29 984, nr. 879 lid Schonis/Kröger verzoekt de regering, om in overleg te treden met internationale spoorver, nr. voerders om bij het Eurovisie Songfestival van Rotterdam als proef speciale internationale evenementtreinen in te zetten

Parlementair agenda punt

Het Eurovisiesongfestival 2020 is afgelast ivm COVID-19. Wanneer er meer duidelijkheid is over een volgend moment voor een Eurovisiesongfestival in Nederland/Rotterdam, wordt bezien of de gesprekken weer hervat worden.

 

11-12-2019

 
 

Spoor

 

34 864, nr. 23 lid Van Gerven verzoekt de regering, het aanvullingsbesluit dusdanig te wijzigen dat duidelijke instructieregels op worden genomen waaruit blijkt hoe moet worden omgegaan met bodemverontreiniging die de drinkwatervoorziening kan aantasten

Parlementair agenda punt

Opgenomen in voorjaarsversie maart 2020 aanvullingsbesluit. Ligt nu bij Raad van State voor advies.

 

12-12-2019

 
 

ontwerp-Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet

 

34 864, nr. 25 lid Ronnes verzoekt de regering, te waarborgen dat integrale visies van overheden op het grondwaterbeheer onder regie van provincies tot stand komen

Parlementair agenda punt

Onderzoek loopt, voortgang in Kamerbrief Q3.

 

12-12-2019

 
 

ontwerp-Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet

 

32852, nr. 99 lid Van Eijs verzoekt de regering, om voor alle vloertypen, met voorrang aan tapijten, een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te verkennen

Parlementair agenda punt

Een verkenning zal worden uitgevoerd naar producentenverantwoordelijkheid voor alle vloertypen, met voorrang aan tapijten. Hierbij zal de recycling nader worden bekeken in regionaal verband inclusief België. De verkenning zal eind 2020 zijn afgerond.

 

12-12-2019

 
 

Circulaire economie

 

32 852, nr. 100 lid Van Eijs verzoekt de regering, te onderzoeken of bijvoorbeeld Het Versnellingshuis als een centraal

Parlementair agenda punt

Uitgaande brief [01-07-2020] - Stand van zaken acties naar aanleiding van Taskforce Herijking Afvalstoffen

 

12-12-2019

 
 

Circulaire economie

 

32 852, nr. 108 verzoekt de regering, het effect van de importheffing op buitenlands afval te monitoren om te bepalen of de doelstelling van een reductie van 0,2 megaton CO2 ook daadwerkelijk wordt gehaald, en om de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

Rijkswaterstaat monitort import en verwerking van afval in Nederland. PBL zal in de Klimaat- en Energieverkenning van dit najaar ingaan op het (verwachte) CO2-effect van de maatregel.

 

12-12-2019

 
 

Circulaire economie

 

28 089, nr. 155 lid Kröger verzoekt de regering, om in kaart te brengen welke stappen er gezet kunnen worden om het gebruik, de productie en de verwerking van pfas terug te dringen, en voor de zomer met een overzicht van mogelijke maatregelen te komen die vervuiling door pfas in alle stappen van de keten kunnen terugdringen of voorkomen

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

12-12-2019

 
 

Rapporten ILT en RIVM over GenX/Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie

 

28 089, nr. 160 lid Von Martels verzoekt de regering, om het RIVM en Deltares advies te vragen over een norm voor grond in niet, nr. vrij liggende diepe plassen en dit tevens met diverse betrokkenen te bespreken en de kamer hierover voor 1 april 2020 te informeren

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

12-12-2019

 
 

Rapporten ILT en RIVM over GenX/Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie

 

28 089, nr. 161 leden Von Martels/Ziengs verzoekt de regering, om de onderzoeken die nodig zijn om de criteria voor gebiedsspecifiek beleid vast te stellen, versneld te laten uitvoeren, en de resultaten hiervan voor de zomer van 2020 te publiceren

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

12-12-2019

 
 

Rapporten ILT en RIVM over GenX/Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie

 

29 398, nr. 780 verzoekt de regering, om het CBR een plan van aanpak met structurele oplossingen te laten voorbereiden en dat te betrekken bij de stelselherziening begin volgend jaar,

Parlementair agenda punt

Voor de invulling van deze motie zal worden aangesloten bij het moment dat de Kamer nader wordt geïnformeerd over de stelselherziening

 

19-12-2019

 
 

CBR

 

35 266, nr. 15 verzoekt de regering, in gesprek te treden met de lucht, nr. en treinsector over het versterken van de trein als aantrekkelijk alternatief en het verminderen van het aantal vluchten naar Düsseldorf en Londen

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Zal worden afgehandeld met het actieprogramma trein/luchtvaart (Planning: afgehandeld op 18 december 2020)

 

16-12-2019

 
 

Initiatiefnota van het lid Kröger: Luchtvaart op de rails

 

28089, nr. 170 verzoekt de regering, om in gesprek met bevoegde gezagen aan te dringen op tijdige herziening van vergunningen en handhaving op de inzet van de beste beschikbare technieken

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [05-06-2020] - Voortgang uitvoeringsagenda VTH, actieplan milieucriminaliteit en uitvoering van moties en toezeggingen

 

15-1-2020

 
 

Externe Veiligheid

 

35 248, nr. 10 verzoekt de regering, om een jaar na invoering van de loodsplicht nieuwe stijl de uitwerking van deze wetswijziging te evalueren en deze met de Kamer te delen

Parlementair agenda punt

De nieuwe regelgeving (Loodsplicht nieuwe stijl) zal (naar verwachting) 1 januari 2021 in werking treden. Overeenkomstig de motie zal de wetgeving een jaar later, in januari 2022, worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal met de Kamer worden gedeeld (eerste helft 2022).

 

16-1-2020

 
 

Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en enige andere wetten in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht

 

2234 3, nr. 289 verzoekt de regering, om met de ILT en bevoegde gezagen te onderzoeken hoe de inzet van beste beschikbare technieken bij het verlenen en reviseren van vergunningen de stikstofuitstoot van de industrie verder valt te reduceren, en hierover binnen twee maanden te rapporteren aan de Kamer,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [05-06-2020] - Voortgang uitvoeringsagenda VTH, actieplan milieucriminaliteit en uitvoering van moties en toezeggingen

 

22-1-2020

 
 

Toezicht en handhaving

 

2234 3, nr. 29 0 verzoekt de regering, jaarlijks aan de Kamer specifiek te rapporteren hoe de toezichthoudende taken van de ILT op het gebied van luchtvaart worden vormgegeven en welke capaciteit hiervoor noodzakelijk is

Parlementair agenda punt

Wordt in een brief als bijlage bij het meerjarenplan (MJP) van de ILT beantwoord, voor Prinsjesdag 2020.

 

22-1-2020

 
 

Toezicht en handhaving

 

2234 3, nr. 29 1 verzoekt de regering, voor één of meerdere opdrachten, waaronder het toezicht op nieuwe, lichte (elektrische) voertuigen, verschillende inspectie, nr. diensten binnen één team onder te brengen en samen te laten werken, en de resultaten en verbeterpunten van deze samenwerking met de Kamer te delen

Parlementair agenda punt

Deze motie wordt betrokken bij het volgende AO toezicht en handhaving, gepland in oktober 2020. Het streven is de kamer nog voor de zomer te informeren.

 

22-1-2020

 
 

Toezicht en handhaving

 

35 188, nr. 9 verzoekt de regering, om samen met de VNG, politie, CROW en de SWOV te bekijken welke lokale maatregelen, zoals verlaging van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, genomen kunnen worden om de kansen die deze wet biedt, optimaal in te zetten voor een vergroting van de verkeersveiligheid;verzoekt de regering tevens, om de effecten van de wetswijzing op de verkeersveiligheid te rapporteren aan de Kamer

Parlementair agenda punt

CROW levert op korte termijn een offerte op voor het actualiseren van de richtlijnen voor landbouwverkeer en het bijbehorende communicatietraject richting wegbeheerders. Effecten worden meegenomen in de brede evaluatie van de wet n.a.v. door de TK gewenste evaluatiebepaling in de wet.

 

22-1-2020

 
 

Wijziging Wegenverkeerswet registratie- en kentekenplicht motorrijtuigen met beperkte snelheid (35 188)

 

35 188, nr. 13 verzoekt de regering, om bij de voorliggende wet en onderliggende regelgeving geen nationale kop te creëren op de apk, nr. eisen, zich er in Europees verband voor te blijven inzetten dat er vanuit de apk, nr. plicht geen extra regels hieromtrent voortvloeien, en indien er voornemens zijn om via andere regelgeving met extra eisen te komen rond de apk, nr. eisen voor deze voertuigen, de Kamer hier tijdig voor de besluitvorming expliciet op te wijzen; verzoekt de regering tevens, te monitoren wat de effecten van de huidige vormgeving van de apk, nr. keuring voor snelle landbouw, nr. of bosbouw, nr. trekkers zijn op de kosten en de uitvoerbaarheid voor de agrarische sector, en de Kamer hierover binnen drie jaar te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering.

 

22-1-2020

 
 

Wijziging Wegenverkeerswet registratie- en kentekenplicht motorrijtuigen met beperkte snelheid (35 188)

 

35 188, nr. 14 verzoekt de regering, om de SWOV een nieuwe meting uit te laten voeren naar de verkeersveiligheid op de Nederlandse wegen; verzoekt de regering tevens, om jaarlijks de verkeersveiligheidscijfers temonitoren en daarbij de effecten van de snelheidsverhoging voor landbouwvoertuigen op de verkeersveiligheid voor andere weggebruikerste evalueren

Parlementair agenda punt

Deze motie hangt samen met het wetsvoorstel APK landbouwtrekkers.

 

22-1-2020

 
 

Wijziging Wegenverkeerswet registratie- en kentekenplicht motorrijtuigen met beperkte snelheid (35 188)

 

24 804, nr. 104 verzoekt de regering, in breed EU, nr. verband een centrale rol voor EASA te verkennen in het kunnen afgrenzen van onveilige luchtruimen voormaatschappijen uit de EU en op vluchten die vanaf en naarEU, nr. luchthavens worden uitgevoerd,

Parlementair agenda punt

OVV heeft aangegeven, onder de huidige omstandigheden, zijn reflectie waarschijnlijk pas na de zomer te kunnen leveren. (indicatie: 25 september 2020)

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

24 804, nr. 106 verzoekt de regering, in overleg te gaan met luchtvaartmaatschappijen om te komen tot meer transparantie bij hun afweging om af te wijken van een CZIB van EASA en daarbij expliciet te betrekken hoe luchtvaartmaatschap, nr. pijen dit publiek kunnen verantwoorden, en de Kamer hierover in het tweede kwartaal van 2020 te rapporteren,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Stand van zaken opvolging AO Vliegen boven conflictgebieden

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

24 804, nr. 107 verzoekt de regering, te verkennen of de overheidsinstanties binnen de expertgroep doorzettingsmacht kunnen krijgen als het gaat om het besluit om wel of niet over en naar conflictgebieden te vliegen en welke overheidsinstantie dan aanspreekbaar is als eindverantwoordelijke,

Parlementair agenda punt

Kamerbrief 21 februari 2020: systeemwijziging nationaal – reactie na ontvangst en bestudering onderzoeken (OVV en ILT) en uitgebreide evaluatie convenant. SO 21 april 2020: 1 gezamenlijke reactie na ontvangst en bestudering onderzoeken (OVV en ILT) en evaluatie convenant. (indicatie: 25 september 2020)

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

24 804, nr. 109 verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat de Nederlandse overheid in ons wetssysteem de mogelijkheid krijgt om een bindende aanwijzing uit te vaardigen over het vliegen in het luchtruim van derde landen en de Kamer in het derde kwartaal te informeren op welke wijze dat het beste zou kunnen; verzoekt de regering tevens, om uiterlijk in het tweede kwartaal te rapporteren over de stand van zaken, in ieder geval de juridische mogelijkheden die er zijn om dit te doen,

Parlementair agenda punt

OVV heeft aangegeven, onder de huidige omstandigheden, zijn reflectie waarschijnlijk pas na de zomer te kunnen leveren. (indicatie: 25 september 2020)

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

24 804, nr. 110 verzoekt de regering, zich tot het uiterste in te spannen dat in 2020 in ieder geval alle Nederlandse luchtvaartmaatschappijen volledig gaan voldoen aan aanbeveling 11 van het OVV, nr. rapport, en de Kamer voor de zomer een stand van zaken te geven,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Stand van zaken opvolging AO Vliegen boven conflictgebieden

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

24 804, nr. 111 verzoekt de regering, voordat eventueel wordt besloten over een grotere rol van EASA bij besluitvorming over vliegen boven conflictgebieden, eerst de gevolgen en de voor, nr. en nadelen van verdere Europese samenwerking op het gebied van luchtvaartveiligheid in kaart te brengen en zo snel mogelijk aan de Kamer te sturen,

Parlementair agenda punt

OVV heeft aangegeven, onder de huidige omstandigheden, zijn reflectie waarschijnlijk pas na de zomer te kunnen leveren. (indicatie: september 2020)

 

4-2-2020

 
 

Vliegen boven conflictgebieden

 

30 175, nr. 34 8 verzoekt de regering, ook duidelijk te maken middels een overzicht voor andere soorten kunstgrasvelden hoe sportclubs aan de zorgplicht en artikel 13 Wbb moeten voldoen, zoals kunstgrasvelden met kurk, TPE, EPDM, kokosvezels en olijfpitgranulaat

Parlementair agenda punt

Wordt meegenomen in de verzamelbrief voor AO Leefomgeving.

 

10-3-2020

 
 

Leefomgeving

 

30175, nr. 34 9 verzoekt de regering, met verzekeraars om tafel te gaan om te kijken of verzekeraars bereid zijn deel te nemen aan de samenwerkingsverklaring en de verzekerbaarheid deel te laten zijn van de verwijderingsaanpak om zo wel dekking te willen bieden tot en met 2028 in plaats van 2025

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt dit jaar per brief geïnformeerd over de uitvoering van de acties in de samenwerkingsverklaring.

 

10-3-2020

 
 

Leefomgeving

 

30 175, nr. 35 0 verzoekt de regering, bij iedere wijziging in wet, nr. en regelgeving van het Schone Lucht Akkoord een impactassessment te laten uitvoeren

Parlementair agenda punt

Wordt meegenomen in de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord (SLA) (uitvoering loopt tot 2030). Als er wet- en regelgeving wijzigt, wordt er een impactassessment uitgevoerd.

 

10-3-2020

 
 

Leefomgeving

 

35 334 , nr. 54 verzoekt de regering, om binnen het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie aandacht te besteden aan een bronaanpak voor het tegengaan van pfas, nr. gebruik

Parlementair agenda punt

De motie is in uitvoering, bezien wordt op welke wijze bronaanpak van PFAS-gebruik in het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie kan worden verankerd. In het najaar 2020 kan hierover meer duidelijkheid worden gegeven.

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 334 , nr. 55 verzoekt de regering, samen met inspectiediensten en het bevoegd gezag te onderzoeken of Chemours zich aan deze verplichting houdt en hoe deze verplichting waar nodig aangescherpt kan worden, en de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [05-06-2020] - Zeer zorgwekkende stoffen in afvalstromen.

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 334 , nr. 73 verzoekt de regering, een strategie te ontwikkelen voor bronaanpak en sanering van pfas, nr. verontreinigingen die grondwaterbronnen voor de drinkwatervoorziening bedreigen

Parlementair agenda punt

Bronaanpak onderzoek PFAS locaties loopt, eind dit jaar bekend. Wordt meegenomen in PFAS kamerbrief Q4.

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 334 , nr. 74 verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk meer ruimte voor verantwoorde toepassingen van grond in niet, nr. vrijliggende diepe plassen en van grond en bagger in vrijliggende diepe plassen mogelijk te maken, zodat de sector de werkzaamheden op korte termijn kan hervatten en de financiële schade hiermee kan beperken

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 334 , nr. 60 verzoekt de regering, te garanderen dat de bodemkwaliteit, ook binnen een bodembeheergebied, niet verder mag verslechteren

Parlementair agenda punt

Wordt meegenomen in publicatie bodemregelgeving PFAS Q4.  

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 334 , nr. 75 spreekt haar steun uit voor de lijn van de provincie Zuid, nr. Holland om de uitstoot van Chemours versneld te reduceren

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [15-06-2020] - Brief voor het Algemeen Overleg Water van 22 juni 2020

 

10-3-2020

 
 

PFAS

 

35 267, nr. 15 verzoekt de regering, toe te werken naar een uniforme afvalstroomindicatie op producten zodat duidelijk is tot welke afvalstroom het product behoort en in welke afvalbak het product weggegooid hoort te worden en verzoekt de regering, om bij de gesprekken over de uitwerking van de Green Deal zich in te zetten voor de verplichting dat producten voortaan een afvalstroomindicatie moeten hebben

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [02-07-2020] - Beleidsmaatregelen voor een circulaire verpakkingsketen

 

10-3-2020

 
 

Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

 

35 267, nr. 11 verzoekt de regering, om met enige regelmaat (bijvoorbeeld twee keer per jaar) de Kamer middels een brief en een lijst nieuwe stoffen te informeren en desgewenst de mogelijkheid te geven hierover vragen te stellen

Parlementair agenda punt

Om binnen de huidige regelgeving de ruimte maximaal te benutten ten behoeve van de transitie naar een circulaire economie, is er gestart met twee verkenningen. Beide verkenningen worden als acties opgenomen in het geactualiseerde Uitvoeringsprogramma CE. De verwachting is dat eind dit jaar de resultaten van de verkenningen gereed zijn. Dan zal de Kamer verder worden geïnformeerd over deze resultaten en de mogelijke vervolgstappen die hieruit voortvloeien. Inclusief het overzicht van materialen waarvoor einde-afval- of bijproductcriteria worden opgesteld.

 

10-3-2020

 
 

Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

 

35 267, nr. 12 verzoekt de regering, om gemeenten, provincies en de eigenaren van natuurterreinen behulpzaam te zijn bij het verhalen van kosten door het doen van onderzoek naar de herkomst van het afval en het verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn om de kosten te verhalen op de veroorzakers

Parlementair agenda punt

De staatssecretaris zal dit bespreken met gemeenten, provincies en eigenaren van natuurterreinen in het eerstvolgende BOB (Bestuurlijk omgevingsberaad) in oktober 2020.

 

10-3-2020

 
 

Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

 

29 232, nr. 18 verzoekt de regering, als voorwaarde voor steun te streven naar afspraken op het gebied van duurzaamheid, waaronder een rapportageplicht voor CO2, nr. emissies, reductie van emissies voor korte afstandsvluchten die vervangbaar zijn door verbindingen per trein, het realiseren van een biokerosinefabriek in Groningen en concrete doelen voor bijmenging van schone brandstoffen

Parlementair agenda punt

Afgehandeld. De Kamer op 26 juni 2020 geïnformeerd over het traject dat is doorlopen, de precieze vormgeving van het steunpakket, de bijbehorende voorwaarden en de verlenging van de opzegtermijn van de staatsgaranties (Kamerstuk 29232 Nr. 41).

 

6-5-2020

 
 

Steunmaatregelen Air France - KLM

 

29 232, nr. 19 verzoekt de regering, zich Europees in te zetten voor een groene heropbouw van de sector door onder andere de toekenning van gratis EU ETS, nr. rechten op te schorten en de Europese slotverordening te herzien zodat duurzaamheid een criterium voor slotallocatie kan worden

Parlementair agenda punt

In afwachting van voorstellen van de Commissie EU-ETS en de herziening van de slotverordening (indicatie: 2021)

 

6-5-2020

 
 

Steunmaatregelen Air France - KLM

 

29 232, nr. 36 verzoekt de regering, het wijzigen van het huidige luchtvaartverdrag of het afsluiten van een nieuw verdrag internationaal te agenderen

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Behandeld in Kamerbrief 31936-585 van 27 maart 2019 waarin conferentie 20/21 juni 2019 eerste stap uitvoering motie wordt genoemd en Kamerbrief van 29 mei 2020 waarin de uitvoering van Motie Van Otterloo over het belasten van vliegtuigbrandstoffen is uitgewerkt. Verdere stappen nog niet aan te geven. (samenhang met motie 11503) (Planning: geen).

 

6-5-2020

 
 

Steunmaatregelen Air France - KLM

 

30 015, nr. 69 verzoekt de regering, het opstellen van een definitief handelingskader voor pfas te versnellen en nog dit jaar een consultatieversie te publiceren

Parlementair agenda punt

Onderzoeken lopen. Wordt meegenomen in PFAS kamerbrief Q4 2020.

 

12-5-2020

 
 

Bodem

 

30 015, nr. 73 verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze de procedures bij MIRT, nr. projecten kunnen worden aangepast zodat projecten sneller kunnen worden uitgevoerd, en daarover voor het MIRT, nr. overleg in juni de Kamer te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering.

 

12-5-2020

 
 

Bodem

 

30 015, nr. 75 verzoekt de regering, nog voor 15 juni te komen tot een tussentijdse rapportage met betrekking tot de pilots aangaande pfas, nr. houdende bagger en de toepassing daarvan in diepe plassen;en verzoekt de regering aan de hand van de resultaten van deze pilots waar mogelijk al eerder perspectief te bieden aan ondernemers door de toegestane hoeveelheid/aandeel in het tijdelijk handelingskader waar mogelijk al op te hogen

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

12-5-2020

 
 

Bodem

 

30 015, nr. 76 verzoekt de regering, uit te zoeken of langs deze lijn meer ruimte geboden kan worden voor toepassing van pfas, nr. houdende grond in oppervlaktewater, waarvoor nu nog de norm van 0,1 µg/kg geldt, en zodoende de norm indien mogelijk voor 15 juni 2020 naar boven aan te passen

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [01-07-2020] - Aanpassingen beleid PFAS

 

12-5-2020

 
 

Bodem

 

35 300 XII, nr. 97 verzoekt de regering, zich tot het uiterste in te spannen dat het ontwerpbesluit helmplicht snorfiets uiterlijk in de laatste week voor het einde van het zomerreces naar de Kamer wordt gezonden,

Parlementair agenda punt

17-06-2020 Zie RONDZENDMAP-2020/4976

 

28-5-2020

 
 

OV, infrastructuur en Corona

 

35 300 XII, nr. 98 verzoekt de regering, maatregelen te nemen zodat mensen met een lichamelijke beperking gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, ook tijdens de crisis,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [30-06-2020] - Update acties, moties en toezeggingen inzake het OV en COVID-19

 

28-5-2020

 
 

OV, infrastructuur en Corona

 

35 300 XII, nr. 110 verzoekt de regering tevens, om samen met de NS en andere ov, nr. vervoerders tot een oplossing te komen waardoor de fiets onderdeel kan blijven van noodzakelijke reizen, bijvoorbeeld door de OV, nr. fiets tijdelijk kosteloos beschikbaar te stellen of het hanteren van een aanmeldsysteem,

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief [30-06-2020] - Update acties, moties en toezeggingen inzake het OV en COVID-19

 

28-5-2020

 
 

OV, infrastructuur en Corona

 

25 295, nr. 398 verzoekt de regering om zo spoedig als mogelijk het RIVM en virologen advies te vragen over de verspreiding van het virus in vliegtuigenverzoekt de regering om uiterlijk 15 juni een besluit te nemen over regels voor het houden van voldoende afstand in vliegtuigen

Debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus 4 juni 2020

Afgedaan met: Uitgaande brief [12-06-2020] - Covid-19 en luchtvaart

  

35 300 A, nr. 92 verzoekt de regering, de zeven MIRT, nr. projecten zo snel mogelijk te realiseren en te voorkomen dat er nog meer vertraging ontstaat

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

9-6-2020

 
 

Implicaties van de PAS uitspraak voor de 7 MIRT projecten

 

31 936, nr. 749 verzoekt de regering de verkeersverdelingsregel voor Schiphol en Lelystad Airport in het kader van de integrale besluitvorming alsnog voor te leggen aan de Kamer

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Is onderdeel van de verkeersverdelingsregel (VVR) tussen Schiphol en Lelystad Airport. Publicatie van de VVR in het Staatsblad staat gepland voor augustus 2020. Publicatie plus het Raad van State advies wordt met de Kamer gedeeld. (Planning: afgehandeld op 31 augustus 2020)

 

9-6-2020

 
 

Voorhang verkeersverdelingsregel (VVR)

 

31 936, nr. 754 verzoekt de regering, om voor de jaarwisseling een uitwerking van het CO2, nr. emissieplafond aan de Kamer voor te leggen waarin de reductiedoel, nr. stellingen en verantwoordelijkheden met betrekking tot handhaving en monitoring duidelijk worden

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 759 verzoekt de regering, om te (laten) onderzoeken voor hoeveel vluchten er nationale vraag is, hoe Nederland zich exclusief kan richten op passagiers en routes die voor Nederland van waarde zijn, hoe Nederland daarmee voldoende met de wereld verbonden kan zijn, hoeveel vluchten hier minimaal voor nodig zijn en welke sturingsmiddelen nodig zijn om hierop te kunnen sturen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 760 verzoekt de regering, zich op Europees niveau in te spannen om het strategisch belang van vrachtvluchten te borgen door middel van het alloceren van slots binnen de Europese slotverordening

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 761 verzoekt de regering, bij de uitvoering van de Luchtvaartnota de econo, nr. mische rol van Schiphol als mainport voor Nederland te koesteren en te verstevigen

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Zal worden meegenomen in de uitvoeringsagenda van de luchtvaartnota. (Planning: afgehandeld op 18 december 2020).

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 762 verzoekt de regering, mogelijke belemmerende factoren richting een EU, nr. bijmengverplichting in kaart te brengen, en de Kamer hierover te informeren, en daarnaast het aangekondigde onderzoek over grondstof, nr. fenbasis van duurzame luchtvaartbrandstoffen van gewassen en andere biogene producten uiterlijk in het najaar met de Kamer delen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 763 verzoekt de regering, aan de Kamer aan te geven hoe zij via de vormgeving van de innovatiestrategie de kans het grootst wil maken dat vliegen schoner, stiller en zuiniger wordt, te bezien of het instellen van een aanjager hierbij een rol zou kunnen spelen en hoe de verschillende spelers zoals de kennisinstituten en het bedrijfsleven bij de vormgeving worden betrokken

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 764 verzoekt de regering, zich in te zetten dat bij Schiphol zo spoedig mogelijk binnen de geldende veiligheidsprocedures praktijkervaring wordt opgedaan met hoger aanvliegen in combinatie met een gelijkmatig daling, bijvoorbeeld op de Kaagbaan, zodat bij positieve ervaringen dit zo snel als mogelijk kan worden ingevoerd

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 765 verzoekt de regering, zich in te spannen de overleggen tussen de luchtvaartsector, de overheid en de omgeving van Schiphol die plaats, nr. vinden in de nieuwe vormgeving van de ORS te beginnen met een frisse start, en de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 768 verzoekt de regering, te kijken waar op basis van de ervaringen in het openbaar vervoer en de luchtvaart ook in andere voertuigen soepeler kan worden omgegaan met capaciteitsbeperkingen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 770 verzoekt de regering, om de Kamer voor de definitieve Luchtvaartnota een brief toe te sturen waarin inzichtelijk gemaakt wordt welk reductiepad mogelijk is en op welke termijn, wat hiervan de economische gevolgen zijn en hoe hierin de lessen van nachtregimes uit het buitenland zijn meegenomen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 775 verzoekt de regering, ergens in de Luchtvaartnota, bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 ‘veilige luchtvaart’ of in hoofdstuk 7 ‘innovatie’, de relevante kennis en informatie over het beperken van het risico op botsingen met vogels op te nemen, inclusief recente innovaties op dit thema

Parlementair agenda punt

In uitvoering. Zal worden meegenomen in de luchtvaartnota. (Planning: afgehandeld op 18 december 2020).

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 767 verzoekt de regering, de mogelijkheden voor het invoeren van sociale vestigingseisen in kaart te brengen, en de Kamer hierover te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 756 verzoekt de regering, in de uitwerking van het CO2, nr. emissieplafond het plafond niet hoger te laten zijn dan de emissies van de hoeveelheid uitstoot van de vanuit Nederland vertrekkende vliegtuigen in 2019;verzoekt de regering, in de uitwerking van het plafond te concretiseren dat het om een afnemend plafond gaat, waarbij dit in 2030 en 2050 niet hoger mag zijn dan de doelstellingen in het Ontwerpakkoord Duurzame Luchtvaart, en bij voorkeur voldoet aan de reductiepaden van het Klimaatakkoord;verzoekt de regering tevens, de groei in het CO2, nr. emissieplafond te clausuleren met reductie, en niet met compensatie;verzoekt de regering voorts, het CO2, nr. plafond vast te stellen voor de gehele Nederlandse commerciële luchtvaart, en dit door te vertalen per luchthaven

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 777 verzoekt de regering om samen met Oostenrijk te onderzoeken of een minimumprijs op tickets, waarbij het ticket niet goedkoper mag zijn dan de optelsom van verplichte luchthavengelden, belastingen en andere heffingen op tickets, ook voor Nederland ingevoerd kan worden, en hierover te rapporteren aan de Kamer

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 936, nr. 755 verzoekt de regering om deze zomer door het NLR in samenspraak met het RIVM een onderzoek bestaande uit in ieder geval simulaties en metingen te laten starten naar het effect van filter, nr. en ventilatiesystemen op het besmettingsrisico voor COVID, nr. 19 in vliegtuigen en voor het einde van het zomerreces de eerste bevindingen en de stand van zaken hiervan te delen met de Kamer;verzoekt de regering tevens om voor het zomerreces aan de Kamer inzichtelijk te maken welke maatschappijen nu niet beschikken over HEPA, nr. filters en welke consequenties hieraan verbonden kunnen worden

Parlementair agenda punt

In uitvoering. IenW heeft het NLR de opdracht gegeven en de planning is dat de eerste bevindingen voor het einde van het zomerreces met de Kamer kunnen worden gedeeld (Planning: afgehandeld op 31 augustus 2020). Voor het overige is de motie afgehandeld. Onderzoek naar aanwezigheid van HEPA-filters in vliegtuigbewegingen van en naar Nederland is afgerond en op 1 juli 2020 met de Kamer gedeeld (Kenmerk: 319336-796)

 

18-6-2020

 
 

Luchtvaart en corona

 

31 409, nr. 279 verzoekt de regering, de Kamer voor 1 september 2020 te informeren over hoe de Wet bestrijding maritieme ongevallen kan worden herzien, zodat deze wet de internationaal geboden mogelijkheid om tijdelijke maatregelen te treffen volledig en maximaal implementeert

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 280 verzoekt de Minister, er in overleg met de sector voor te zorgen dat schippers geïnformeerd worden over specifieke eigenschappen, gevaren en voorzorgsmaatregelen van hun gegaste lading zoals in de tankvaart al gebruikelijk is,

Parlementair agenda punt

In uitvoering (voor het herfstreces 2020)

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 281 verzoekt de regering, om in overleg met de sector duidelijkere afspraken te maken over het ligplaatsenbeleid die aansluiten bij de behoefte van de schippers en Rijkswaterstaat het voortouw te geven in de naleving en handhaving van deze afspraken,

Parlementair agenda punt

Uitvoering loopt zowel richting sector als richting andere ligplaatsbeheerders. Afronding motie voorzien voor volgende verzamelbrief Maritiem en Binnenvaart.

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 282 verzoekt de regering, met een reactie te komen op de vragen van de sector, een reactie te geven op het gevraagde fonds en te onderzoeken hoe het voortbestaan van de historische zeilvloot gewaarborgd kan worden, en de Kamer daarover binnen twee weken te informeren

Parlementair agenda punt

De subsidieregelingen verduurzaming binnenvaart worden deze week aan de GD-partijen voorgelegd voor consultatie. De TK wordt naar verwachting uiterlijk eind september geïnformeerd

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 283 verzoekt de regering, in dit stappenplan alle mogelijkheden voor het Rijk om voldoende invloed te kunnen uitoefenen op de situatie in de Amster, nr. damse haven om ook het (inter)nationale belang van de haven te kunnen waarborgen, te onderzoeken, bij dit onderzoek de ondernemers in de Amsterdamse haven te betrekken en over de uitkomsten van dit onderzoek, de gekozen vorm en de onderbouwing hiervan aan de Kamer te rapporteren

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 284 verzoekt de regering, om controle en handhaving van de bestaande regels op te voeren en om zich in te zetten om in IMO, nr. verband te onderzoeken wat voor verbeteringen mogelijk zijn die leiden tot een sterk verbeterde praktijk, afgestemd op de alsmaar groter wordende schepen

Parlementair agenda punt

Wordt meegenomen in kabinetsreactie op onderzoeksrapporten MSC Zoe, welke naar verwachting eind september naar de TK gaat.

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 286 verzoekt de regering, om nader te onderzoeken hoe bemanningswisse, nr. lingen vergemakkelijkt kan worden, en de Kamer hier voor het zomerreces over te informeren

Parlementair agenda punt

Afgedaan met Uitgaande brief 03-07-2020 Bemanningswisselingen zeevarenden

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 287 verzoekt de regering, om in overleg met de maritieme sector in kaart te brengen of de genoemde subsidie, nr. instrumenten voldoende aansluiten bij de vergroeningsambitie van de sector, en de Kamer uiterlijk 30 september hiervan op de hoogte te stellen

Parlementair agenda punt

In uitvoering (voor eind september 2020)

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

31 409, nr. 289 verzoekt de regering, parallel aan haar reactie op het OVV-rapport de Kamer te informeren over welke lessen geleerd zijn over de reddingsoperatie voor de zwanen en daarbij aandacht te hebben voor de benodigde crisisvoorraden en de beschikbaarheid van verzorgers

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

21501, nr. 33, nr. 819 verzoekt de regering de autovakantielidstaten aan te sporen te zorgen voor extra goede hygiënemaatregelen tijdens de drukke zomermaanden op verzorgingsplaatsen (inclusief tankstations langs snelwegen) én met organisaties zoals de ANWB samen te werken aan goede informatievoor, nr. ziening en advies hoe de Nederlandse vakantieganger zich het best kan voorbereiden op vakantie met de auto naar het buitenland

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

23-6-2020

 
 

Binnenvaart

 

21501, nr. 33, nr. 820 verzoekt de regering om zich in de ICAO, nr. Raad in te zetten voor uitstel van een besluit over de baseline van CORSIA; verzoekt het kabinet om zijn standpunt ten aanzien van CORSIA vooraf aan de Kamer voor te leggen

Parlementair agenda punt

Afgedaan met: Uitgaande brief 02-07-2020 Besluit Raad van ICAO over tijdelijke aanpassing baseline van het CORSIA

 

23-6-2020

 
 

Transportraad

 

25 295, nr. 434 verzoekt de regering, om voordat het vliegverkeer nog verder toeneemt, een protocol op te stellen voor vliegverkeer uit niet, nr. Schengenlanden met een groter besmettingsrisico dan Nederland

25-06-2020 Debat over de ontwikkelingen rondom het corona virus

In uitvoering

35 377, nr. 4 verzoekt de regering, met gelijkgestemde landen tot een concreet plan van aanpak te komen om binnen afzienbare tijd een dekkend spoor, nr. netwerk voor personenvervoer binnen Europa te realiseren

Debat over de Europese Green Deal

In uitvoering

35 377, nr. 10 verzoekt de regering, er bij de Europese Commissie voor te pleiten om een groene Europese havenstrategie op te stellen die zorgt voor een gelijk speelveld en waarbij het systeem van just, nr. in, nr. time sailing bijdraagt aan vermindering van CO2, nr. emissie in de scheepvaart

Debat over de Europese Green Deal

In uitvoering

35 490, nr. 4 verzoekt de regering, indien zij aanwijzingen krijgt dat het bedrag overschreden dreigt teworden de kamer tijdig te informeren en geen onomkeerbare stappen te zetten tot de Kamer is geïnformeerd én zich hierover heeft kunnen uitspreken

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

30-06-2020 Beschikbaarheidsvergoeding ov-bedrijven

 

32 852, nr. 127 verzoekt de Staatssecretaris, in overleg met de Nederlandse textielketen, zich binnen Europa in te zetten voor fondsen die de Nederlandse ambitie ondersteunen en daarbij ook nadrukkelijk in te zetten op een gesloten keten in Europa inclusief producentenverantwoordelijkheid

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt naar verwachting hierover in het voorjaar van 2021 geïnformeerd, met de voortgangsrapportage van het beleidsprogramma circulair textiel.

 

30-6-2020

 
 

Circulaire Economie

 

32852, nr. 126 verzoekt de regering, nog dit jaar te onderzoeken hoe de MKI, nr. waarde zwaarder kan worden meegewogen in het aanbestedingstraject van Rijkswaterstaat, en de Kamer daarover te informeren

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt naar verwachting later dit jaar geïnformeerd over de mogelijkheden.

 

30-6-2020

 
 

Circulaire Economie

 

32 852, nr. 121 verzoekt de regering, om te onderzoeken of de recyclebaarheid van kleding en schoenen in de aanbestedingsregels kan worden opgenomen

Parlementair agenda punt

Naar aanleiding van deze motie zal de Kamer naar verwachting medio 2021 via een (verzamel)brief worden geïnformeerd.

 

30-6-2020

 
 

Circulaire Economie

 

28 089, nr. 176 verzoekt de regering, om te voorkomen dat dakeigenaren tussen wal en schip vallen, in gesprek te gaan met de nog niet bij het fonds aangesloten provincies om hen te overtuigen alsnog bij dit fonds aan te sluiten, zodat er landsbrede dekking ontstaat

Parlementair agenda punt

De Kamer wordt voor het einde van het jaar geïnformeerd per brief.

 

30-6-2020

 
 

Externe Veiligheid

 

35 505, nr. 10 spreekt uit dat de Kamer niet gebonden is aan de uitbreiding Van Lelystad Airport, zolang besluitvorming daarover middels behandeling van hetluchthavenverkeersbesluit niet heeft plaatsgevonden in Tweede en Eerste Kamer

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

1-7-2020

 
 

Steunmaatregelen KLM

 

334 50, nr. 73 verzoekt de regering het effect van onderwatergeluid op verschillende voor de Noordzee belangrijke vissoorten en op schaal, nr. en schelpdieren en de invioed van windparken op stromingspatronen en sedimentatie mee te nemen in het onderzoeksenmonitoringsprogramma,

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

1-7-2020

 
 

Onderhandelaarsakkoord voor de Noordzee

 

35 505, nr. 7 verzoekt de regering te onderzoeken of na afloop van de opschorting van de 80% , nr. regel in de slotverordening een ‘uitsterfbeleid’ voor nachtslots kan worden gehanteerd, waarbij slots die worden teruggegeven aan de slotpool in mindering worden gebracht op het totaal aantal nachtslots;verzoekt de regering tevens de resultaten van dit onderzoek zo snel mogelijk met de Kamer te delen voor behandeling;

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

1-7-2020

 
 

Steunmaatregelen KLM

 

35 505, nr. 18 verzoekt de minister, de kosten die gemaakt moeten worden door KLM om aan de voorwaarden metbetrekking tot verduurzaming te voldoen in kaart te brengen, en de Kamer hierover voor 1 oktober2020 te informeren,

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

1-7-2020

 
 

Steunmaatregelen KLM

 

29 398, nr. 833 verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze de huidige cursus EMG verbeterd zou kunnen worden en in hoeverre andere technische mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld een snelheidsbegrenzer, zouden kunnen helpen om risicovol rijgedrag en recidive tegen te gaan,

VAO Handhaving in het verkeer 2 juli 2020

In uitvoering

29 398, nr. 832 verzoekt de regering, in haar verkeerscampagnes ook het tegengaan van het gebruik van lachgas mee te nemen,

VAO Handhaving in het verkeer 2 juli 2020

Het ministerie van IenW heeft TeamAlert dit jaar de opdracht gegeven een specifieke en gerichte campagne tegen lachgasgebruik in het verkeer voor te bereiden. TeamAlert is gestart met het ontwikkelen van campagneconcepten. Door de verantwoordelijkheid van VWS op de integrale aanpak van lachgas en de expertise van het Trimbos-instituut op dit onderwerp worden zij nauw betrokken bij de ontwikkeling van de campagne. De lancering van de campagne door TeamAlert is thans voorzien eind november 2020.

35 300 A, nr. 99 verzoekt de regering, waar mogelijk belemmerende regelgeving weg te nemen voor innovatieve ideeën uit de markt voor de aanleg van infrastructuur

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 103 verzoekt de regering, verkeersveiligheid als belangrijke pijler mee te wegen in de nieuwe NMCA

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 104 verzoekt de regering, haast te maken met het uitwerken van de mogelijkheden van een directe intercityverbinding Randstad, nr. Eindhoven, nr. Heerlen, nr. Aken vanaf 2025 en hierbij ook de mogelijkheid in kaart te brengen om dit binnen de nieuwe concessie van het hoofdrailnet te brengen; verzoekt de regering tevens, de uitwerking voor het debat over spoorordening in het najaar naar de Kamer te sturen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 105 verzoekt de regering, om bij de bestuurlijke overleggen nadrukkelijk uitvraag te doen naar de kansen die Flevoland, Drenthe, Friesland en Groningen voor de versterking en verbetering zien, en de Kamer hierover voor het notaoverleg MIRT van dit najaar te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 106 verzoekt de regering, bij de dekking van het tekort voor het project Zuidasdok de grote maatschappelijke en economische meerwaarde en de lokale baten beter tot uitdrukking te laten komen in de verhouding tussen de financiële bijdragen van stad, regio en Rijk

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 107 verzoekt de regering, om te zorgen dat de besluitvorming over de MIRT, nr. projecten A12 Gouda, nr. Oudenrijn, U Ned en de woningbouw rond Utrecht, met grootschalige woningbouw van project Rijnenburg rekening wordt gehouden, dit goed op elkaar af te stemmen, voor zowel fiets, ov als de auto

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 109 verzoekt de regering, om coulant om te gaan met een verhoging van het plafond van de regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2020, nr. 2021, als de aangevraagde rijksbijdrage voor fietsmaatregelen het plafond overschrijdt en de aanvragen in voldoende mate bijdragen aan het verbeteren van de verkeersveiligheid ;verzoekt de regering, om de decentrale overheden te vragen te komen met plannen voor snelfietsroutes en deze te betrekken bij de BO's MIRT en daarover terug te koppelen aan de Kamer

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 111 verzoekt de regering, met haar plannen, inclusief de prioriteiten voor het stimuleren en versterken van internationale spoorverbindingen voor het notaoverleg MIRT met de Kamer te delen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

35 300 A, nr. 112 verzoekt de regering, om maximale cofinanciering voor Nederlandse budgettaire middelen te krijgen uit EU, nr. middelen, door een plan op te stellen om effectief op het TEN, nr. T, nr. programma van de EU in te spelen en in te zetten op maximale benutting door Nederland van TEN, nr. T, nr. middelen voor internationale spoorverbindingen, en de Kamer hierover uiterlijk in de tweede helft van september 2020 te informeren

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

MIRT

 

29 665, nr. 390 verzoekt de regering, beslissingen over de vliegveiligheid en het risico op botsingen met vogels te baseren op basis van de meest actuele informatie

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

2-7-2020

 
 

Luchtvaartonderwerpen

 

29 665, nr. 389 verzoekt de regering, elk halfjaar een voortgang van het verbeterprogramma van de SAR aan de Kamer voor te leggen

Parlementair agenda punt

In uitvoering

 

02-07-2020 Luchtvaartonderwerpen

 
Tabel 142 Door bewindslieden gedane toezeggingen

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken

De Kamer ontvangt in 2018 de evaluatie van de 50/50% financiering tussen Rijk en waterschappen van het Hoogwaterbeschermingsprogramma

AO Waterkwantiteit

De Kamer ontvangt in 2018 de evaluatie van de 50/50% financiering tussen Rijk en waterschappen van het Hoogwaterbeschermingsprogramma:

20-6-2011

In het NWP (p. 70, 2e kolom vanaf regel 20) is al aan de Tweede Kamer gemeld dat de evaluatie van de afspraken over de financiering is uitgesteld tot 2023.

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

Tabel 143 Subsidies (bedragen x 1.000 euro)

Art.

 

Naam Subsidie (regeling)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Laatste evaluatie1

Volgende evaluatie (jaartal)1

Einddatum Subsidie (regeling)2

 

Artikel 11 Integraal Waterbeleid

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's: Partners voor Water 4 (HGIS)

4.167

1.500

500

0

0

0

0

nvt

2021

2021

 
  

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland - Uitvoeringskosten subsidieregeling stedelijke delta's

2.525

2.104

2.000

0

0

0

     
  

Tijdelijke subsidieregeling IGRAC 2016-2021

400

400

400

0

0

0

0

2016

2021

2021

 
  

Subsidieregeling voor Ontwikkelingssamenwerking (Unie van Waterschappen, Blue Deal)

1.200

2.900

1.400

0

0

0

0

    
  

Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018 tot en met 2022

0

1.297

0

0

0

0

0

nvt

2022

2022

 
 

Overig

            
  

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland - Programma Partners voor Water 4 (HGIS)

4.784

10.102

11.101

8.802

8.802

8.802

8.802

(5)

 

Begroting

            
  

Provincie Friesland - Regiecollege Waddengebied

67

65

65

65

65

65

65

2014

**

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 11.01 Algemeen Waterbeleid

556

243

62

0

0

0

0

*

*

 
  

Stichting Deltares - Bouw GeoCentrifuge

1.030

1.040

0

0

0

0

0

*

*

 
  

Incidentele subsidies 11.04 Waterkwaliteit

0

3

4

0

0

0

0

*

*

 
  

Totaal artikel

14.729

19.654

15.532

8.867

8.867

8.867

8.867

    

Artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

             
 

Regeling

           
  

Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018 tot en met 2022

6.341

5.961

6.186

4.611

4.611

4.161

2.497

nvt

2022

2022

 
 

Besluit

           
  

Besluit financiële bepalingen bodemsanering - Bedrijvenregeling

8.578

3.551

12.806

14.141

17.369

11.363

9.150

2015

2020

2024

 
  

Besluit financiële bepalingen bodemsanering - Collectieve saneringen

850

850

850

850

850

850

850

2015

2020

2024

 
  

Totaal artikel

15.769

10.362

19.842

19.602

22.830

16.374

12.497

    

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling Fietsersbond

581

600

600

600

600

600

600

2016

2021

2021

 
  

Subsidieregeling Dutch Cycling Embassy 2019

144

125

125

112

13

0

0

nvt

2021

2021

 
  

Subsidieregeling SWOV, TeamAlert en Veilig Verkeer Nederland 2019 - VVN

3.849

4.279

3.862

3.862

3.862

3.862

3.862

2017

2023

2023

(3)

  

Subsidieregeling SWOV, TeamAlert en Veilig Verkeer Nederland 2019 - SWOV

3.986

4.093

3.978

3.978

3.978

3.978

3.978

2017

2023

2023

(3)

  

Subsidieregeling SWOV, TeamAlert en Veilig Verkeer Nederland 2019 - Team Alert

750

1.041

790

790

790

790

790

2017

2023

2023

(3)

  

Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport

14.143

16.305

10.250

1.000

500

250

0

nvt

2022

2021

(11)

  

Tijdelijke subsidieregeling Kennisnetwerk SPV 2020–2024

560

740

740

740

740

740

740

nvt

   
  

Subsidieregeling LNG

0

1.000

1.000

1.000

0

0

0

nvt

   
  

Subsidieregeling Elektrische personenauto's particulieren

0

17.200

27.900

0

0

0

0

nvt

2025

2025

 
 

Begroting

            
  

St. Wandelnet

338

275

250

250

250

25

0

**

**

 
  

St. Fietsplatfom

433

250

250

250

250

25

0

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 14.01 Netwerk

1.442

244

74

68

68

68

69

*

*

 
  

Incidentele subsidies 14.02 Veiligheid

667

90

0

0

0

0

0

*

*

 
  

Totaal artikel

26.892

46.242

49.819

12.650

11.051

10.338

10.039

    

Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

             
 

Wet

            
  

NS - Intercityverbinding Dordrecht-Breda

760

1.440

0

0

0

0

0

   

(8)

 

Regeling

           
  

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten

1.210

2.879

2.817

2.879

879

0

0

2020

 

2022

 
  

Prorail - Uitvoeringskosten subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten

121

121

121

121

121

0

0

    
  

Tijdelijke subsidieregeling Stichting Rocov Fryslân inzake consumenteninspraak Friese Waddenveren 2017–2021

12

12

12

12

12

12

12

nvt

2021

2021

 
  

Tijdelijke subsidieregeling Stichting CROW inzake OV-Klantenbarometer 2018–2022

240

252

252

252

212

212

212

nvt

2022

2022

 
  

Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor

14.400

14.835

15.040

13.819

12.497

0

0

nvt

 

2023

 
  

Prorail - Uitvoeringskosten subsidieregeling stimulering spoorgoederenvervoer

121

121

121

121

121

0

0

    
  

Subsidieregeling DOVA

0

250

250

250

0

0

0

    
 

Begroting

           
  

Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (ROVER) - OV-loket 2019-2021

330

320

320

320

320

320

320

**

**

 
  

Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (ROVER) - Beleidsondersteuning 2016-2018; 2019-2021

283

285

285

226

226

226

226

**

**

 
  

Verkeersverbund Rhein-Ruhr - exploitatie Regional Expres 13

250

250

250

250

250

250

250

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

NS Reizigers BV - Sociale Veiligheid

2.000

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

NS- Samenloop Twente

2.000

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

NS - Beschikbaarheid OV

0

1.488.000

0

    

*

*

 
  

Incidentele subsidies 16.01 Spoor

224

15

15

77

74

74

74

*

*

 
  

Totaal artikel

21.951

1.508.780

19.483

18.327

14.712

1.094

1.094

    

Artikel 17 Luchtvaart

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling KDC (Knowledge Development Centre)

36

39

39

39

39

39

39

2017

2022

2022

 
  

Regeling Bijdrage onderwerken graanresten

1.441

1.617

1.835

1.835

0

0

0

2016

2022

2022

 
 

Begroting

           
  

Bijdrage Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) / Omgevingsraad Schiphol (ORS)

264

270

270

270

270

270

271

**

**

 
  

Bijdrage commissies regionaal overleg burgerluchthavens van nationale betekenis

140

143

248

178

178

178

178

**

**

 
  

St. Bevordering Kwaliteit Leefomgeving Schipholregio - Leefomgeving Schiphol

1.000

407

407

0

0

0

0

**

**

 
  

Stichting Klachtentelefoon Luchtverkeer Zuid-Limburg - klachtenbehandeling AWACS-Geilenkirchen, Weeze-Niederrhein en Luik-Bierset

75

75

75

75

75

75

75

**

**

 
  

Stichting Avi-Assist - Luchtvaartveiligheid Zuidoost Afrika

50

51

51

51

0

0

0

**

**

 
  

Dutch Caribbean Air Navigation Service Provider N.V. - Luchtverkeersdienstverlening Bonaire

649

747

425

425

0

0

0

**

**

 
  

St. Leefbaarheid Luchthaven Eindhoven - Leefbaarheidsfonds Eindhoven

0

0

50

50

50

50

0

**

**

 
  

St. Abrel - Bewonersbelangen

0

50

0

0

0

0

0

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 17.01 Luchtvaart

298

216

3.291

2.578

3

3

3

*

*

 
  

Totaal artikel

3.955

3.615

6.691

5.501

615

615

566

    

Artikel 18 Scheepvaart en havens

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart

29

0

0

0

0

0

0

2018

nvt

2017

 
  

Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 2018-2019

1.399

4.000

11.600

14.000

16.000

16.000

5.000

2018

2020

2019

 
  

Tijdelijke subsidieregeling NWO onderzoek Topsector Logistiek 2017-2021

4.104

1.795

0

0

0

0

0

nvt

2021

2021

(4)

  

Subsidieregeling verduurzaming binnenvaart

0

5.440

0

0

0

0

0

nvt

   
 

Begroting

            
  

St, Waterrecreatie Nederland - Basisvisie Recreatietoervaart Nederland

0

0

400

0

0

0

 

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 18.01 Scheepvaart en Havens

224

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

Totaal artikel

5.756

11.235

12.000

14.000

16.000

16.000

5.000

    

Artikel 19 Uitvoering Internationaal- en Milieu Beleid

             
 

Regeling

           
  

Rijkscofinancieringsregeling Interreg V

200

449

245

247

247

247

247

nvt

2020

2020

 
  

Projectstimuleringsregeling Interreg V

37

0

0

0

0

0

0

nvt

2020

2020

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 19.02 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

55

31

6

0

0

0

0

*

*

 
  

Totaal artikel

292

480

251

247

247

247

247

    

Artikel 21 Duurzaamheid

             
 

Regeling

           
  

Tijdelijke subsidieregeling Milieu Centraal 2018–2021

1.500

629

629

629

629

629

629

2015

2020

2021

 
  

Subsidieregeling SMK 2018

20

0

0

0

0

0

0

2014

2020

2018

 
  

Regeling nationale EZ-subsidies -Bijlage 4.2.1 (Chemische recycling kunststoffen)

809

0

0

0

0

0

0

    
  

Subsidieregeling advies bij klimaatneutraal en circulair inkopen (AKCI)

925

0

0

0

0

0

0

nvt

2024

2023

 
  

Subsidieregeling Circulaire Economie

0

860

0

0

0

0

0

    
 

Begroting

            
  

TKI Click NL - Programma CIRCO

0

2.000

1.000

0

0

0

0

**

**

 
  

Stichting Repair Cafe's - Infrastructuur voor Repair

0

100

100

0

0

0

0

**

**

 
  

Het Groene Brein i.s.m. MVO Nederland - Versnellingshuis Nederland Circulair!

0

0

600

600

400

400

400

**

**

 
  

Stichting DSFW Foundation - Consumenteninformatie Duurzame Mode

0

0

30

0

0

0

0

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

Programma CIRCO en Nederland Circulair

2.986

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

IPO, VNG, UvW en Klimaatverbond - CO2-schaduwbeprijzing

1.853

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

Nederland Circulair - Versnellingshuis

540

600

0

0

0

0

0

*

*

 
  

St. Nationaal Testcentrum Circulaire Plastics - Realisatie en exploitatie van het Nationaal Testcentrum Circulaire Plastics

400

0

0

0

0

0

0

*

*

 
  

Incidentele subsidies 21.05 Duurzame Productketens

424

52.192

7.440

8.497

11.785

11.785

11.787

*

*

 
  

Totaal artikel

9.458

56.381

9.799

9.726

12.814

12.814

12.816

    

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico's

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling verwijderen asbestdaken

8.800

0

0

0

0

0

0

nvt

2020

2019

 
  

Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector

1.362

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

nvt

2021

2021

 
  

Subsidieregeling VeiligheidNL

143

180

180

180

180

180

180

nvt

2022

2022

 
  

Subsidieregeling restvoorraden vuurwerk

0

2.600

0

0

0

0

0

    
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 22.01 Veiligheid Chemische Stoffen

102

468

215

209

177

177

177

*

*

 
  

Incidentele subsidies 22.03 Veiligheid bedrijven en transport

810

2.929

684

707

716

717

718

*

*

 
  

Totaal artikel

11.217

8.177

3.079

3.096

3.073

3.074

3.075

    

Artikel 97 Algemeen Departement

             
 

Regeling

           
  

Subsidieregeling Urban Futures Studio

250

250

250

0

0

0

0

nvt

2023

2021

(12)

 

Begroting

           
  

NWO – Programma Smart Urban Regions of the Future (SURF)

750

750

0

0

0

0

0

**

**

 
  

Van Citters Beheer BV - Sanering Thermphos

5.000

6.759

0

0

0

0

0

**

**

 
 

Incidenteel

           
  

Incidentele subsidies 97.01 Algemeen Departement

0

0

474

502

502

502

502

*

*

 
  

Totaal artikel

6.000

7.759

724

502

502

502

502

    
              
  

Totaal Subsidies (regelingen)

116.018

1.672.685

137.220

92.518

90.711

69.925

54.703

    

Toelichting

(1) Een * in deze kolom betreft een incidentele subsidie, een ** een begrotingssubsidie. Voor deze subsidies geldt geen periodieke evaluatieplicht.

(2) Bij de subsidies die aangegeven zijn als Begrotingssubsidies en Incidentele Subsidies is geen einddatum aangegeven. Deze posten betreffen diverse subsidies die conform de Awb artikel 4:23 derde lid sub c en sub d worden verleend. Hieraan ligt derhalve geen subsidieregeling aan ten grondslag; een einddatum is niet aan de orde. Bij de Europese Regelingen zijn de evaluatiemomenten en einddatum niet van toepassing. Bij subsidies die rechtstreeks zijn gebaseerd op een formele wet is geen einddatum aangegeven omdat op grond van de vigerende Comptabiliteitswet 2001 geen horizonbepaling is verplicht.

(3) Nieuwe regeling, publicatie in de loop van 2020.

(4) De middelen voor deze subsidie hangen samen met het Klimaatakkoord.

(5) De programmamiddelen voor de programma's Partners voor Water worden op het subsidie-artikel verantwoord.

(8) Deze subsidie heeft, hoewel rechtstreeks gebaseerd op de Wet Personenvervoer 2000, een incidenteel karakter. Evaluatiemomenten zijn daarom niet opgenomen.

(11) Deze twee regelingen hebben vanwege het karakter van de regeling geen einddatum.

Bijlage 5: Overzicht evaluaties- en overig onderzoek

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen en Strategische evaluatieagenda

De rijksbrede operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’ is eind 2018 gestart vanuit de ambitie om de maatschappelijke impact van beleid te vergroten. De operatie is erop gericht om beter inzicht te krijgen in de resultaten van beleid, en aandacht voor samen leren en continu verbeteren. Een belangrijk nieuw instrument dat hieraan bijdraagt is de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Deze agenda vervangt op termijn de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen als uitgangspunt voor de agendering van evaluaties. Daarbij blijft uitdrukkelijk een doel om te borgen dat het gehele beleidsterrein van IenW periodiek op doeltreffendheid en doelmatigheid wordt geëvalueerd. Het besef bestaat bovendien dat met inzichten uit (instrument)evaluaties de kennisbasis verder wordt vergroot.

Het doel is om het inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid, maar ook (zoveel mogelijk in samenhang) met uitvoering en toezicht/handhaving verder te vergroten zodat de minister en de Staten-Generaal keuzes kunnen maken, zoals waarin te investeren en waarin niet (meer).

In de beleidsdoorlichtingen kon tot op heden niet altijd gerapporteerd worden over de bereikte doelmatigheid. Aan de voorkant, ex-ante, duidelijke indicatoren en verwachtingen opstellen en bij afwijking hiervan (ex durante) te rapporteren aan de Staten-Generaal draagt bij aan de transparantie en ook aan de kans dat achteraf uitspraken over doelbereik, doelmatigheid en doeltreffendheid kunnen worden gedaan. Cofinanciering is daarnaast een belangrijke indicator die ingezet kan worden voor allocatievraagstukken. Met indicatoren voor het financiële aspect van beleid wordt het inzicht in doelmatigheid vergroot. In de evaluatie van het Hoogwaterbeschermingsprogramma wordt geconstateerd dat ervaringscijfers (waaronder de werkelijk gemaakte kosten) en kengetallen bij de verdere operationalisatie van het begrip «doelmatigheid» van groot belang zijn. Het is aan te bevelen hiervoor een goede monitoring op te zetten en de opgehaalde gegevens breed te delen.

Evaluaties en doorlichtingen zullen gaandeweg bovendien meer een interdepartementaal karakter krijgen. Recent heeft IenW in samenwerking met het ministerie van Financiën, als onderdeel van de operatie Inzicht in Kwaliteit, de Publieke Waarde Scan (PWS) uitgevoerd voor het beleidsterrein circulaire economie, waarin ook de inspanningen van andere ministeries om de beoogde doelen te bereiken zijn meegenomen. Voor circulaire economie is al eerder een ex-ante evaluatie uitgevoerd en ex-durante zullen in opdracht van IenW door het PBL in samenwerking met andere kennisinstellingen vanaf 2021 integrale monitorrapportagers (ICER) worden gepubliceerd.

IenW levert voorts bijdragen aan de doorlichting van het klimaatbeleid teneinde antwoord te geven op evaluatievragen op systeemniveau. Dit moet in 2024 leiden tot bijstelling van het klimaatplan. Op dit moment wordt nog een nadere inventarisatie gemaakt van de geplande instrumentenevaluaties.

Door de corona-crisis is de ontwikkeling van een complete SEA verschoven naar de tweede helft van 2020. De SEA voorziet in een meerjarige programmering waarin de korte termijn minder ruimte en flexibiliteit biedt dan de langere termijn. Als startpunt voor de SEA is vooralsnog de huidige programmering als vertrekpunt aangehouden. De programmering zal nog verder worden toegesneden op de meest relevante beleidsthema’s. Het evalueren van de corona-maatregelen kan daarbij nog op specifieke aandacht rekenen, zoals de beschikbaarheidsvergoeding OV. Hierover is al medegedeeld dat over opzet en planning van de evaluatie van deze maatregel de Kamer nadere informatie zal ontvangen. Met een monitor wordt reeds de informatie vergaard om later aan een gerichte evaluatie invulling te kunnen geven.

De Tweede Kamer heeft ingestemd met het voorstel van de vaste commissie voor Financiën om de Minister van Financiën te verzoeken het onderwerp ‘toepassing van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016’ (CW 3.1) te benoemen als focusonderwerp voor de verantwoording over 2020. Minister Hoekstra heeft positief gereageerd op dit verzoek 41. Hij verwijst naar een pilot die loopt van 1 juni 2020 tot eind 2020 waarin Kamerbrieven over voorstellen met significante financiële gevolgen in de meeste gevallen voorzien zullen worden van een bijlage ‘Onderbouwing en evaluatie van het voorstel’.

Het Planbureau voor de Leefomgeving geeft tweejaarlijks de Balans van de Leefomgeving uit. In deze publicatie maakt het PBL de balans op over de staat van milieu, natuur en ruimte. De balans heeft een duidelijk raakvlak met de monitoring- en evaluatieambities van IenW. De website van de Balans bevat een overzicht van de kwantitatieve doelen die de Rijksoverheid voor de leefomgeving hanteert. Tevens bevat de website een evaluatie of deze doelen voor milieu, natuur of ruimte naar verwachting worden gerealiseerd na uitvoering van het vastgestelde beleid. Het is een belangrijk evaluatie instrument waarin wordt bekeken in hoeverre de leefomgevingskwaliteit die parlement en regering zich ten doel hebben gesteld, tijdig wordt bereikt. In de laatste uitgave van het rapport in 2018, concludeerde het PBL dat beleid op het vlak van klimaatverandering, landbouw & voedsel en een circulaire economie zich in een beslissende fase bevindt. De tweejaarlijkse Balans van PBL evalueert de beleidsterreinen van zowel het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, BZK (wonen en leefomgeving), EZK (energie en klimaat) als IenW. De eerstvolgende editie van de Balans verschijnt op 7 september 2020.

Planning op basis van beleidsonderdelen

Luchtvaart

Op basis van de definitieve Luchtvaartnota wordt eind 2020 een monitorings- en evaluatieplan opgeleverd. Het idee is om de monitoring- en evaluatieonderzoeken per publiek belang te organiseren. De ontwerp-Luchtvaartnota stelt vier publieke belangen centraal, Nederland veilig in de lucht en op de grond, Nederland goed verbinden, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en Nederland duurzaam. In het monitor- en evaluatieplan Luchtvaartnota, welke start in 2021, zal aandacht worden besteed aan governance en de monitoring en evaluatie van de capaciteit (verdeling) als resultante van het sturen op de vier publieke belangen. De ex durante evaluatieonderzoeken per publiek belang (en governance) worden naar verwachting opgeleverd in 2023. Dit is ruim twee jaar na het verschijnen van de Luchtvaartnota en halverwege de kabinetsperiode van de nieuw te vormen regering. De volgende beleidsdoorlichting van het artikel Luchtvaart staat gepland voor 2023-2024. Hiervoor worden zoveel mogelijk de evaluatieonderzoeken per publiek belang benut.

Mobiliteit

De uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de SEA worden onderschreven. De ambities op het gebied van SEA zijn hoog, en uitvoering hiervan moet gedegen gebeuren en kost daarmee tijd. Vandaar dat het startpunt voor de SEA in eerste instantie de huidige programmering blijft. Enerzijds omdat hier al rekening mee gehouden wordt, en anderzijds omdat 2023 ook nog genoeg ruimte biedt om in een volgende SEA verantwoord en waardevol invulling te geven aan de ambities op het gebied van mobiliteit.

Milieu

Op het gebied van Circulaire Economie is vanuit de kabinetsvisie op de circulaire economie het doel neergezet naar een volledige circulaire economie in 2050 te werken. Hiervoor is het kabinet gekomen met het uitvoeringsprogramma Circulaire Economie en is het PBL gevraagd een monitoringsprogramma te ontwikkelen om de transitie in kaart te brengen en te volgen. Onderdeel hiervan is een jaarlijkse rapportage van het PBL om te kunnen sturen op de doelen van het uitvoeringsprogramma circulaire economie. Daarnaast is zoals aangegeven in 2020 ook een Publieke Waarde Scan uitgevoerd op hetzelfde terrein. Zowel de Publieke Waarde Scan als de monitoring moeten ertoe leiden dat het gevoerde beleid tijdig geëvalueerd wordt en waar nodig bijgestuurd kan worden om zo optimaal mogelijk te werken aan de maatschappelijke doelstellingen geformuleerd door dit kabinet.

Ontwikkelparagraaf

Mobiliteit neemt een voorschot met de ontwikkelparagraaf, andere beleidsonderdelen zullen naar verwachting snel dit voorbeeld volgen. De eerste DGMo SEA is een kleine start voor hogere ambities. Dit biedt de kans om te leren van anderen, en dit schept ook de ruimte om de beleidsevaluatiefunctie anders in te richten en beter te verankeren in de organisatie. Met de realisatie van deze ontwikkeling kan vervolgens in de toekomst gedegen en waardevol invulling worden gegeven aan de ambities voor de SEA. Voor de SEA 2021 ziet het overzicht er als volgt uit:

Tabel 144 Overzicht evaluaties- en overig onderzoek

Artikel

Titel / Onderwerp

Start

Afronding

Toelichting

Artikel 11 - Integraal Waterbeleid

    

Thema: Integraal Waterbeleid

Beleidsdoorlichting: Integraal Waterbeleid

2020

2021

Het doel van het beleid ‘Integraal Waterbeleid’ is het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst. De doorlichting omvat het beleidsartikel 11 Integraal Waterbeleid en de daarbij horende uitvoeringsgelden uit het Deltafonds. Dit betreft met name middelen voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit.Stand van kennis:De laatste beleidsdoorlichtingen op het beleidsterrein van water dateren van 2014 (waterkwantiteit) en 2015 (waterkwaliteit), toen nog aparte begrotingsartikelen. In 2016 zijn deze begrotingsartikelen samengevoegd in het huidige beleidsartikel 11: Integraal Waterbeleid.Kennisbehoefte:Er is behoefte om het beleidsterrein opnieuw te onderzoeken op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde beleid.

 

Evaluatie Subsidieregeling HWBP

2019

2020

Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) staat voor de belangrijke maatschappelijke opgave om de waterveiligheid van Nederland te borgen. Het is een gezamenlijk programma van waterschappen en het Rijk, waarbij ieder 50 / 50 meebetaalt aan de dijkrekening. Vanaf 2014 is het HWBP en de wijze waarop de maatregelen via een regeling worden bekostigd vernieuwd. Deze Regeling subsidies Hoogwaterbescherming is sinds 1 april 2014 van kracht.Stand van kennis:De Tweede Kamer heeft in maart 2020 de evaluatie ontvangen (TK 32698, nr. 50).

 

Eindrapportage over de monitoring van de doelmatigheidswinst BAW

2021

2021

Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) sloten in 2011 het Bestuursakkoord Water (BAW). Daarin is onder meer afgesproken om de doelmatigheid van het waterbeheer te vergroten en te streven naar een doelmatigheidswinst die geleidelijk oploopt tot jaarlijks € 750 miljoen.Stand van kennis:Jaarlijks wordt de Tweede Kamer via de Staat van ons Water geïnformeerd over de voortgang van de beoogde doelmatigheidswinst. Driejaarlijks wordt gerapporteerd over de prestaties én wordt de prognose gecorrigeerd voor autonome ontwikkelingen.Kennisbehoefte:Met de eindrapportage over de monitoring van de doelmatigheidswinst BAW in 2021 wordt bezien of de beoogde doelmatigheidswinst uit het BAW is bereikt.

 

Ex ante evaluatie van de Nederlandse plannen voor de KRW

2021

2021

De Kaderrichtlijn Water (KRW) verplicht de lidstaten eens in de zes jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP-en) vast te stellen. In het SGBP worden de ontwikkelingen in de waterkwaliteit, evenals de resterende opgaven en bijbehorende maatregelen geschetst.Stand van kennis:In het tweede kwartaal van 2020 is de Nationale analyse waterkwaliteit door het Planbureau voor de Leefomgeving afgerond en met de Tweede Kamer gedeeld. De analyse is gebaseerd op de voorlopige beleidsvoornemens en maatregelen van de waterbeheerder. Op basis hiervan worden besluiten genomen over het maatregelprogramma en ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen opgesteld en ter inzage gelegd. Het pakket landelijke en gebiedsgerichte maatregelen van de ontwerp-plannen vormt de basis voor de ex-ante evaluatie.Kennisbehoefte:Op het moment dat de Nationale analyse waterkwaliteit werd uitgevoerd waren de doelen nog niet definitief. Deels omdat kennis ontbrak (bij de brakke wateren) en deels omdat recente doelen geen onderdeel waren van het instrumentarium (moerasbeken). Het voorgestelde maatregelprogramma van regionale overheden betrof een eerste inschatting en rijksbeleid voor bijvoorbeeld meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen voor de periode vanaf 2022 was niet concreet. Deze kennis wordt vergaard en geactualiseerd, zodat in 2021 in ex ante evaluatie kan worden uitgevoerd.

 

Jaarlijkse voortgangsrapportage De Staat van Ons Water

Jaarlijks

 

Met de Staat van Ons Water wordt elk jaar gerapporteerd over de voortgang van het waterbeleid in het afgelopen kalenderjaar.Stand van kennis:Enkele mijlpalen uit 2020 die in het rapport voorbijkomen zijn: het eindrapport van de Beleidstafel Droogte; de start van de Programmatische Aanpak Grote Wateren; de start van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging; en het sluiten van de Green Deal Aquathermie.Kennisbehoefte:De Tweede Kamer heeft het rapport over 2019 in ontvangst mogen nemen op 20 mei 2020 (TK 27625, nr. 498).

 

Periodieke beoordeling van primaire waterkeringen: Rapportage eerste beoordelingsronde primaire waterkeringen

2017

2023

In 2017 zijn in de Waterwet nieuwe normen voor primaire waterkeringen vastgelegd die uitgaan van overstromingskansen. Van 2017 tot en met 2022 zijn de beheerders van de primaire keringen (waterschappen en Rijkswaterstaat) bezig om te beoordelen of de waterkeringen voldoen aan deze normen. Op basis van deze eerste Landelijke Beoordelingsronde (LBO-1) wordt een landelijke rapportage opgesteld die uiterlijk eind 2023 naar de Eerste en Tweede Kamer wordt gestuurdStand van kennis:De rapportage zal een beeld moeten geven in hoeverre de primaire keringen voldoen aan de normen.

 

Beoordeling jaarlijkse kustlijn t.o.v. de Basiskustlijn

Jaarlijks

 

Rijkswaterstaat berekent jaarlijks aan de hand van de jaarlijkse kustmetingen en de trend van de afgelopen jaren (maximaal tien jaar) of de kust voldoet aan de BKL.Stand van kennis:Met een dergelijke jaarlijkse berekening wil Rijkswaterstaat tijdig een structurele kustachteruitgang langs de Nederlandse kust signaleren en daar, als dat nodig is, naar handelen.

 

Jaarevaluatie drinkwatertarieven

Jaarlijks

 

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt in het kader van de doelmatigheid van de drinkwaterbedrijven toezicht op de totstandkoming van de drinkwatertarieven en op de bedrijfsverslagen van de drinkwaterbedrijven. Deze geven inzicht in de kostenopbouw van de drinkwatertarieven en het gerealiseerde bedrijfsresultaat over de wettelijke drinkwater-activiteiten.Stand van kennis:De 10 bedrijfsverslagen beschikken over een goedkeurende verklaring van een registeraccountant en geven inzicht in de kosten, waaronder de vermogenskosten, opbrengsten en activawaarden over het jaar 2018. Daarmee voldoen de 10 bedrijfsverslagen aan alle eisen die de Drinkwaterwet hieraan stelt. Het gewogen gemiddelde van de gerealiseerde vermogenskosten voor de gehele drinkwatersector bedraagt 3, 19%. In 2018 hebben twee drinkwaterbedrijven de WACC (de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet) van 3, 4% overschreden. Drinkwaterbedrijven mogen niet meer dan 1 procent van het rendement inzetten voor het bevorderen van de drinkwatervoorziening in het buitenland, en daarmee bij te dragen aan SDG 6 (Sustainable Development Goal Schoon Water en Sanitair). Het gemiddelde kostenpercentage van de drinkwaterbedrijven over 2018 is 0, 49%. Dit is een lichte stijging ten opzichte van 2017 (0, 43%). Drinkwaterbedrijven kunnen, naast de activiteiten in het kader van de openbare drinkwatervoorziening, ook niet-wettelijke (economische) activiteiten uitvoeren. Deze activiteiten zijn gebonden aan een aantal wettelijke eisen. Het gemiddelde gewogen rendement op niet-wettelijke activiteiten is voor de sector 5, 5%. Uit het bedrijfsverslag blijkt dat WMD Drinkwater (Waterleidingmaatschappij Drenthe) over 2018 een negatief rendement heeft behaald van 68%.Kennisbehoefte:De drinkwaterbedrijven hebben de plicht om in hun verzorgingsgebied de drinkwatervoorziening te faciliteren. Omdat klanten niet de mogelijkheid hebben om een keuze te maken in de drinkwaterleverancier geeft de Drinkwaterwet de grenzen aan waarbinnen de drinkwaterbedrijven mogen opereren. De ILT ziet daarop toe, en rapporteert daarover naar de Tweede Kamer, zie ook: https: / / www.tweedekamer.nl / kamerstukken / brieven_regering / detail?id=2020Z01930&did=2020D04089

 

Evaluatie van het grondwater instituut IGRAC

2021

2021

IGRAC is het wereldwijd opererend grondwater centrum van UNESCO en de World Meteorological Organisation. Grondwater vormt 95% van de totale drinkwatervoorraad op aarde, bijna de helft van de wereldse bevolking drinkt grondwater elke dag en rondom 40% van irrigatie komt van grondwater; echter is wereldwijd niet genoeg aandacht voor onzichtbaar grondwater met als gevolg een verslechtering van staat van grondwatervoorraden. Als enige mondiaal- en aan de VN gebonden grondwatercentrum heeft IGRAC een bijzondere rol bij ondersteuning van internationale samenwerking op het gebied van grondwaterkennisuitwisseling en -verbetering, voornamelijk in het geval van internationaal gedeelde grondwatervoorraden. IGRAC is met een subsidieregeling gesteund in de periode 2016-2022.Stand van kennis:De evaluatie wordt in 2021 uitgevoerd omdat de uitkomsten van de evaluatie dan in 2022 gebruikt kunnen worden in de besluitvorming over de mogelijke verlenging van het IGRAC-verdrag met UNESCO. Dergelijke verlengingsprocedures nemen tenminste een jaar in beslag.Kennisbehoefte:Er bestaat behoefte in inzage naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.

 

Evaluatie Versnellingstafels Delta-aanpak waterkwaliteit

2020

2021

De Delta-aanpak richt zich op alle belangrijke bronnen voor waterverontreiniging: landbouw, stedelijk afvalwater en industrie. Uiterlijk in 2027 moet Nederland de maatregelen hebben genomen, die ervoor moeten zorgen dat de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) bereikt kunnen worden. Doel van de bestuurlijke versnellingstafels is om een extra verdieping en impuls te geven aan de prioriteiten van de Delta-aanpak.Stand van kennis:De Tweede Kamer is voorafgaand aan het AO Water van juni 2020 geïnformeerd over de evaluatie (PM TK nr).Kennisbehoefte:De evaluatie richt zich op de opgaven die er komende jaren nog zijn, op welke manier dit opgepakt kan worden, en welke rol de versnellingstafels daar eventueel nog bij kunnen vervullen. Dit wordt in samenhang gedaan met de bredere inventarisatie van de wateroverleggen onder de Stuurgroep Water.

Artikel 13 - Bodem en ondergrond

    

Thema: Bodem en ondergrond

Beleidsdoorlichting: Bodem en ondergrond

2019

2020

Het doel van het beleid ‘Bodem en ondergrond’ is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.Stand van kennis:Voor ‘Bodem en ondergrond’ is in 2014 de laatste beleidsdoorlichting uitgevoerd.Kennisbehoefte:Er was behoefte om het beleid wederom door te lichten. De beleidsdoorlichting zal eind 2020 worden opgeleverd.

 

Beleidsevaluatiee Kwaliteitsborging Bodem

2019

2020

Kwalibo (Kwaliteitsborging bij bodemintermediairs) is een deel van het Besluit bodemkwaliteit dat tot doel heeft de kwaliteit van de uitvoering van de regelgeving die bedoeld is om de bodem, grond- en oppervlaktewater te beschermen, te verbeteren.Stand van kennis:Het doel van de beleidsevaluatie is onderzoek te doen naar de werking en het doelbereik van de Kwalibo-regeling, een inventarisatie van de belangrijkste knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen.

Artikel 14 - Wegen en verkeersveiligheid

    

Wegen en verkeersveiligheid

Ex-post beleidsdoorlichting

2023

2024

Voor de beleidsdoorlichtingen zijn verschillende goede onderliggende evaluaties beschikbaar. Er wordt ook gewerkt aan een interdepartementale evaluatieagenda voor het klimaatbeleid, die landt in de SEA van EZK. In dit kader staan voor de sector Mobiliteit in het kader van het Klimaatakkoord verschillende instrumentevaluaties gepland.

Artikel 16 - Openbaar vervoer en spoor

   

OV en Spoor

Ex-post beleidsdoorlichting

2018

2018

Ex-ante

2018

2020

Contouren Toekomstbeeld OV 2040

Overig onderzoek

  
     

Artikel 19 - Uitvoering Milieubeleid en Internationaal

    

Thema: milieubeleid en internationaal

Beleidsdoorlichting: uitvoering milieubeleid en internationaal

2024

2025

Met het beleid ‘Milieubeleid en internationaal’ wordt gericht ingezet op internationale samenwerking met overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen om de klimaatweerbaarheid, duurzaam waterbeheer, slimme en groene mobiliteit en circulaire economie in binnen- en buitenland te versterken. Stand van kennis: Over het beleid ‘Milieubeleid en internationaal’ is in 2018 de laatste beleidsdoorlichting uitgebracht. Kennisbehoefte: Er is behoefte om in 2024 het beleid door te lichten.

Artikel 20 - Lucht en geluid

    

Thema: lucht

Beleidsdoorlichting: Luchtkwaliteit, het Schone Lucht Akkoord (SLA)

2025

2026

Het Schone Lucht Akkoord is een bestuurlijjke overeenkomst tussen het Rijk en de decentrale partners (provincies en gemeenten), en is gericht op het realiseren van gezondheidswinst voor alle burgers door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit verdergaand dan de EU-normen voor luchtkwaliteit. Hierbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden in 2030.Stand van kennis:Voor luchtkwaliteit is in 2019 de beleidsdoorlichting Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) uitgebracht. Het NSL loopt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Schone Lucht Akkoord is op 13 januari 2020 van start gegaan en loopt tot 2030. Kennisbehoefte: Er is behoefte om vijf jaar na de start van het Schone Lucht Akkoord, het beleid door te lichten.

 

Monitoring Schone Lucht Akkoord (SLA)

Ten minste eens per drie jaar vanaf 2020

 

Zie hiervoor bij beleidsdoorlichting: Luchtkwaliteit, het Schone Lucht Akkoord (SLA). Stand van kennis: Ten minste eens per drie jaar vindt een monitoring van plaats van het SLA.

 

Jaarlijkse monitoringsrapport NSL

Jaarlijks

T/m 2022

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken het Rijk en de decentrale overheden samen om de (resterende) overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit op te lossen. Het doel is dat Nederland overal aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldoet, en de periode van eventuele overschrijdingen zo kort als mogelijk voortduurt. Het NSL loopt tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Stand van kennis: De monitoringsrapportage NSL wordt jaarlijks opgesteld. Kennisbehoefte: Er is behoefte aan jaarlijks inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland. Voor de monitor van 2019: https: / / www.rivm.nl / publicaties / monitoringsrapportage-nsl-2019-stand-van-zaken-nationaal-samenwerkingsprogramma

Thema: geluid

Beleidsdoorlichting: geluid

2022

2022

Het doel van het beleid ‘Geluid’ is het bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door geluidhinder te voorkomen of te beperken. Hierbij ligt een belangrijke focus op geluidsanering, het aanpakken van knelpunten bij woningen met de hoogste geluidbelastingen. Stand van kennis: De doorlichting is eerder aangekondigd voor de jaren 2021-2022 in vervolg op de laatste doorlichting in 2016. In 2022 treedt de Omgevingswet in werking en verandert de wet en regelgeving inhoudelijk. Kennisbehoefte: Een beleidsevaluatie in 2021 kan geen doorwerking meer hebben in de regels zoals die per 1-1-2022 van kracht gaan worden. Gegeven de inwerkingtreding van nieuwe regels voor de geluidsanering in 2022 kan op dat moment wel teruggekeken worden op de resultaten die bereikt zijn (ex-post) onder het bestaande recht (Wet geluidhinder). Een doorlichting gericht op evalueren van de werking van het nieuwe stelsel voor geluidsanering kan dan in 2027 plaatsvinden, in lijn met de voor dat moment geplande bredere evaluatie van de Omgevingswet.

Art 21 - Duurzaamheid

    

Thema: duurzaamheid

Beleidsdoorlichting: Duurzaamheid

2020

2021

Het doel van het beleid ‘Duurzaamheid’ is het bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van natuurlijke hulpbronnen, zicht op de economische keten en op het gebruik van hulpbronnen, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen, het verminderen van emissies en het versterken van de Nederlandse economie. Daarmee levert de circulaire economie een belangrijke bijdrage aan het klimaatbeleid.Stand van kennis:De vorige beleidsdoorlichting van dit beleidsartikel is aan de Tweede Kamer gezonden in 2014. De voornaamste aanbeveling was het artikel te concentreren op het realiseren van een circulaire economie als onderdeel van een duurzame samenleving, en op de facilitering en ondersteuning van duurzaamheid door de ontwikkeling van nieuwe concepten en instrumenten voor duurzaamheid. Voorts is in 2018 een evaluatie van het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) aan de Tweede Kamer gezonden (PM link) en de Tweede Kamer zal de hierna genoemde pilot Publieke Waarde Scan (PWS) in het najaar van 2020 ontvangen.Kennisbehoefte:De Tweede Kamer heeft behoefte aan beleidsdoorlichting van het beleid naast de hierna genoemde pilot Publieke Waarde Scan (PWS). Het accent bij de beleidsdoorlichting ligt op onderwerpen die niet aan de orde komen in de PWS, zoals duurzame agro.

 

Onderzoek naar doeltreffendheid: Pilot Publieke Waarde Scan (PWS) naar het RPCE

2020

2020

Het Rijksbrede Programma Circulaire Economie (RPCE) betreft nog een jong beleidsterrein waaraan ook andere departementen meewerken (BZK, EZK en LNV).Stand van kennis:In 2017 is er een ex ante evaluatie van het RPCE uitgevoerd door TNO en onder leiding van het PBL is een doorlopend programma voor monitoring in gang gezet.Kennisbehoefte:Deze Publieke Waardescan (PWS) is een pilot in het kader van het traject Inzicht in Kwaliteit. Er is behoefte om - naast terug te kijken - ook vooruit te kijken en duidelijk te krijgen welke verbeteringen en vervolgstappen aan de orde zijn.

 

Jaarlijks monitoringsrapport Circulaire Economie

Jaarlijks

 

Het kabinet streeft naar een volledig circulaire economie in 2050, met als tussendoelstelling de halvering van het gebruik van primaire abiotische grondstoffen in 2030. Het kabinet heeft het PBL verzocht om op te treden als rekenmeester van de transitie naar een circulaire economie. Om de koers naar 2050 te kunnen monitoren en evalueren, werkt het PBL samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden (CML), het Centraal planbureau (CPB), het RIVM, RVO.nl, Rijkswaterstaat, TNO en de Universiteit Utrecht.Stand van kennis:Het werkprogramma dat hieraan ten grondslag ligt, wordt elk jaar bijgesteld op de nieuwe kennisbehoefte. Zie ook: https: / / www.pbl.nl / monitoring-circulaire-economie / publicaties, TK 32852, nr. 115.

 

Evaluatie verbod op gratis plastic draagzakken

2019

2020

In januari 2019 heeft de staatssecretaris toegezegd het verbod op gratis plastic draagtassen te zullen evalueren. Ter uitvoering van de evaluatie heeft het onderzoeksbureau I&O Research door middel van enquêtes informatie opgehaald bij ondernemers en consumenten.Stand van kennis:De evaluatie is afgerond en gedeeld met de tweede kamer (TK 32852, nr. 113). De evaluatie geeft inzicht in het aantal plastic draagtassen dat nog verstrekt wordt, hoe het verbod beleefd wordt door ondernemers en consumenten, en in welke mate het verbod goed wordt nageleefd. Ook is ter uitvoering van een motie van het lid Krijger (TK 21501-08, nr. 749) gekeken naar maatregelen die in het buitenland worden genomen om het gebruik van plastic draagtassen terug te dringen. De cijfers met betrekking tot het aantal draagtassen dat in Nederland op de markt wordt gebracht worden gebruikt voor de Nederlandse rapportage aan de Europese Commissie over de Europese Carrier Bag Directive.Kennisbehoefte:De evaluatie heeft de benodigde informatie opgeleverd.

Art 22 - Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

    

Thema: omgevingsveiligheid en Milieurisico's

Beleidsdoorlichting: Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

2024

2025

Het doel van het beleid ‘Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s’ is het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren. In alle hierna opgenomen beleidsevaluaties vallend binnen artikel 22 dienen ter ondersteuning van deze beleidsdoorlichting.Stand van kennis:Over het beleid ‘Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s’ is eind 2018 uitgebracht (TK 32 861 nr. 42). Eén van de aanbevelingen daarvan was om voor de volgende doorlichting te zorgen voor meer kwantitatief evaluatiemateriaal.Kennisbehoefte:Er is behoefte om in 2024 het beleid wederom door te lichten

Thema: veiligheid bedrijven

Evluatie safety deals

2020

2020

Het doel van de regeling Safety Deals is sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2016 het ondersteunen van initiatieven die bijdragen aan een blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen.Stand van kennis:De regeling is nog niet eerder geëvalueerd.Kennisbehoefte:De evaluatie gaat in op de resultaten van de afgesloten deals in relatie tot de doelstelling van de subsidieregeling. Aan de hand van de evaluatie wordt bepaald of en hoe de regeling wordt voortgezet.

 

Tweejaarlijkse evaluatie VTH (Vergunningen, Toezicht, Handhaving)

2021

2022

De Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) bevat de afspraken tussen het Rijk, de provincies en de gemeenten om de vergunning¬verlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht beter te organiseren.Stand van kennis:Als opgenomen in de wet VTH, wordt iedere twee jaar de uitvoering van VTH geëvalueerd aan de hand van wettelijk vastgestelde kwaliteitscriteria.Kennisbehoefte:De uitkomsten van de evaluatie worden gebruikt om waar nodig verbeteringen in (de uitvoering van) het stelsel door te voeren.

 

Adviescommissie VTH

2020

2021

In juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de instelling van een onafhankelijke commissie voor advies over het functioneren van het stelsel voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) in het milieudomein (PM TK nr.). Dit komt mede voort uit de Milieuvisie.Stand van kennis:Er is niet eerder door een vergelijkbare, zware commissie naar het stelsel voor VTH gekeken.Kennisbehoefte:Er is behoefte aan een advies over de vraag hoe te komen tot slagvaardiger, effectiever en toekomstbestendiger VTH-stelsel.

 

Evaluatie programma duurzame veiligheid 2030

2021

2021

Het programma Duurzame Veiligheid 2030 streeft naar een vitale (petro)chemische industrie zonder noemenswaardige incidenten te bewerkstelligen per 2030. Partners uit het bedrijfsleven, overheid en wetenschap werken hiertoe samen in vijf roadmaps.Stand van kennis:Het programma Duurzame Veiligheid 2030 wordt in 2021 na 4 jaar afgerond.Kennisbehoefte:De evaluatie gaat in op de vraag of het hoofddoel en de subdoelen (per roadmap) van het programma zijn gerealiseerd middels de inzet van dit programma.

 

Evaluatie programma modernisering omgevingsveiligheid (MOV)

2021

2022

Anticiperend op de aanstaande Omgevingswet is het programma Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV) opgezet. Het programma MOV heeft onderzoek gedaan naar de behoeftes ten aanzien van omgevingsveiligheid van bestuurders van gemeenten, provincies, omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s en gezondheidsdiensten.Stand van kennis:Dit is de eerste evaluatie van het programma.Kennisbehoefte:De evaluatie van het programma MOV gaat enerzijds in op de vraag of de gestelde doelen van het programma zijn bereikt en anderzijds op de vraag wat nog nodig is vanuit het ministerie van IenW voor de implementatie van de modernisering bij de inwerking treden van de Omgevingswet.

Thema: chemische stoffen:

Beleidsevaluatie Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

2021

2022

Chemische stoffen die volgens Europees vastgelegde criteria kwalificeren als ZZS (Zeer Zorgwekkende Stoffen) verdienen en krijgen extra aandacht in het beleid. Blootstelling van mens en milieu aan deze stoffen moet voorkomen worden en waar dat niet mogelijk is binnen de grens van acceptabele risico’s blijven. Het beleid is daarom gericht op het in beeld brengen en minimaliseren van de emissies van ZZS.Stand van kennis:In 2016 en 2017 is in Kamerbrieven (TK 28089 nr. 47 en TK 28663 nr. 66) een aanpak geschetst om ZZS beter in beeld te krijgen en de blootstelling aan ZZS te verminderen. In de jaren daarna is dat beleid vormgegeven, waarbij acties zijn ingezet op Europees, nationaal en decentraal niveau. In 2021 is een groot aantal van die acties afgerond. Er is geen eerdere evaluatie van deze aanpak van ZZS uitgevoerd. De vorige beleidsdoorlichting deed de aanbeveling om, samen met andere overheden en het bedrijfsleven, de aanpak van ZZS voort te zetten.Kennisbehoefte:De evaluatie gaat na in hoeverre de gestelde doelen bereikt zijn.

 

Beleidsevaluatie Biociden

2023

2024

Het beleid ‘Biociden’ is erop gericht dat biociden, middelen waarmee schadelijke of ongewenste organismen kunnen worden bestreden, werkzaam zijn en veilig voor mens en milieu worden toegepast. Hierbij wordt harmonisatie in Europa nagestreefd. Met de inwerkingtreding van de Europese biocidenverordening in 2012 is veel veranderd. Omdat de uitgangssituaties in de EU-lidstaten verschillend was, is in de EU nu nog een overgangs-regime van toepassing. Nederland heeft het hier al bereikte beschermingsniveau in die periode niet verlaagd.Stand van kennis:In 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van dit beleid naar aanleiding van de door de Europese Commissie uitgevoerde Fact Finding Mission (TK 27858 nr. 510).Kennisbehoefte:De beoordeling en goedkeuring van werkzame stoffen onder de biocidenverordening gebeurt in een (Europees) werkprogramma. Zolang een werkzame stof in een biocide nog niet volgens dit programma is goedgekeurd, dan geldt daarvoor de nationale wetgeving. Er is behoefte om rond de afronding van het programma het Nederlandse biocidenbeleid, inclusief de toezichts- en handhavingsfunctie en de inzet op Europese harmonisatie, te evalueren.

 

Evaluatie REACH

2021

2023

Periodiek vindt een evaluatie plaats van het belangrijkste Europese kader voor chemische stoffen, REACH. REACH regelt de veilige toelating van chemische stoffen tot de Europese markt, en heeft tot doel mens en milieu te beschermen èn de concurrentiekracht van de Europese chemische industrie te vergroten.Stand van kennis:In 2018 vond de vorige evaluatie plaats (TK 22112 nr. 2561). De conclusie was dat REACH de gewenste resultaten behaalde, maar niet in het gewenste tempo.Kennisbehoefte:Er is behoefte om, conform Europese afspraken, de volgende evaluatie in 2023 af te ronden.

Thema: biotechnologie

Beleidsevalautie Biotechnologie

2022

2023

De modernisering van het Biotechnologie beleid en de daarmee samenhangende (internationale) regelgeving is in 2017 gestart met brede maatschappelijke betrokkenheid naar aanleiding van de publicatie van de Trendanalyse Biotechnologie (WRR, COGEM, Gezondheidsraad; 2016). In de periode 2017-2020 zijn diverse maatregelen genomen om een toekomstbestendig beleid in te richten dat effectief en efficiënt is. Periodiek vindt een evaluatie plaats van het belangrijkste Europese kader voor chemische stoffen, REACH.Stand van kennis:In 2019 vond de vorige evaluatie plaats.Kennisbehoefte:Sinds de vorige evaluatie zijn, mede door de COVID-19 uitbraak, initiatieven genomen, o.a. door de Europese Commissie, om de internationale regelgeving te harmoniseren. In 2022 zal gestart worden met de evaluatie van het (al dan niet) gewijzigde beleid. Onderdeel van die evaluatie zal een nieuwe Trendanalyse zijn (op te stellen door COGEM en Gezondheidsraad).

 

Evaluatie Cogem

2020

2021

De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) informeert en adviseert de regering over genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). Het is wettelijk verplicht om een 4-jaarlijkse evaluatie uit te voeren van het adviesorgaan inzake biotechnologie.Stand van kennis:Vier jaar geleden vond de laatste evaluatie plaats.Kennisbehoefte:Er is behoefte om eens per vier jaar een evaluatie uit te voeren.

Thema: vervoer gevaarlijke stoffen

Jaarlijkse evaluatie uitvoering Basisnet

Jaarlijks

 

Jaarlijks wordt de uitvoering van het Basisnet (weg, water, spoor) gemonitord aan de hand van de gerealiseerde vervoersbewegingen van gevaarlijke stoffen over de routes van het Basisnet in het voorgaande jaar. Dit is een wettelijke verplichting.Stand van kennis:Een overzicht van de gerealiseerde vervoersbewegingen van gevaarlijke stoffen in 2019 over weg, water en spoor is middels een brief (juli 2020) aan de Tweede Kamer aangeboden (PM TK nr). Daarin zijn ook de overschrijdingen van het wettelijk basisbeschermingsniveau en de vastgelegde risicoplafonds aangegeven.Kennisbehoefte:De uitkomsten over het wel of niet overschrijden van het wettelijk basisbeschermingsniveau als ook de vastgelegde risicoplafonds zijn de maat voor de evaluatie van de uitvoering van de Basisnet regelgeving.

 

Evaluatie uitkomsten Programma Robuust Basisnet

2023

2024

Het in 2020 gestarte programma Robuust Basisnet, dat tot doel heeft om de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen te verhogen en om de leefomgeving rondom de transportroutes te verbeteren, zal in 2023, als ook nieuwe prognoses voor 2033 worden gemaakt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor, worden geëvalueerd.Stand van kennis:Het programma is in 2020 gestart en nog niet geëvalueerd.Kennisbehoefte:In de evaluatie zal de vraag centraal staan of de genomen of voorgenomen maatregelen in de periode 2020-2023 het gewenste effect hebben bereikt of gaan bereiken. Kosteneffectiviteit zal daarbij een aandachtspunt zijn.

Thema: asbestbeleid

Evaluatie subsidieregeling Verwijderen asbestdaken

2020

2020

De Subsidieregeling Verwijdering Asbestdaken had als oogmerk het verwijderen van asbestdaken te stimuleren.Stand van kennis:In 2020 wordt de subsidieregeling Verwijderen asbestdaken geëvalueerd.Kennisbehoefte:Er is behoefte de subsidieregeling Verwijderen asbestdaken te evalueren.

 

Evaluatie asbestbleid

2021

2023

Het asbestbeleid is erop gericht om asbestdaken als belangrijkste resterende bron van asbestvezels in de leefomgeving te saneren.Stand van kennis:In 2020 wordt de subsidieregeling Saneren asbestdaken geëvalueerd. Er is een Landelijke Asbestdakenkaart met het aantal m2 asbestdaken dat nog gesaneerd moet worden. Deze kaart wordt periodiek bijgewerkt.Kennisbehoefte:De evaluatie richt zich op de vraag in hoeverre met het beleid het doel (aanpak van asbestdaken, de grootste bron aan vezels in de buitenlucht) is bereikt, en welke beleidsvragen nog resteren.

Thema: veiligheid vurwerk

Evlauatie vuurwerkregeling

2021

2021

Betreft de voorgenomen compensatieregeling voor het vergoeden van schade aan ondernemers in verband met de nieuwe regels omtrent vuurwerk. Stand van kennis: De compensatieregeling moet nog worden opengesteld. Kennisbehoefte: De evaluatie van de compensatieregeling vuurwerk gaat bezien of de gestelde doelen (o.m. van de motie die aan de regeling ten grondslag ligt, TK 28684, nr. 605) worden behaald en of de regeling succesvol is.

Thema: milieu-informatie

Evaluatie Atlas Leefomgeving

2021

2023

De Atlas Leefomgeving beoogt actuele en relevante milieu-informatie op eenvoudige en geïntegreerde wijze te ontsluiten voor professionals en het brede publiek.Stand van kennis:De Atlas Leefomgeving is nog niet geëvalueerd. De vorige beleidsdoorlichting over het beleid ‘Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s’ die eind 2018 is uitgebracht (TK 32 861 nr. 42) beveelt aan de doelmatigheid verder te verbeteren.Kennisbehoefte:De evaluatie is er op gericht te bezien of de Atlas tegemoet komt aan maatschappelijke behoefte en op de efficiency van het beheer.

De SEA vervangt op termijn de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen als uitgangspunt voor de agendering van evaluaties. Omdat 2021 een overgangsjaar betreft, worden in deze bijlage naast de SEA de overzichttabellen behorend bij de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen gepresenteerd.

Tabel 145 Artikel 11 - Integraal Waterbeleid
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Integraal Waterbeleid

2020

2021

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Evaluatie Subsidieregeling HWBP

2019

2020

  

Eindrapportage over de monitoring van de doelmatigheidswinst BAW

2021

2021

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
     

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Ex (dur)ante evaluatie van de Nederlandse plannen voor de KRW

2021

2021

3.

Overig onderzoek

   
  

Jaarlijkse voortgangsrapportage De Staat van Ons Water

2021

2021

  

Periodieke beoordeling van primaire waterkeringen:Rapportage eerste beoordelingsronde primaire waterkeringen

2021

2021

  

Beoordeling jaarlijkse kustlijn t.o.v. de Basiskustlijn

2021

2021

  

Jaarevaluatie drinkwatertarieven(jaarlijks)

2021

2021

  

Evaluatie van het grondwater instituut IGRAC. Deze UNESO onderwijsorganisatie is met een subsidieregeling gesteund in de periode 2016-2022.

2021

2021

  

Evaluatie Versnellingstafels Delta-aanpak waterkwaliteit

2020

2021

Tabel 146 Artikel 13 - Bodem en Ondergrond
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Bodem en Ondergrond

2019

2020

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

titel onderzoek

  

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

titel onderzoek

  

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

titel onderzoek

  

3.

Overig onderzoek

   
  

Beleidsevaluatie Kwaliteitsborging Bodem

2019

2020

Tabel 147 Artikel 14 - Wegen en Verkeersveiligheid
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

Wegen en verkeersveiligheid

2023

2024

     

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid ben doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
     

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

3.

Overig onderzoek

   
Tabel 148 Artikel 16 - Openbaar Vervoer en Spoor
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

OV en Spoor

2018

2018

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Evaluatie van het Maatregelenpakket Spoorgoederenvervoer, in het bijzonder de subsidieregeling tijdelijke verlaging gebruiksvergoeding

2021

2021

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

MKBA van de beoogde schaalsprong in het Metropolitaan OV, vanuit bereikbaarheidsprogramma MoVe (IenW/BZK/PZH/MRDH/Den Haag/Rotterdam)

apr-20

okt-20

  

MKBA-light Zuidwestkant Amsterdam Schiphol Hoofddorp 2020

2020

 
  

MKBA een project MIRT-verkenning derde perron Amsterdam Zuid

2019

2020

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

3.

Overig onderzoek

   
  

Vervolgonderzoek Systeemkeuze tractie-energievoorziening (met o.a. MKBA voor 1,5/3/15/25kV)

2020

2021

  

Contouren Toekomstbeeld OV 2040

2018

2020

Tabel 149 Artikel 17 - Luchtvaart
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Luchtvaart

2023

2024

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Monitor netwerkkwaliteit en staatsgaranties 2019

2019

2020

  

Monitor netwerkkwaliteit en staatsgaranties 2020

2020

2021

  

Benchmark luchthavengelden en overheidsheffingen 2019

2019

2020

  

Benchmark luchthavengelden en overheidsheffingen 2020

2020

2021

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
     

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

3.

Overig onderzoek

   
  

- Actualisatie Integrale Veiligheidsanalyse Schiphol- Evaluatie implementatie aanbevelingen OVV-onderzoek Veiligheid vliegverkeer Schiphol- Aanpak Evaluatie OVV-aanbevelingen Schiphol

2019

2020

Tabel 150 Artikel 18 - Scheepvaart en Havens
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Scheepvaart en Havens

2022

2023

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Evaluatie subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 2018-2019

2019

2020

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

titel onderzoek

  

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Eindevaluatie Project Mainport Rotterdam

2019

2020

  

Evaluatie Innovatie Duurzame Binnenvaart 2014-2019

2020

2020

3.

Overig onderzoek

   
  

titel onderzoek

  
Tabel 151 Artikel 19 - Uitvoering Milieubeleid en Internationaal
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Uitvoering milieubeleid en internationaal

2017

2018

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Global Resources Onderzoek

2019

2019

  

OECD Environmental Performance Review of the Netherlands

2015

2015

  

Derde SDG rapportage

2019

2019

  

European Environment State and Outlook 2020

2019

2019

  

Global Land Outlook

2017

2017

  

Global Enviromental Outlook

2019

2019

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

titel onderzoek

  

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Annual Sustainable Growth Survey

2019

2020

3.

Overig onderzoek

   
  

titel onderzoek

  
Tabel 152 Artikel 20 - Lucht en Geluid
 

Soort onderzoek

Onderwerp

Start

Afronding

1

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Geluid

2014

2015

  

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

2018

2019

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Swung 1 en Meerjarenprogrammering geluidsanering 2018

  
  

IBO Luchtkwaliteit

2018

2019

3

Overig onderzoek

   
  

Jaarlijks monitoringrapport NSL

 

jaarlijks

  

Onderzoeken naar mogelijke knelpunten NSL

 

jaarlijks

  

Stikstofdioxide in lucht

 

2018

Tabel 153 Artikel 21 - Duurzaamheid
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Duurzaamheid

2019

2020

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

De Regeling groenprojecten periode 2010–2017 is in 2019 geëvalueerd

2017

2018

  

MIA/VAMIL

2017

2018

  

Het programma Van Afval Naar Grondstof

2017

2018

  

Evaluatie verbod op gratis plastic draagtassen

2019

2020

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Ex-ante evaluatie Circulaire economie (inclusief consumentenbeleid en Van Afval naar Grondstof (VANG))

2013

2013

3.

Overig onderzoek

   
  

Monitor Duurzaam Nederland 2017

2014

Jaarlijks

  

Circulaire economie: we willen weten wat we kunnen meten

 

2017

Tabel 154 Artikel 22 - Omgevingsveiligheid en Milieurisico's
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

2018

2018

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

Voortgangsrapportage op grond van biocideverordening

2014

2020

  

Evaluatie van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen 2013 en de Regeling genetisch gemodificeerde organismen

2018

2019

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

MKBA naar modal shift vervoersstromen Chemelot

2018

2019

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
  

titel onderzoek

  

3.

Overig onderzoek

   
  

Programma "Bewust Omgaan met Veiligheid". Analyse bevindingen Onderzoeksraad voor Veiligheid ten behoeve van het veiligheidsbeleid van het Ministerie van IenM

2017

2017

Tabel 155 Artikel 23 - Meteorologie, seismologie en aardobservatie
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
  

titel beleidsdoorlichting

  

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

ADR onderzoek

ADR onderzoek financieel begrotingsproces KNMI

2020

2020

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
  

titel onderzoek

  

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

Gateway review

gateway review op implementatie I-strategie (die in opstartfase is)

2020

2020

3.

Overig onderzoek

   
  

titel onderzoek

  
Tabel 156 Artikel 24 - Handhaving en Toezicht
 

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

1a.

Beleidsdoorlichtingen

Beleidsdoorlichting Handhaving en Toezicht ministerie van IenW

2018

2019

     

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

2.

Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   

2a.

MKBA's

   
     

2b.

Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
     

3.

Overig onderzoek

   
  

Jaarverslag 2019 Inspectie Leefomgeving en Transport

2019

2020

41

Kamerstukken II, 2019-2020, 31865-174. FJR Focusonderwerp 2020.

Bijlage 6: Overzichtsconstructie Milieu

In de ministerraad van 24 augustus 2001 is besloten om vanaf de begroting 2003 een Overzichtsconstructie Milieu op te nemen als vervanging van het Milieuprogramma. Dit is een overzicht waarin informatie bijeen wordt gebracht van (onderdelen van) beleidsartikelen van verschillende begrotingen met een milieudoelstelling. In de overzichtsconstructie zijn operationele doelen uit beleidsartikelen van de verschillende departementen opgenomen.

De overzichtsconstructie heeft een informerende functie voor de Staten- Generaal. Op deze wijze wordt het integrale overheidsbeleid op een beleidsterrein zichtbaar gemaakt in één begroting, ook al wordt het beleid door meerdere ministers ontwikkeld en/of uitgevoerd. De individuele ministeriële verantwoordelijkheid blijft daarbij gehandhaafd.

De Overzichtsconstructie Milieu is opgezet volgens de vigerende Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften. Er wordt een overzicht gegeven van alle met milieubeleid in verband staande artikelen en onderdelen bij IenW en andere ministeries. Begrotingsprestaties en -bedragen zijn niet in de overzichtsconstructie opgenomen; in de begrotingen van de ministeries kan de precieze invulling van het operationele doel worden terugge- vonden.

De Overzichtsconstructie Milieu kent primair een thematische indeling waarbij is uitgegaan van de kerntaken van het milieubeleid bij het Ministerie van IenW:

  • 1. Klimaatverandering en luchtkwaliteit

  • 2. Duurzaam produceren

  • 3. Verminderen van risico’s van stoffen, stralingen GGO’s

  • 4. Versterken van het internationale milieubeleid

  • 5. Leefomgevingskwaliteit

Aangezien een artikelonderdeel kan bijdragen aan meerdere taken, komen sommige onderdelen in de overzichtsconstructie op meerdere plaatsen voor. De overzichtsconstructie bevat geen andere informatie dan in de individuele begrotingen is terug te vinden.

Niet alle ministeries hebben specifieke beleidsdoelstellingen op milieu- gebied of de milieubijdrage is niet expliciet ondergebracht in een artikelonderdeel:

  • III Algemene Zaken (AZ)

Algemene Zaken heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen milieu-uitgaven.

  • VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor het beleid en de kaders op het terrein van de bedrijfsvoering van de rijksdienst. Dit betreft onder meer duurzame faciliteiten, duurzame huisvesting en ICT, duurzame mobiliteit en duurzaam inkopen. De uitgaven hiervoor maken onderdeel uit van de begrotingen van departementen zelf.

Gemeenten en provincies ontvangen van het Rijk verschillende bijdragen voor milieu. Deels staan die uitgaven op de betreffende departementale begrotingen (specifieke uitkering) en deels maken zij onderdeel uit van het Gemeente- (B) en/of het Provinciefonds (C) (algemene uitkering, integratie- of decentralisatie-uitkering). De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is beheerder van beide fondsen; de Staatssecretaris van Financiën is mede-fondsbeheerder.

  • VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW)

OCW heeft geen taken en specifieke doelen ten aanzien van milieubeleid. OCW oormerkt geen subsidies of begrotingsbedragen aan milieubeleid.

  • IX Financiën (Fin)

Financiën heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieuge- bied en ook geen significante milieu-uitgaven.

Voor de volledigheid is voor de fiscale ontvangsten uit de diverse vergroeningsmaatregelen wel een verwijzing in de overzichtsconstructie opgenomen naar het desbetreffende belastingontvangstenoverzicht in bijlage 2 van de Miljoenennota. Er mag overigens geen relatie gelegd worden tussen fiscale ontvangsten en milieu-uitgaven; milieugerelateerde fiscale ontvangsten zijn uit hun aard niet geoormerkt voor milieu-uitgaven.

Fiscale regelingen ter bevordering van milieudoelstellingen zijn opgenomen in bijlage 9 en 10  van de Miljoenennota en worden ook extracomptabel vermeld in de departementale begrotingen bij het betreffende beleidsartikel.

  • X Defensie (Def)

De uitgaven bij Defensie voor milieu en de energietransitie maken deel uit van investerings- en exploitatiebudgetten voor materieel en infrastructuur en zijn daarmee niet separaat zichtbaar in de begroting. Deze niet-zichtbare uitgaven betreffen onder andere de (meer-)kosten voor inkoop van groene stroom, aardgas en biobrandstoffen, meerkosten voor bijna-energieneutraal en circulair bouwen en energie-efficiënte apparaten en voertuigen, het bodemsaneringsprogramma en energiebesparende maatregelen op kazernes en militaire kampementen. Verder zijn er niet-zichtbare overige uitgaven onder Algemeen (artikel 9) die betrekking hebben op de uitvoering van energie- en milieuwetgeving.

Tabel 157 Taak 1: Klimaatverandering en luchtkwaliteit

Hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Artikelonderdeel

Naam artikel(onderdeel)

VII

BZK

4

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

XII

IenW

14

14.01

Netwerk

XII

IenW

16

16.01

Openbaar Vervoer en Spoor

XII

IenW

17

17.01

Luchtvaart

XII

IenW

18

18.01

Scheepvaart en havens

XII

IenW

20

20.01

Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

XII

IenW

23

23.01

Meteorologie en seismologie

XII

IenW

24

24.01

Handhaving en toezicht

XII

IenW

26

 

Bijdrage investeringsfondsen

XIII

EZK

2

 

Bedrijvenbeleid: innovatief & duurzaam ondernemen

XIII

EZK

4

 

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

XIV

LNV

21

 

Land- en tuinbouw

XIV

BHOS

2

2.3

Klimaat

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de belastingontvangsten in bijlage 2 van de Miljoenennota

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de fiscale regelingen in bijlage 9 en 10 van de Miljoenennota

Tabel 158 Taak 2: Duurzaam produceren

Hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Artikelonderdeel

Naam artikel(onderdeel)

XII

IenW

11

11.04

Waterkwaliteit

XII

IenW

16

16.01

Openbaar Vervoer en Spoor

XII

IenW

21

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

XII

IenW

21

21.05

Duurzame Productketens

XII

IenW

21

21.06

Natuurlijk kapitaal

XII

IenW

24

24.01

Handhaving en toezicht

XII

IenW

26

 

Bijdrage investeringsfondsen

XIV

LNV

21

 

Land- en tuinbouw

XIV

LNV

22

 

Natuur, visserij en gebiedsgericht werken

XVII

BHOS

1

1,3

Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden

XVII

BHOS

2

2.1

Voedselzekerheid

XVII

BHOS

2

2.2

Water

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de fiscale regelingen in bijlage 9 en 10 van de Miljoenennota

Tabel 159 Taak 3: Verminderen van risico’s van stoffen, straling en GGO’s

Hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Artikelonderdeel

Naam artikel(onderdeel)

XII

IenW

16

16.01

Openbaar Vervoer en Spoor

XII

IenW

17

17.01

Luchtvaart

XII

IenW

18

18.01

Scheepvaart en havens

XII

IenW

22

22.01

Veiligheid chemische stoffen

XII

IenW

22

22.02

Veiligheid biotechnologie

XII

IenW

22

22.03

Veiligheid bedrijven en transport

XII

IenW

24

24.01

Handhaving en toezicht

XII

IenW

26

 

Bijdrage investeringsfondsen

XIV

LNV

21

 

Land- en tuinbouw

XV

SZW

1

 

Subsidies, opdrachten en bijdrage agentschappen

XV

SZW

6

 

Inkomensoverdrachten

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de belastingontvangsten in bijlage 2 van de Miljoenennota

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de fiscale regelingen in bijlage 9 en 10 van de Miljoenennota

Tabel 160 Taak 4: Versterken van het internationale milieubeleid

Hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Artikelonderdeel

Naam artikel(onderdeel)

V

BZ

1

1.1

Goed functionerende internationale instellingen met een breed draagvlak

V

BZ

2

2.4

Bevordering van veiligheid, stabiliteit en rechtsorde in internationaal verband

V

BZ

3

3.1

Afdrachten aan de Europese Unie

V

BZ

3

3.2

Europees Ontwikkelingsfonds

V

BZ

3

3.3

Een hechtere Europese waardengemeenschap

VII

BZK

4

4.1

Energietransitie en duurzaamheid

XII

IenW

16

16.01

Openbaar Vervoer en Spoor

XII

IenW

17

17.01

Luchtvaart

XII

IenW

18

18.01

Scheepvaart en havens

XII

IenW

19

19.02

Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

XII

IenW

24

24.01

Handhaving en toezicht

XII

IenW

26

 

Bijdrage investeringsfondsen

XIII

EZK

2

 

Bedrijvenbeleid: innovatief & duurzaam ondernemen

XIII

EZK

4

 

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

XIV

LNV

21

 

Land- en tuinbouw

XIV

LNV

22

 

Natuur, visserij en gebiedsgericht werken

XVI

VWS

1

1.1

Gezondheidsbescherming

XVI

VWS

6

6.4

Sport verenigt Nederland

XVII

BHOS

1

1.3

Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden

XVII

BHOS

2

2.1

Voedselzekerheid

XVII

BHOS

2

2.2

Water

XVII

BHOS

2

2.3

Klimaat

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de fiscale regelingen in bijlage 9 en 10 van de Miljoenennota

Tabel 161 Taak 5: Leefomgevingskwaliteit

Hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Artikelonderdeel

Naam artikel(onderdeel)

VII

BZK

1

1.1

Bestuur en Regio

VII

BZK

3

3.1

Woningmarkt

VII

BZK

5

5.1

Ruimtelijke ordening

XII

IenW

11

11.04

Waterkwaliteit

XII

IenW

13

13.04

Ruimtegebruik bodem

XII

IenW

16

16.01

Openbaar Vervoer en Spoor

XII

IenW

17

17.01

Luchtvaart

XII

IenW

18

18.01

Scheepvaart en havens

XII

IenW

20

20.01

Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

XII

IenW

24

24.01

Handhaving en toezicht

XII

IenW

26

 

Bijdrage investeringsfondsen

XIV

LNV

22

 

Natuur, visserij en gebiedsgericht werken

XVII

BHOS

2

2.2

Water

XVII

BHOS

2

2.3

Klimaat

 

Fin

Bijlage Milj.nota

 

Toelichting op de fiscale regelingen in bijlage 6 en 11 van de Miljoenennota

Bijlage 7: Afkortingenlijst

Afkortingenlijst

A.

 

ABS

Absolute waarde

ACM

Autoriteit Consument & Markt

AMvB

Algemene Maatregel van Bestuur

ANVS

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

AO

Algemeen Overleg

APK

Algemene Periodieke Keuring

AR

Algemene Rekenkamer

AWACS

Airborne Warning And Control Station

AWB

Algemene wet bestuursrecht

  
  

B.

 

BAW

Bestuursakkoord Water

BBP

Bruto Binnenlands Product

BDU

Brede Doeluitkering

BES

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Bevb

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Bevt

Besluit externe veiligheid transportroutes

BIRK

Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit

BNP

Bruto Nationaal Product

BOA

Beleidsondersteuning en Advies

BRZO

Besluit Risico’s Zware Ongevallen

BSV

Bureau Sanering Verkeerslawaai

BZ

Ministerie van Buitenlandse Zaken

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

  
  

C.

 

CBR

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CCR

Centrale Commissie voor de Rijnvaart

CDM

Clean Development Mechanism

CLH

Classification and Labelling Harmonisation

CLP

Classification, Labeling and Packaging

CLRTAP

Convention on Long-Range Transboundary Air Pollution

CLSK

Commando Luchtstrijdkrachten

CO2

Koolstofdioxide

COGEM

Commissie Genetische Modificatie

CPB

Centraal Planbureau

CROS

Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol

Ctgb

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

  
  

D.

 

dB(A)

Decibel (audio)

DBFM

Design-Build-Finance-Maintenance

DCC

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing

DEF

Ministerie van Defensie

DF

Deltafonds

DGLM

Directoraat-Generaal Luchtvaart en Maritiem

DGMo

Directoraat-Generaal Mobiliteit

  

E.

 

EASA

European Aviation Safety Agency

EC

Europese Commissie

ECAC

European Civil Aviation Conference

ECHA

European Chemicals Agency

ECN

Energieonderzoek Centrum Nederland

EEA

European Environment Agency

EICB

Expertise- en InnovatieCentrum Binnenvaart

EMSA

European Maritime Safety Agency / Europese Maritieme Veiligheidsagentschap

EMV

(Meerjarige onderzoeksprogramma) elektromagnetische velden

ERTMS

European Rail Traffic Management System

ESA

European Space Agency

ESO

Ernstige Scheepsongevallen

EU

Europese Unie

EU ETS

EU Emissions Trading System / Europees CO2 emissiehandelssysteem

EZ

Ministerie van Economische Zaken

  
  
  

F.

 

FABEC

Functional Airspace Block Europe Central

Fin

Ministerie van Financiën

FLO

Functioneel leeftijdsontslag

  
  

G.

 

GGO

Genetisch Gemodificeerd Organisme

GIS

Geluidsisolatie Schiphol

GT

Gross tonnage / bruto tonnage

GVKA

Geïntegreerde Verplichtingen-Kasadministratie

  
  

H.

 

HGIS

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HSL

Hogesnelheidslijn

HVWN

Hoofdvaarwegennet

HWBP

Hoogwaterbeschermingsprogramma

HWN

Hoofdwegennet

  
  

I.

 

ICAO

International Civil Aviation Organization

ICT

Informatie- en communicatie Technologie

IenM

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

IF

Infrastructuurfonds

IGRAC

International Groundwater Resources Assessment Centre

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

IMO

International Maritime Organisation

Inspire

Europese Richtlijn voor harmonisatie van geo-informatie

Interreg

Programma voor transnationale samenwerking op het gebied van innovatieve en ruimtelijke gebiedsontwikkeling

IOV

Impuls Omgevingsveiligheid

IPCC

Intergovernmental Panel on Climate Change

IPO

Interprovinciaal Overleg

ITS

Intelligente Transportsystemen

IWA

Internationale Wateraanpak

  
  

K.

 

KDC

Knowledge & Development Center

KIM

Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid

KLM

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

KNMI

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

KpVV

Kennisplatform Verkeer en Vervoer

KRM

Kaderrichtlijn mariene strategie

KRW

(Europese) Kaderrichtlijn Water

Kton

Kiloton (miljoen kilo)

  
  

L.

 

LAP

Landelijk Afvalbeheerplan

LAVS

Landelijk Asbestvolgsysteem

Lden

Level day-evening-night

LIB

Luchthavenindelingbesluit

Lnight

Night Level

LSNed

Leidingenstraat Nederland

LTSA

Lange Termijn Spooragenda

LVB

Luchthavenverkeerbesluit Schiphol

LVNL

Luchtverkeersleiding Nederland

  
  

M.

 

MER

Milieueffectrapportage

MIA

Milieu investeringsaftrek

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport

MJPG

Meerjarenprogramma Geluidsanering

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MKBA

Maatschappelijke kosten-batenanalyse

MOU

Memorandum of Understanding

Mton

Megaton (1 miljard kilo)

  
  

N.

 

NAS

Nationale Adoptie Strategie

NCAP

New Car Assessment Programme

NDOV

Nationale Data Openbaar Vervoer

NEa

Nederlandse Emissieautoriteit

NEC

National Emission Ceiling

NGO

Non-gouvernementele organisatie

NH3

Ammoniak

NIWO

Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie

NKWK

Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat

NLC

Nederlandse Loodsencorporatie

NMCA

Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse

NMVOS

Niet-methaan vluchtige organische stoffen

NO2

Stikstofdioxide

NOVB

Nationaal Openbaar Vervoer Beraad

NOx

Stikstofoxiden

NRV

National Reference Value

NS

Nederlandse Spoorwegen

NSL

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

  
  

O.

 

OCW

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OD

Omgevingsdiensten

OECD

Organisation for Economic Co-operation and Development

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OLO

Omgevingsloket Online

ORS

Omgevingsraad Schiphol

OSPAR

Oslo-Parijs (verdrag)

OTIF

Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires

OV

Openbaar vervoer

OVV

Onderzoeksraad voor Veiligheid

  
  

P.

 

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PGS (15)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

PHS

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

PRTR

(Kiev Protocol on) Pollutant Release and Transfer Registers

PSR

Projectstimuleringsregeling

  
  

R.

 

RAC

Risk Assessment Committee

RCW

Regiecollege Waddengebied

RDW

Rijksdienst voor het Wegverkeer

REACH

Registratie, Evaluatie en Autorisatie Chemische Stoffen

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RMO

Risk Management Options

RMRG

Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid

RVO

Rijksdienst voor ondernemend Nederland

RvS

Raad van State

RWS

Rijkswaterstaat

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

  
  

S.

 

SACN

Stichting Airport Coordination Netherlands

SCR

Selective Catalytic Reduction

SDG

Sustainable Development Goal

SO2

Zwaveldioxide

SSO

Shared Services Organisatie

SSP

State Safety Programme

StAB

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

SURF

Smart Urban Regions in the Future

SVHC

Substance of Very High Concern

SVIR

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

SWOV

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid

SWUNG

Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidsbeleid

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

  
  

T.

 

TK

Tweede Kamer

TRG

Totaal Risicogewicht Grenswaarde

TVG

Totaal Volume Geluid

  
  

U.

 

UNISDR

United Nations International Strategy for Disaster Reduction

UNEP

United Nations Environment Programme

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNFCCC

United Nations Framework Convention on Climate Change

UvW

Unie van Waterschappen

  
  

V.

 

VAMEX

Vaarbewijzen- en Marifoon Examens

VAMIL

Vrijwillige afschrijving milieu-investeringen

VANG

Van Afval Naar Grondstof

VN

Verenigde Naties

VNAC

Verkenning Nationaal Actieprogramma Cybersecurity

VNECE

Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (United Nations Economic Commission for Europe, UNECE)

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VOS

Vluchtige Organische Stoffen

VROM

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

VVN

Veilig Verkeer Nederland

VWS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

  
  

W.

 

Wabo

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wbb

Wet bodembescherming

WMO

Wereld Meteorologische Organisatie

  
  

Z.

 

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZESO’s

Zeer Ernstige Scheepvaartongevallen

Licence