2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | ||
---|---|---|---|---|---|---|---|
totaal uitgaven | – 1.651 | 264,2 | 309,3 | 292,2 | 251,6 | 252,1 | |
totaal niet-belastingontvangsten | |||||||
4 | Eindejaarsmarge | ||||||
Uitgaven | – 1.776,8 | – 109,6 | – 20,8 | ||||
55 | Diversen | ||||||
Uitgaven | 125,8 | 373,8 | 330,1 | 292,2 | 251,6 | 252,1 |
Op de aanvullende post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van reservering de definitieve aanwending nog niet kan worden aangegeven. Daarnaast staat op de aanvullende post de in=uit-taakstelling op artikel 4 eindejaarsmarge.
Artikel 4 Eindejaarsmarge
Departementen kunnen onbestede middelen in 2016 met behulp van de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2017. HGIS-middelen kunnen worden doorgeschoven naar de drie opvolgende jaren. Als tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling op de aanvullende post ingeboekt, onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge. De in=uit-taakstelling zal gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar worden ingevuld met onderuitputting.
Artikel 55 Diversen
De stand op artikel 55 wordt hoofdzakelijk gevormd door reserveringen voor de Investeringsagenda van de Belastingdienst, de Generieke Digitale Infrastructuur van de rijksoverheid en intensiveringen bij VenJ.